2000-04-28 HR NJ 2001, 144 Formele rechtskracht beëindigingsbesluit bijstand ook na wetswijziging


HR 28-04-2000 NJ 2001, 144
69 ABW

Tegen een beëindigingsbeschikking stond in het stelsel van de Algemene bijstandswet zoals deze gold in het tijdvak tussen 1 januari 1996 en 1 juli 1997 bezwaar en beroep open zodat betrokkene die in gebreke is gebleven tijdig bezwaar aan te tekenen gebonden is aan de inhoud van die beslissing.


NJ 2001/144
HOGE RAAD


28 april 2000, nr. R99/146HR

(Mrs. F.H.J. Mijnssen, C.H.M. Jansen, O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein, P.C. Kop; A-G Hartkamp)

JOL 2000, 255

D., te Leeuwarden, verzoeker tot cassatie, adv. mr. drs K.M. van Holten,

tegen

De Gemeente B., te G., verweerster in cassatie, niet verschenen.

Rechtbank:

Rechtsoverwegingen

1. D. is tijdig in beroep gekomen tegen de beschikking van de kantonrechter.

2. De rechtbank is van oordeel dat, indien komt vast te staan dat D. in gebreke is gebleven tijdig bezwaar aan te tekenen tegen de beslissing van de gemeente van 18 maart 1997, D. gebonden is aan de inhoud van die beslissing en de verplichting tot terugbetaling van de ontvangen bijstand daarmee vaststaat.

3. De rechtbank acht verschoonbaar dat D. niet binnen zes weken na 27 maart 1997 een bezwaarschrift bij de gemeente heeft ingediend tegen de beslissing van 18 maart 1997. Het is aannemelijk dat D. tengevolge van zijn aanhouding en daarop volgende detentie tot eind 1997, alsmede tengevolge van het door hem gestelde en door de gemeente niet weersproken optreden van de recherche ten aanzien van zijn post, van de toezending d.d. 27 maart 1997 geen kennis heeft kunnen nemen.

De toezending van de beslissing aan de postbus te Leeuwarden acht de rechtbank geen rechtsgeldige kennisgeving van de beslissing, nu de postbus niet ten name van D. stond en niet valt vast te stellen of D. na 30 maart 1998 toegang tot die postbus heeft kunnen hebben.

4. De rechtbank beschouwt als vaststaand dat D. kort na toezending door het kantongerecht van het afschrift van het verzoek van de gemeente d.d. 9 september 1998 met bijlagen - waaronder de beslissing van 18 maart 1997 - kennis heeft kunnen nemen van die beslissing. In het namens hem bij de kantonrechter ingediende verweerschrift d.d. 30 november 1998 wordt immers gesteld dat D. heeft kennisgenomen van het verzoekschrift, en uit het in het verweerschrift gestelde volgt dat hij tevens van de bijlagen bij het verzoekschrift kennisgenomen moet hebben; er wordt in het verweerschrift ingegaan op de inhoud van die bijlagen. Het is volstrekt onaannemelijk dat het D. of zijn gemachtigde zou zijn ontgaan dat één of meer van de doorgenummerde bijlagen bij de toelichting bij het verzoekschrift zou hebben ontbroken.

5. Blijkens de jurisprudentie op artikel 6:11 van de Algemene Wet Bestuursrecht kan een belanghebbende zo spoedig mogelijk - dat is: binnen twee weken - nadat hij na het verstrijken van de bezwaartermijn kennis heeft gekregen van het bestaan van een beschikking nog bezwaar aantekenen tegen die beschikking. In het onderhavige geval betekent dat dat D., bij de voor hem meest gunstige benadering, binnen twee weken na 30 november 1998 bezwaar had moeten aantekenen tegen de beslissing van de gemeente d.d. 18 maart 1997. Het staat vast dat hij dat niet gedaan heeft, maar dat namens hem eerst op 26 maart 1999 een bezwaarschrift bij de gemeente is ingediend. Uit het bovenoverwogene volgt dat de rechtbank van oordeel is dat de gemeente D. in dit bezwaar slechts niet-ontvankelijk zal kunnen verklaren.

