Levenssfeer

Zie ook oproeping

Levenssfeer weegt zwaar
Uit de uitspraak 2002-02-13 CRvB AD9974 verschil levenssfeer bezwaar beroepsfase kan de conclusie worden getrokken dat werkgevers die er financiële en/of andere bezwaren tegen hebben om in de bezwaarprocedure een arts-gemachtigde in te schakelen, kunnen volstaan met het maken van bezwaar, om vervolgens, na ongegrondverklaring daarvan, beroep in te stellen, in welke fase zij zich niet (tevens) door een arts-gemachtigde, doch uitsluitend door een advocaat-gemachtigde kunnen laten bijstaan.De rechtbank verwijst in dit kader naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van waarin het handelde om de privacybelangen van de werknemer in een malusprocedure.
Uit CRvB 15-02-1995, JB 1995, 64 valt af te leiden dat veel gewicht komt aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de werknemer, waarvoor het kostenaspect van de weerkgever zonodig moet wijken (2002-10-30 Rb Zwolle AF1088).

Termijnoverschreiding van art. 6 EVRM niet ter beoordeling bestuursrechter
Naar vaste jurisprudentie kan bij de bestuursrechter worden opgekomen tegen een zogenaamd zelfstandig schadebesluit. Een vordering tot vergoeding van schade als gevolg van een overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 van het EVRM door de bestuursrechter dient bij de burgerlijke rechter te worden ingesteld. De Raad stelt zich op het standpunt dat hij in gevallen als daar aan de orde in beginsel niet treedt in een beoordeling van het mogelijk schadeplichtig handelen van de bestuursrechter in verband met een gestelde schending van het redelijke-termijnvereiste van artikel 6 van het EVRM (CRvB 24 december 1997, AA8804).

Bezwaartermijn van zes weken niet in strijd met gemeenschapsrecht
Mede gezien de mogelijkheid van het indienen van een pro forma bezwaarschrift, kan een bezwaartermijn van zes weken niet in strijd worden geacht met het effectiviteitsvereiste inzake de handhaving van aan het EG-recht te ontlenen aanspraken. Ook anderszins acht de Raad de lengte van de naar nationaal recht geldende bezwaartermijn op zich zelf niet in strijd met het gemeenschapsrecht (2002-12-23 CRvB AF3438 ).

Griffierecht
Het heffen van griffierechten is niet strijdig met het recht op toegang tot de rechter (EHRM 16 oktober 1995 NJCM Bulletin 1996, p. 965[108]).

Lacunes in administratieve rechtsbescherming geen strijd met levenssfeer
Gezien de aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter moet aangenomen worden dat lacunes in de administratieve rechtsbescherming niet leiden tot strijd met art. 6 EVRM (Voorz. ABRS 10-05-1988, AB 1989, 86; ABRS 26-07-1991, AB 1992, 266).

Kroonberoep in strijd met art. 6 lid 1 EVRM
Beslissingsbevoegdheid is inherent aan het in het Verdrag gebruikte begrip ,,rechterlijke instantie'' zelf. De Afdeling geschillen van bestuur RvS brengt slechts een advies uit. Hoewel in de grote meerderheid van de gevallen - zo ook i.c. - dit advies wordt gevolgd, is hier slechts sprake van een niet-bindende praktijk die door de Kroon op elk moment kan worden verlaten. De procedure voor de Afdeling levert mitsdien niet een door art. 6 eerste lid vereiste ,,vaststelling door een rechterlijke instantie'' op (par. 40).
De Kroon is geen ,,rechterlijke instantie'' (organen die gemeenschappelijke fundamentele trekken vertonen)' waarvan onafhankelijkheid en onpartijdigheid en de ,,waarborgen van een rechterlijke procedure'' de belangrijkste zijn. Het KB waarbij de Kroon als hoofd van de uitvoerende macht de beslissing gaf, hield een bestuurshandeling in die afkomstig was van een minister die daarvoor aan het parlement verantwoording verschuldigd was. Bovendien was de minister de hierarchische meerdere van de inspecteur voor de volksgezondheid, die het beroep had ingesteld, en van de Directeur-Generaal van het ministerie, die het technische rapport aan de Afdeling geschillen van bestuur RvS had gezonden. Tenslotte was het KB niet vatbaar voor beroep op een rechterlijke instantie zoals wordt vereist door art. 6 eerste lid. Schending van dit verdragsartikel (par. 43, 44 EHRM 23-10-1985 NJ 1986, 102).

