Internationaal en supranationaal recht

ZFW voldoet aan internationale verdragen
Ter toetsing aan verschillende bepalingen van supra- en internationaal recht werd aan de Raad voorgelegd de bij de Wet Van Otterloo (Stb. 1994, 465) ingevoerde regeling dat het recht op AOW-pensioen als titel geldt voor verplichte verzekering voor de ZFW, mits het inkomen beneden een bepaalde grens blijft. De Raad achtte de voorwaarden voor toelating tot de verplichte ziekenfondsverzekering niet in strijd met artikel 12 van het ESH, artikel 2 van het IVESCR en de artikelen 8 en 12 van Conventie nr. 130 van de International Labour Organisation (ILO). De Wet Van Otterloo beoogt immers een grotere groep AOW-gerechtigden c.q. personen met een relatief laag inkomen dan voorheen, binnen de verplichte ziekenfondsverzekering te laten vallen, zodat veeleer in ruimere mate dan voorheen aan de genoemde verdragsverplichtingen is voldaan. De stelling dat de regeling een verboden onderscheid maakt naar leeftijd, inkomen, status en, indirect, geslacht, zoals geregeld in artikel 26 van het IVBPR en 14 van het EVRM in combinatie met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, wees de Raad van de hand, gelet op het door de wetgever nagestreefde gerechtvaardigde doel, waarbij de gehanteerde leeftijdsgrens en de inkomensgrens als middelen in relatie tot het beoogde doel de toets der geschiktheid en proportionaliteit konden doorstaan (CRvB 4 november 1998, AA8769 JB 1998/285, USZ 1998/319, RSV 1999/38, RAwb 1999/56 en AB 1999, 352).

Vrij werknemersverkeer
Ten aanzien van een werknemer die, in Duitsland arbeidsongeschikt geworden in 1988, een WAO-uitkering aanvroeg in Nederland ter zake van tussen 1968 en 1974 verrichte arbeid als wetenschappelijk medewerker en leraar, in welke periode hij verzekerd was bij het ABP, oordeelde het Hof in een arrest van 20 april 1999 (de zaak Nijhuis) dat de weigering van het Lisv om een WAO-uitkering toe te kennen niet in strijd was met het vrije werknemersverkeer en in overeenstemming met de toepasselijke verordening (EEG) nr. 1408/71 en de daarbij behorende Bijlage VI. Eerst vanaf 25 oktober 1998, de datum waarop ambtenaren onder de werking van de verordening zijn gebracht, hoefde een geprorateerde WAO-uitkering te worden toegekend (HvJ EG 20 april 1999, USZ 1999/156).

Controle in buitenland
In een arrest van 10 december 1998 (de zaak Voeten en Beckers) oordeelde het Hof dat artikel 51, eerste lid, van verordening (EEG) nr. 574/72 eraan in de weg staat dat in het geval van een voormalig grensarbeider die een AAW/WAO-uitkering ontvangt en die woont in de Belgische grensstreek, het Lisv de administratieve en medische controle verricht zonder een voorafgaande controle door het Belgische orgaan te hebben gevraagd. Dit is volgens het Hof alleen anders indien de rechthebbende daarvan op vrije en ondubbelzinnige wijze afstand heeft gedaan. Ook in geval het gaat om een eerste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid is medische keuring in Nederland volgens het Hof toegestaan (HvJ EG 10 december 1998, USZ 1999/21, RSV 1999/160, AB 2000, 66).

Huwelijk
Bij wijze van voorlopige voorziening nam de President in een geschil over de intrekking van een AWW-pensioen - vooralsnog - aan dat de betrokkene naar Egyptisch recht rechtsgeldig was gehuwd en dat sprake was van een authentieke huwelijksakte. Een dergelijk huwelijk wordt krachtens de Wet conflictenrecht huwelijk in Nederland erkend (President CRvB 22 september 1999, AA8478 USZ 1999/320).

Oordelend over de halvering van een AWW-pensioen volgens het Verdrag met Marokko stond de Raad voor de vraag of een adoulaire akte - een zogenaamde acte de confirmation de mariage - als bewijs kan dienen voor het bestaan van een huwelijk. Nu een dergelijke akte een gangbaar bewijsmiddel is in het Marokkaanse recht, die op de voet van artikel 5, derde lid, van de Mudawwanah ook tot bewijs van een huwelijk kan dienen, zag de Raad geen grond om het bestaan van een huwelijk in twijfel te trekken (CRvB 3 november 1999, AA4807 USZ 1999/340, RSV 2000/75).

Kinderen naar buitenlands recht
Zo boog de Raad zich bij de vraag of sprake is van "eigen kinderen" in de zin van artikel 7 van de AKW over een Spaanse adoptie (CRvB 14 januari 1998, AA8740 USZ 1998/57), een erkenning naar Senegalees recht (CRvB 7 april 1999, AA8802 USZ 1999/171 en RSV 1999/189) en een erkenning naar Ghanees recht (CRvB 28 juli 1999, AA8611 USZ 1999/256 en RSV 1999/274).

In een geding betreffende de aanspraak op kinderbijslag voor in Pakistan verblijvende kinderen, waar het met name ging om door de SVB verricht verificatieonderzoek van akten met betrekking tot het huwelijk van de aanvrager en de geboorte van de kinderen, welk onderzoek ter plaatse werd verricht door tussenkomst van de Nederlandse ambassade en door een zogenoemde vertrouwensadvocaat, oordeelde de Raad dat van een belanghebbende verlangd kan worden betrouwbare en valide documenten te verstrekken ter zake van het bestaan en afstamming van de kinderen voor wie hij aanspraak maakt op kinderbijslag. Uit het onderzoek ter plaatse was naar voren gekomen dat de documenten niet overeenstemden met de gegevens uit het centrale bevolkingsregister van Lahore. De Raad zag geen reden te twijfelen aan de resultaten van het onderzoek (CRvB 23 december 1998, AA8524 USZ 1999/57 en RSV 1999/89).

Rechtmatigheid EG-besluit formele rechtskracht
In het door het Hof van Justitie ontwikkelde stelsel van rechtsbescherming tegen gemeenschapshandelingen staat voorop dat de geldigheidsbeoordeling van een EG-besluit uitsluitend aan het Hof van Justitie toekomt (HR 10-09-1999, RvdW 1999, 122; vgl. Foto-Frost, HvJ EG 22-10-1987, Jur 1987, p. 4199).
Handelingen of besluiten die in een uit verscheidene fasen bestaande procedure tot stand komen zijn in beginsel slechts voor beroep tot nietigverklaring op de voet van art. 173 EG-verdrag (oud) vatbaar voor wat betreft maatregelen die aan het eind van de procedure het definitieve standpunt van het gemeenschapsorgaan vastleggen en bindende rechtsgevolgen in het leven roepen, dus niet voorlopige maatregelen ter voorbereiding daarvan (HvJ 11-11-1981, Jur 1981 p. 2639).
De nationale kort gedingrechter heeft een beperkte mogelijkheid tot het treffen van voorlopige voorzieningen indien bij hem ernstige twijfel bestaat over de verenigbaarheid van de op een gemeenschapshandeling berustende nationale bestuurshandeling met het gemeenschapsrecht (vgl. HvJ 21-02-1991 Jur 1991 p. I-415).
Hierbij moet worden voldaan aan dezelfde voorwaarden die gelden voor een kort geding voor het HvJ zelf.
De kort gedingrechter kan niet ingrijpen in het besluitvormingsproces dat aan de totstandkoming van een gemeenschapshandeling vooraf gaat.