6. Hierdoor komt vast te staan dat D. niet tijdig bezwaar heeft aangetekend tegen de beslissing van de gemeente d.d. 18 maart 1997, zodat hetgeen in rechtsoverweging 2. is overwogen van toepassing is, D. grieven niet kunnen slagen en de beschikking van de kantonrechter bevestigd dient te worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- bevestigt de beschikking van de kantonrechter te Leeuwarden d.d. 19 februari 1999.

Cassatiemiddel:

1. Ten onrechte overweegt de rechtbank in r.o. 1 NOOT 1 dat D. indien komt vast te staan dat hij in gebreke is gebleven tijdig bezwaar aan te tekenen tegen de beslissing van de gemeente van 18 maart 1997, gebonden is aan de inhoud van die beslissing en de verplichting tot terugbetaling van de ontvangen bijstand daarmee vaststaat. De rechtbank miskent dat tegen deze beslissing geen bezwaar of beroep op de bestuursrechter heeft opengestaan, waardoor de burgerlijke rechter, ingeval de geldigheid van het besluit in het voor hem gevoerde belang in geschil is, zich een zelfstandig en zonder voorbehoud gegeven oordeel dient te vormen over de vraag of deze beslissing wat inhoud, wijze van totstandkoming en wijze van uitvoering betreft in overeenstemming is met het recht.

Toelichting

Op grond van onder meer HR 7 april 1995, NJ 1997/166 (Smit/Staat) is in een geval als dit uitgangspunt dat indien tegen een besluit van een bestuursorgaan een met voldoende waarborgen omklede administratiefrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan, maar deze rechtsgang niet is gebruikt, de burgerlijke rechter, in geval de geldigheid van het besluit in het voor hem gevoerde geding in geschil is, in beginsel van die geldigheid dient uit te gaan, behoudens indien de daaraan verbonden bezwaren door bijkomende omstandigheden zo klemmend worden dat op dat beginsel een uitzondering moet worden aanvaard (HR 16 mei 1986, NJ 1986, 723).

Hetzelfde geldt in geval gebruik is gemaakt van een administratiefrechtelijke rechtsgang als vorenbedoeld, in welk geval de burgerlijke rechter van de geldigheid van het besluit dient uit te gaan, zolang het niet is vernietigd. De eisen van een behoorlijke rechtspleging kunnen meebrengen dat de burgerlijke rechter, teneinde mogelijk tegenstrijdige beslissingen te voorkomen, zijn uitspraak aanhoudt totdat zodanige onherroepelijke beslissing is verkregen; daartoe zal met name grond bestaan in geval te verwachten valt dat bij die beslissing het besluit zal worden vernietigd. De burgerlijke rechter kan ook, in plaats van zijn uitspraak aan te houden, die uitspraak doen onder de voorwaarde van de uitkomst van de administratiefrechtelijke rechtsgang. Indien beroep tegen het besluit eerst na afloop van de daartoe bij de wet gestelde termijn bij de administratieve rechter is ingesteld en tegen diens uitspraak, houdende niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens termijnoverschrijding, door de wederpartij van het bestuursorgaan hoger beroep is ingesteld, bestaat voor het aanhouden door de burgerlijke rechter van diens uitspraak slechts grond indien te verwachten valt dat de administratieve appelrechter een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens termijnoverschrijding achterwege zal laten op grond dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de wederpartij van het bestuursorgaan in verzuim is geweest, en dat hij het besluit zal vernietigen.

Dit uitgangspunt is evenwel slechts van toepassing indien en voor zover tegen een besluit van een bestuursorgaan een met voldoende waarborgen omklede administratiefrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan. Dat wordt door de rechtbank miskend.