Art. 7:4 AWB
Recht op inzien van stukken
Het beginsel van een eerlijk proces brengt met zich dat een belanghebbende of zijn gemachtigde het recht heeft om, voorafgaande aan het indienen van de gronden van het bezwaarschrift, desgevraagd de relevante stukken in te zien. Dit recht kan niet beperkt blijven tot het ter inzage leggen van de stukken gedurende ten minste een week voorafgaand aan het horen, zoals bepaald in art. 7:4, tweede lid, AWB.  (Rb. Amsterdam 8 augustus 1995 AWB-katern 1996, 19[80]).

Beperking kennisname gedingstukken
Beperking van kennisneming van gedingstukken kan gerechtvaardigd zijn uit een bescherming van de persoonlijke levenssfeer voor betrokkene. Dat is het geval als debetrokkene gevaar loopt. (vgl Besluit van de Minister van Buitenlandse zaken, houdende beleidsregels omtrent het verstrekken van informatie over verificatieonderzoeken in India en Pakistan, Stcrt. 2002, nr. 134 (2002-10-11 CRvB AF0897).

Bijstand, levenssfeer en bankafschriften
Een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer mag niet onevenredig zijn aan het met de verstrekking van de gegevens nagestreefde doel. Dit doel moet niet op een minder ingrijpende wijze kunnen worden bereikt.
Het dient als een recht van de bijstandstrekker beschouwd te worden om de uitgaven op de bank- en giroafschriften onleesbaar te maken. De keuze om de uitgaven onleesbaar te maken is aan de cliënt, tenzij de sociale dienst gegronde redenen heeft om de uitgaven in te zien, bijvoorbeeld bij een vermoeden van fraude (2001-07-31 CRvB AD3773 ).

Medische gegevens en gesloten deuren
In het kader van toetsing aan fundamentele rechten achtte de Raad termen aanwezig om zich ambtshalve uit te spreken over de vraag of het per 1 januari 1998 met de Wet Pemba van kracht geworden artikel 88h van de WAO zich verdraagt met de vereisten van een eerlijk proces zoals besloten liggend in artikel 6, eerste lid, van het EVRM en artikel 14, eerste lid, van het IVBPR. Artikel 88h van de WAO bepaalt dat in afwijking van artikel 8:62 van de Awb het onderzoek ter zitting, voor zover betrekking hebbend op medische gegevens, met gesloten deuren plaatsvindt. Gelet op de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens te Straatsburg achtte de Raad een categorische uitsluiting van openbare behandeling niet in overeenstemming met artikel 6, eerste lid, van het EVRM, zodat de Raad artikel 88h van de WAO aldus toepast dat de zitting in beginsel met gesloten deuren plaatsvindt maar dat ambtshalve of op verzoek van partijen de rechter kan beslissen dat de behandeling in het openbaar geschiedt (CRvB 25-02-1998, AA8748 ).

Art. 8:62 AWB
Medische gegevens
Indien de zitting onderzoek m.b.t. medische gegevens betreft kan niet categorisch vastgehouden worden aan categorische behandeling met gesloten deuren (CRvB 25febr. 1998 JB 1998, 61[109]).

Verschil levenssfeer bezwaar- t.o.v. beroepsfase
Een bestuursorgaan kan - anders dan de administratieve rechter - op grond van artikel 6 van het EVRM niet afwijken van de medische besluitenregeling en met name van artikel 88c van de WAO in het kader van de heroverweging in bezwaar van een eerder genomen besluit. door een werkgever tegen de wil van de werknemer zijn medische gegevens te verschaffen uit een oogpunt van het "equality of arms" beginsel.
De Raad heeft reeds eerder uitgesproken dat de medische besluitenregeling, met name artikel 88c van de WAO, in strijd is met de uit artikel 6, eerste lid, van het EVRM voortvloeiende elementaire eisen van een eerlijk proces, zodat aan die regeling in procedures voor de administratieve rechter geen onverkorte toepassing kan worden gegeven.
In de bezwaarschrift-procedure gelden minder vergaande waarborgen dan in de rechterlijke procedure, hetgeen tot gevolg kan hebben dat rechterlijke procedures aanhangig worden gemaakt om - voor zover mogelijk - kennis te verkrijgen van de aan dat besluit ten grondslag liggende medische gegevens en niet, althans niet in de eerste plaats, omdat men het inhoudelijk niet met het desbetreffende besluit eens is. De Raad acht het echter niet aan hem om dit uit een supranationaal verdrag voortvloeiende onderscheid op te heffen (2002-02-13 CRvB AD9974).

Levenssfeer equality of arms Art. 6 EVRM
De Raad is van oordeel de voor de rechtbank gevoerde procedure in strijd is te achten met de vereisten die voortvloeien uit art. 6 EVRM daar uit het proces-verbaal van de behandeling van de zaak ter zitting van de rechtbank blijkt dat het medisch aspect van het geding ter zitting aan de orde is gesteld, nadat de gemachtigde van appellante en de rechtshulpverlener van appellante de zaal hadden verlaten, terwijl de gemachtigde van gedaagde wel daarbij aanwezig was, alsmede de door appellante aangewezen arts-gemachtigde. Daaruit blijkt dat de rechtbank in de voor haar gevoerde procedure toepassing heeft gegeven aan de medische besluitenregeling van de WAO, waarmee is gegeven dat in eerste aanleg een schending heeft plaatsgehad van artikel 6 EVRM door schending van het "equality of arms" beginsel. Dit ongeacht dat het hier rechtspersonenbetreffen (2002-08-09 CRvB AE7138 ).

Taalgebruik en levenssfeer
Het recht op een eerlijk proces brengt met zich mee dat essentiële mededelingen in een voor de betrokkenen begrijpelijke taal zijn gesteld (HR 6 juni 1995 NJB-katern p. 453, nr. 108[105]).

Taal en verzuim
Als de belanghebbende anderstalig is moet op grond van art. 6 EVRM verschoonbaarheid worden aangenomen (HR 18 november 1994 FED 1996, 164[64]).

Discriminatie, verzekerde AAW
Cassatieberoep van uitspraak CRvB. Uitsluiting vrouw van grensarbeider van AAW. Discriminatieverbod art. 1 Gr.w; algemeen rechtsbeginsel. Toetsing Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen aan algemene rechtsbeginselen.
Geen rechtsregel staat eraan in de weg dat de rechter een, niet door de formele wetgever gegeven, algemeen verbindend voorschrift als de onderhavige bepaling van het besluit onverbindend kan achten op de grond dat sprake is van schending van algemene rechtsbeginselen, waaronder het gelijkheidsbeginsel. Dit beginsel, zoals dat met ingang van 17 febr. 1983 in art. 1 Gr.w is neergelegd, behoorde reeds geruime tijd voordien tot de ongeschreven beginselen van het Nederlandse recht en heeft in bedoeld grondwetsartikel slechts nader vorm gekregen ( 1993-12-01 HR NJ 1996, 230 ).

Discriminatie laat een beroep op termijnoverschrijding toe
Het arrest van Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 17 oktober 1995 inzake Kalanke (zaak C-450/93, onder meer gepubliceerd in JB 1995, 277, maar vooral Hof van Justitie van de Europeese Gemeenschappen van 22 april 1997 inzake Draehmpaehl (zaak C-180/95, Jur. 1997, p. I-02195) zou aanleiding ervoor geven dat schending van het discriminatieverbod voldoende is voor volledige aansprakelijkheid zonder dat de in het nationale recht voorziene rechtvaardigingsgronden worden erkend. Voor de sollicitant die de baan ook niet zou hebben gekregen wegens ongeschiktheid, zonder discriminatie, zou een bepaalde wettelijke maximumvergoeding redelijk kan zijn (in casu drie maanden salaris).
In beginsel dient uitgegaan te worden van de rechtmatigheid van het besluit tot afwijzing en de totstandkoming daarvan nu dat formele rechtskracht heeft gekregen (vgl CRvB 6 april 2000, JB 2000, 126. Zulks lijdt alleen dan uitzondering, wanneer gedaagde de onrechtmatigheid van het besluit zou hebben erkend dan wel wanneer sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden. Schending van gemeenschapsrecht door discriminatie vormt niet een zodanig bijzondere omstandigheid, dat op grond daarvan niet uitgegaan zou mogen worden van de rechtmatigheid van het besluit ( 2002-07-25 CRvB AF1900).