Op terugvorderingsbesluiten, zoals het terugvorderingsbesluit van 18 maart 1997, die zijn genomen vóór 1 juli 1997 blijft immers het recht van toepassing zoals dat gold op grond van de Algemene bijstandswet die van kracht was op die laatste datum, te weten de Algemene bijstandswet zoals die van kracht was na de inwerkingtreding op 1 jan. 1996 van de Abw en vóór de op 1 juli 1997 in werking getreden wijziging van de daarin gegeven bepalingen betreffende terugvordering bij de wet van 25 april 1996, Stb. 248 (vgl. HR 18 april 1997, NJ 1997/499). Tegen terugvorderingsbesluiten die vóór 1 juli 1997 zijn bekendgemaakt staat mitsdien geen bezwaar en beroep open; de "vordering" tot terugbetaling kon in die periode slechts aan de kantonrechter worden voorgelegd. Slechts tegen terugvorderingsbesluiten die op of na 1 juli 1997 zijn genomen staat bezwaar en beroep op de bestuursrechter open; óók als de terugvordering betrekking heeft op uitkeringen die vóór 1 juli 1997 zijn verstrekt. In de periode van 1 januari 1996 tot 1 juli 1997 stond noch tegen het besluit tot intrekking van de uitkering noch tegen het terugvorderingsbesluit bezwaar en beroep open, zodat de terugvorderingsdiscussie bij de burgerlijke rechter thuishoorde, aangezien de bestuursrechter terzake bevoegdheid miste.

Dat is niet anders doordat D. tegen het besluit van 18 maart 1997 een bezwaarschrift heeft ingediend. De regel dat de burgerlijke rechter gebonden is aan het oordeel van de bestuursrechter kan blijkens de uitspraak van de Hoge Raad van 28 februari 1992, NJ 1992/687 (Changoe/Staat) immers slechts bestaan indien en voor zover de bestuursrechter bij uitsluiting van enige andere rechter bevoegd is een oordeel te geven over een aan hem voorgelegd geschil en kan niet van toepassing zijn in een geval als dit, dat zich er door kenmerkt dat het "besluit" van 18 maart 1997 een publiekrechtelijke grondslag ontbeert, waardoor het niet valt aan te merken als besluit in de zin van artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht en de bestuursrechter daardoor niet bij uitsluiting bevoegd is over een geschil naar aanleiding van dat besluit te oordelen. Door tegen de beslissing bezwaar te maken worden het primaire "besluit" van 18 maart 1997 noch de daarop genomen "beslissing" op bezwaar besluiten in de zin van artikel 1:3 Awb. Bevoegdheid van de bestuursrechter valt mitsdien niet aan te nemen. In het te dezen van toepassing zijnde oude stelsel van de ABW past het "intrekkingsbesluit" van 18 maart 1997 immers niet en kan in elk geval niet worden gezegd dat een dergelijk besluit aan een vordering als de onderhavige moet voorafgaan (HR 18 april 1997, NJ 1997/499), waardoor het besluit van 18 maart 1997 geen (publiekrechtelijke) rechtshandeling vormt.

2. Voor zover de rechtbank er van uit is gegaan dat het "besluit" van 17 maart 1997 op grond van het bepaalde in artikel 3:40 en 3:41 Awb dient te worden aangemerkt als een na 1 juli 1997 in werking getreden besluit is zulks onbegrijpelijk, nu uit de beschikking van de rechtbank niet valt op te maken op grond waarvan de rechtbank tot dat oordeel heeft kunnen komen, althans is zulks onbegrijpelijk omdat het "intrekkingsbesluit" van 18 maart 1997 in het te dezen van toepassing zijnde oude stelsel van de ABW niet past aangezien in elk geval niet kan worden gezegd dat een dergelijk besluit aan een vordering als de onderhavige moet voorafgaan (HR 18 april 1997, NJ 1997/499), waardoor het besluit van 18 maart 1997 geen (publiekrechtelijke) rechtshandeling vormt en daardoor ook geen besluit is dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:40 en 3:41 Awb in werking kan treden.