Onderscheid voor pensioen tussen gehuwde en ongehuwde
Ook ten aanzien van de in artikel F 7a van de ABPw neergelegde, gedifferentieerde, regeling van het franchisebedrag is een beroep gedaan op supranationaal recht. In CRvB 29 april 1999, AA8808, meende de betrokkene dat hij als ongehuwde ongelijk werd behandeld ten opzichte van een gehuwde. De Raad heeft overwogen dat naar vaste jurisprudentie een dergelijk ongelijk rechtsregime niet als een door artikel 26 van het IVBPR verboden onderscheid kan worden aangemerkt.

Toekenning voor voormalige echtgenoot en echtgenoot
CRvB 8 april 1999, AA8754 ,betrof een (toen nog door het ABP-fonds toegekend) nabestaandenpensioen ingevolge de AMPw. Dit pensioen viel in verband met een eerder huwelijk van de overleden militair en de omstandigheid dat de pensioengeldige tijd geheel gelegen was vóór het (tweede) huwelijk met de betrokkene, ten volle toe aan de eerste gewezen echtgenote, als bijzondere nabestaande, en werd niet aan de betrokkene betaald. Gesteld werd dat sprake was van strijd met artikel 119 van het EG-verdrag en artikel 26 van het IVBPR. De Raad deelde die opvatting niet, omdat de bepaling in geding geen onderscheid maakt naar geslacht. Van inbreuk op artikel 8, eerste lid, van het EVRM dan wel artikel 1, eerste lid van het daarbij behorende Eerste Protocol achtte de Raad evenmin gebleken.

Alleen discriminatie wanneer van een verschil blijkt
Over de in artikel 19, eerste lid, onder b, van de Wuv geregelde AOW-korting is in CRvB 5 maart 1998, AA8745 (JSV 1998/160), beslist dat deze korting gelijkelijk voor mannen en vrouwen geldt en dat niet is gebleken dat deze bepaling juist vrouwen treft. Van een verboden ongelijke behandeling van mannen en vrouwen achtte de Raad dan ook geen sprake.

[105] HR 6 juni 1995 NJB-katern p. 453, nr. 108
De in art. 6 EVRM gestelde eis van een eerlijke berechting brengt mee dat schriftelijke mededelingen van het CJIB, of de OvJ of de griffier van het kantongerecht, gericht aan de betrokkene van wie moet worden aangenomen dat hij de Nederlandse taal niet voldoende begrijpt en die betrekking hebben op de wettelijke vereisten waaraan moet zijn voldaan wil een door een betrokkene als vorenbedoeld op grond van de WAHV ingesteld beroep ontvankelijk zijn, moeten worden gedaan in een taal welke die betrokkene redelijkerwijs geacht kan worden te begrijpen (vgl. art. 2:6, 4:5 en 6:5  AWB) .
Rb. 's-Hertogenbosch 14 oktober 1994 JB 1994, 300
Aanvraag verblijfsvergunning; bestuursorgaan moet zorgdragen voor vertaling.

[64] HR 18 november 1994 FED 1996, 164
Vereiste taal die betrokkene redelijkerwijs geacht kan worde te begrijpen. Duitser. Termijnoverschrijding gepardonneerd wegens in Nederland taal gestelde, aan betrokkene verzonden, geschriften. Strijd art. 6 EVRM.