Hoge Raad:

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 11 september 1998 ter griffie van het Kantongerecht te Leeuwarden ingediend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de Gemeente - zich gewend tot de Kantonrechter aldaar en verzocht te bepalen dat verzoeker tot cassatie - verder te noemen: D. - aan haar schuldig is wegens verleende bijstand een bedrag van f 5151,46, alsmede te bepalen dat het bedrag dat D. geregeld aan de Gemeente dient te betalen wordt vastgesteld op tenminste het voor beslag vatbare gedeelte van zijn maandelijks inkomen totdat de gehele schuld zal zijn voldaan, te beginnen een maand nadat de beschikking zal zijn gegeven. Voorts heeft de Gemeente verzocht te bepalen dat voor het geval D. in gebreke blijft het maandelijks vastgestelde bedrag geregeld aan de Gemeente te voldoen door haar het restant van het terug te vorderen bedrag terstond kan worden ingevorderd en dat zij, die gelden aan D. verschuldigd zijn of worden, aan de Gemeente het hiervoor vermelde bedrag of het restant daarvan ineens zullen uitkeren dan wel het voor beslag vatbare gedeelte van zijn inkomen per maand.

D. heeft het verzoek bestreden.

De Kantonrechter heeft bij beschikking van 19 februari 1999 het verzoek toegewezen.

Tegen deze beschikking heeft D. hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Leeuwarden.

Bij beschikking van 16 juni 1999 heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard en de beschikking van de Kantonrechter bevestigd.

(...).

2. Het geding in cassatie

(...)

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het gaat in dit geding om het volgende.

Bij beschikking van 20 augustus 1996 heeft de Gemeente op grond van de Algemene Bijstandswet aan D. vanaf 10 juli 1996 een uitkering toegekend voor de noodzakelijke kosten van het bestaan. Bij beschikking van 18 maart 1997 heeft de Gemeente de uitkering met ingang van 10 juli 1996 beëindigd omdat D. verzuimd had haar voldoende inlichtingen te verstrekken.

In het onderhavige geding, dat is aangevangen met een op 11 september 1998 ter griffie van het Kantongerecht te Leeuwarden ingekomen verzoekschrift, verzoekt de Gemeente de Kantonrechter onder meer te bepalen dat D. wegens verleende bijstand aan haar een bedrag van f 5151,46 schuldig is.

De Kantonrechter heeft bij beschikking van 19 februari 1999 het verzoek van de Gemeente toegewezen.

Tegen de beschikking van de Kantonrechter is D. in beroep gegaan. De Rechtbank heeft in haar beschikking van 16 juni 1999 onder 2 overwogen:

"De rechtbank is van oordeel dat, indien komt vast te staan dat D. in gebreke is gebleven tijdig bezwaar aan te tekenen tegen de beslissing van de gemeente van 18 maart 1997, D. gebonden is aan de inhoud van die beslissing en de verplichting tot terugbetaling van de ontvangen bijstand daarmee vaststaat."

Vervolgens oordeelde de Rechtbank dat D. niet tijdig bezwaar heeft aangetekend tegen de beslissing van de Gemeente van 18 maart 1997. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de beschikking van de Kantonrechter bekrachtigd.

3.2. Volgens onderdeel 1 van het middel, gericht tegen rechtsoverweging 2 van de beschikking, miskent de Rechtbank dat tegen de beslissing van 18 maart 1997 geen bezwaar of beroep op de bestuursrechter heeft opengestaan, waardoor de burgerlijke rechter, in geval de geldigheid van het besluit in het voor hem gevoerde geding in geschil is, "zich een zelfstandig en zonder voorbehoud gegeven oordeel dient te vormen" over de vraag of deze beslissing wat inhoud, wijze van totstandkoming en wijze van uitvoering betreft in overeenstemming is met het recht.

Het onderdeel gaat ervan uit dat het besluit van 18 maart 1997 een terugvorderingsbesluit is. De Rechtbank heeft echter klaarblijkelijk geoordeeld dat het besluit een beëindigingsbesluit is zoals bedoeld in art. 69 lid 3 (oud) Abw. Dit is, in het licht van de tekst van het besluit, niet onbegrijpelijk. Ook de Kantonrechter heeft in zijn beschikking van 19 februari 1999 geoordeeld dat het besluit een beëindigingsbeschikking is. Tegen een dergelijke beschikking stond in het stelsel van de Algemene bijstandswet, zoals deze gold in het tijdvak tussen 1 januari 1996 en 1 juli 1997, wel bezwaar en beroep open.

Het onderdeel mist derhalve feitelijke grondslag en kan daarom niet tot cassatie leiden.

Onderdeel 2 neemt tot uitgangspunt dat de Rechtbank ervan is uitgegaan dat het besluit van 18 maart 1997 dient te worden aangemerkt als een na 1 juli 1997 in werking getreden besluit. De beschikking van de Rechtbank geeft daarvoor echter geen grond. Ook dit onderdeel kan derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.


[Mening]


Conclusie A-G mr. Hartkamp:

Feiten en procesverloop

1) Omtrent feiten en procesverloop staat op grond van de gedingstukken het volgende vast. Bij beschikking van 20 augustus 1996 heeft verweerster in cassatie ("de gemeente") op grond van de Algemene bijstandswet aan verzoeker tot cassatie (D.) per 10 juli 1996 een uitkering toegekend voor de noodzakelijke kosten van het bestaan. Bij beschikking van 18 maart 1997 heeft de gemeente de uitkering per 10 juli 1996 beëindigd omdat D. verzuimd had voldoende inlichtingen te verstrekken. Op 26 maart 1999 heeft D. tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.

2) Bij verzoekschrift van 9 september 1998 (ingekomen ter griffie op 11 september 1998) heeft de gemeente aan de kantonrechter te Leeuwarden verzocht te bepalen dat D. wegens verleende bijstand aan de gemeente schuldig is een bedrag van f 5151,46, met nevenverzoeken. D. heeft tegen het verzoek verweer gevoerd. De kantonrechter heeft bij beschikking van 19 februari 1999 de verzoeken van de gemeente toegewezen, waartoe hij onder meer heeft overwogen (r.o. 4):

"(...) de aan D. door B. per 10 juli 1996 toegekende uitkering [is] krachtens de algemene bijstandswet bij beschikking van 18 maart 1997 ingaande 10 juli 1996 (...) beëindigd. Niet is gesteld of gebleken dat D. tegen laatstgenoemde beschikking bezwaar en/of beroep heeft aangetekend, zodat de kantonrechter aanneemt dat deze beschikking onherroepelijk is. Aldus moet worden vastgesteld dat de door D. uit hoofde van de toekenningsbeschikking van 20 augustus 1996 ontvangen gelden ten onrechte door hem zijn ontvangen. (...)"

3) Tegen de beschikking van de kantonrechter is D. in hoger beroep gegaan. De gemeente heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft in haar beschikking van 16 juni 1999 overwogen (r.o. 2):

"De rechtbank is van oordeel dat, indien komt vast te staan dat D. in gebreke is gebleven tijdig bezwaar aan te tekenen tegen de beslissing van de gemeente van 18 maart 1997, D. gebonden is aan de inhoud van de beslissing en de verplichting tot terugbetaling van de ontvangen bijstand daarmee vaststaat."

Vervolgens komt de rechtbank tot het oordeel dat D. inderdaad in gebreke is gebleven tijdig bezwaar aan te tekenen: hij heeft in ieder geval op 30 november 1998 - de datum van het namens hem bij de kantonrechter ingediende verweerschrift - van de beschikking kennis gehad en desondanks eerst op 26 maart 1999 bezwaar aangetekend. De rechtbank heeft vervolgens het beroep ongegrond verklaard en de beschikking van de kantonrechter bevestigd.

4) Van deze uitspraak is D. tijdig NOOT 2 in cassatie gekomen, onder aanvoering van één cassatiemiddel, dat twee klachten bevat. De gemeente is niet verschenen.

Bespreking van het cassatiemiddel

5) De eerste klacht richt zich tegen de geciteerde rechtsoverweging 2 NOOT 3. Volgens het middel miskent de rechtbank dat tegen de beslissing van de gemeente geen bezwaar of beroep op de bestuursrechter heeft opengestaan, waardoor de burgerlijke rechter, in geval de geldigheid van het besluit in het voor hem gevoerde geding in geschil is, zich een zelfstandig en zonder voorbehoud gegeven oordeel dient te vormen over de vraag of deze beslissing wat inhoud, wijze van totstandkoming en wijze van uitvoering betreft in overeenstemming is met het recht. Het middel stelt dus, samengevat, dat aan de beschikking van 18 maart 1997 geen formele rechtskracht zou toekomen, omdat tegen deze beschikking geen met voldoende waarborgen omklede administratieve rechtsgang heeft opengestaan.

6) Het middel betoogt het voorgaande vanuit de kennelijke veronderstelling dat het besluit van 18 maart 1997 een terugvorderingsbesluit zou zijn. Onder de Abw zoals die gold van 1 januari 1996 tot 1 juli 1997 (wet van 12 april 1995, Stb. 199, i.w.tr. 1 januari 1996) diende de gemeente die reeds verleende bijstand wenste terug te vorderen, een terugvorderingsbesluit te nemen en, zo betrokkene niet vrijwillig tot terugbetaling overging, een verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen teneinde een executoriale titel te verkrijgen (art. 86 jo. 88 Abw). Tegen een dergelijk terugvorderingsbesluit stond geen bezwaar en beroep open. Betrokkenen die desondanks tegen een terugvorderingsbesluit bezwaar aantekenden, werden dan ook niet-ontvankelijk verklaard (zoals in bijvoorbeeld CRvB 5 november 1998, ).

Vergelijk in dit verband ook HR 18 april 1997, NJ 1997, 499, oordelend dat, kort gezegd, in het stelsel van de oude ABW bij terugvorderingsprocedures een herzienings- of intrekkingsbesluit niet past en in elk geval niet kan worden gezegd dat een dergelijk besluit aan zo'n vordering moet voorafgaan; dit omdat het de bedoeling van de wetgever was de bestuursrechtelijke bescherming in te laten gaan op het tijdstip waarop de Wet boeten NOOT 4 in werking zou zijn getreden. NOOT 5

7) Het kennelijke uitgangspunt van het cassatiemiddel dat de beschikking van 18 maart 1997 een terugvorderingsbesluit was, waartegen destijds derhalve geen bezwaar en beroep openstond, is echter onjuist. Kantonrechter noch rechtbank hebben zich over de aard van de beschikking uitgelaten. Uit de tekst van de beschikking (overgelegd bij het inleidend verzoekschrift) blijkt dat haar strekking was de uitkering met ingang van 10 juli 1996 te beëindigen, hetgeen wordt gegrond op art. 69 lid 3 Abw. Vgl. ook r.o. 2.1 in fine van het vonnis van de kantonrechter. Art. 69 Abw luidde destijds (tot de inwerkingtreding van de Wet boeten):

"1. Indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, schorten burgemeester en wethouders het recht op bijstand op:

a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of

b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

2. Burgemeester en wethouders doen mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigen hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.

3. Indien de belanghebbende het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn wordt de bijstand beëindigd met ingang van de eerste dag van de periode waarover de bijstand is opgeschort."

Voorts wijst de tekst van het inleidend verzoekschrift erop dat de gemeente op 1 september 1998 een terugvorderingsbesluit heeft genomen ("De burgemeester van B. ter uitvoering van het besluit van burgemeester en wethouders van B. van 1 september 1998 tot verhaal in rechte van verleende bijstand ...").

Uit dit alles kan m.i. worden afgeleid dat het besluit van 18 maart 1997 het karakter heeft van een beëindigingsbesluit als bedoeld in art. 69 lid 3 (oud) Abw en niet van een terugvorderingsbesluit. NOOT 6 Tegen een dergelijk beëindigingsbesluit stond in het systeem van de Abw tussen 1 januari 1996 en 1 juli 1997 wel degelijk bezwaar en beroep open. Dit blijkt bijv. uit CRvB 25 november 1997, , CRvB 14 juli 1998, en CRvB 6 april 1999, m.nt. R. Stijnen. De eerste klacht wordt derhalve tevergeefs voorgesteld.

8) In zijn tweede klacht voert D. nog aan dat, voorzover de rechtbank ervan uit is gegaan dat het besluit van 18 maart 1997 op grond van het bepaalde in art. 3:40 en 3:41 Awb dient te worden aangemerkt als een na 1 juli 1997 in werking getreden besluit, zulks onbegrijpelijk is. Deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Uit de beschikking van de rechtbank blijkt niet dat zij ervan uit is gegaan dat het besluit dient te worden aangemerkt als een na 1 juli 1997 in werking getreden besluit. Zij heeft zich slechts afgevraagd of er sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding bij het instellen van bezwaar.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.


Noot 1

Beschikking a quo, blad 2.


Noot 2

Art. 426 lid 1 Rv: twee maanden).


Noot 3

De klacht verwijst, kennelijk bij vergissing, naar r.o. 1.


Noot 4

Op 1 juli 1997 is de "Wet boeten" (wet van 25 april 1996, Stb. 248) in werking getreden, waarbij de Abw ingrijpend is gewijzigd. Sinds 1 juli 1997 dient de gemeente, indien zij reeds verleende bijstand wenst terug te vorderen, eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit te nemen (art. 69 lid 3 Abw). Hiermee wordt de wijziging of intrekking van de toekennende beschikking tot stand gebracht. Ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand wordt vervolgens volgens art. 81 Abw teruggevorderd. Daartoe dient een terugvorderingsbesluit te worden genomen, dat een executoriale titel oplevert die met toepassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden tenuitvoergelegd indien verrekening niet tot het gewenste resultaat leidt of niet mogelijk is (art. 87 Abw; zie ook Kamerstukken II 23 909, 1994/1995, nr. 3, p. 28). Tegen herzienings-, intrekkings- en terugvorderingsbesluit staan de rechtsmiddelen van bezwaar en beroep open volgens de Awb (zie Losbladige ABW/Verhaal III bij art. 78 aant. 1 - H.S. Prins).


Noot 5

In verband hiermee rijst de overgangsrechtelijke vraag - die in casu overigens geen beantwoording behoeft - of de gemeente er juist aan heeft gedaan een verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen of dat zij de administratieve weg als thans voorgeschreven in de Abw had moeten volgen. Zie omtrent het overgangsrecht art. XVI Wet boeten; Kamerstukken II 1994/95, 23 909, nr. 3, p. 79; Kamerstukken I, 1995/96, 23 909, nr. 114b, p. 16; H.S. Prins, Losbladige ABW/Verhaal III, art. 78, aant. 2 en art. XVI. Voor rechtspraak zie Ktr. Rotterdam 23 oktober 1998, en Ktr. Terneuzen 31 maart 1999, (in civiele procedures) en Rb. Den Bosch 25 november 1998, en Rb. Maastricht 8 januari 1999, (in administratieve procedures).


Noot 6

Dat de gemeente i.c. inderdaad de procedure van art. 69 (oud) Abw heeft gevolgd (opschorting van de uitkering onder het stellen van een termijn waarin de gelegenheid wordt geboden de informatie alsnog te verstrekken, vervolgens beëindiging van de uitkering), blijkt voorts uit de los in het dossier gevoegde stukken, met name prod. 9, de brief van 20 februari 1997 van de gemeente aan D.