[108] EHRM 16 oktober 1995 NJCM Bulletin 1996, p. 965
Recht op toegang tot de rechter is niet absoluut en mag worden beperkt, zij het niet zodanig dat de essentie van dat recht wordt aangetast. Ook moet de beperking een redelijk doel dienen en niet buitenproportioneel zijn in relatie tot dat doel
EHRM 13 juli 1995, Serie A 323 Tolstoy Miloslavsky
Het heffen van griffierechten dient onmiskenbaar het doel van een goede organisatie van het rechtssysteem. In casu kostenmotief en ontmoedigen uitzichtloze procedures. Bedrag gering en kan worden afgetrokken, teruggevorderd.

[80] Rb. Amsterdam 8 augustus 1995 AWB-katern 1996, 19
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er in de hoofdstukken 6 en 7 AWB  geen aanknopingspunten te vinden voor een verplichting van verweerder om, desgevraagd, voorafgaande aan het indienen van de gronden van het bezwaarschrift afschriften van de relevante stukken toe te zenden. Wel brengt naar het oordeel van de Rb. het beginsel van een eerlijk proces met zich dat een belanghebbende of zijn gemachtigde het recht heeft om, voorafgaande aan het indienen van de gronden van het bezwaarschrift, desgevraagd de relevante stukken in te zien. Dit recht kan, gelet op het bovengemeld beginsel, niet beperkt blijven tot het ter inzage leggen van de stukken gedurende ten minste een week voorafgaand aan het horen, zoals bepaald in art. 7:4, tweede lid, AWB. (vgl. artt. 2:5, 3:11, 4:3, 8:29, 8:32 AWB).
CRvB 4 december 1997 JB 1998, 38
Op de tweede hoorzitting is eerst de directeur uitvoerig gehoord buiten aanwezigheid van appellant en zijn raadsman en daarna alsnog in hun bijzijn. (...) De Raad overweegt dat in de AWB, gelet op de bepalingen m.b.t. de wijze waarop de bezwarenprocedure moet worden gevoerd, niet is voorgeschreven dat getuigen dan wel informanten slechts in tegenwoordigheid van de betrokken ambtenaar en/of zijn raadsman worden gehoord. Indien echter uit dat horen daarbuiten feiten of omstandigheden bekend worden die voor het nemen van de beslissing op bezwaar van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dient die informatie zo spoedig mogelijk aan de betrokkene te worden medegedeeld, zodat diens reactie in de besluitvorming kan worden betrokken.
Rb. 's-Gravenhage 10 juni 1997 MB nr. 13, p. 66
Eisers hebben zich evenwel niet over dit memorandum [van BZ], dat niet aan hen is toegezonden en dat ook niet tot de processtukken behoort, kunnen uitlaten, zodat in casu niet voldaan is aan het beginsel van hoor en wederhoor.

[109] CRvB 25febr. 1998 JB 1998, 61
Art. 88h, eerste lid WAO, luidende als volgt: 1. In afwijking van art. 8:62 AWB vindt het onderzoek ter zitting, voorzover betrekking hebbend op medische gegevens, met gesloten deuren plaats. De Raad acht termen aanwezig om zich ambtshalve uit te spreken over de vraag of dit voorschrift zich verdraagt met de vereisten voor een eerlijk proces zoals onder meer besloten liggend in eenieder verbindende verdragsbepalingen als art. 6, eerste lid, EVRM en art. 14, eerste lid, IVBPR. (...) Evenwel moet de Raad ook vaststellen, gelet op de eerder genoemde rechtspraak (met name EHRM 26 september 1995, Series A, vol. 325: de omstandigheden van het geval dienen een inbreuk op de openbaarheid te rechtvaardigen) dat een categorische uitsluiting van openbare behandeling zich niet verdraagt met het voorschrift van art. 6, eerste lid, EVRM. Tegemoetkoming aan zowel de belangen die door deze verdragsbepaling zijn gewaarborgd als die welke de wetgever met art. 88h, eerste lid, WAO heeft willen beschermen, brengt mee dat de rechter dit laatste voorschrift aldus toepast dat de behandeling van het geding ter zitting, voorover betrekking hebbend op medische gegevens, met gesloten deuren plaatsvindt en dat hij, ambtshalve of op verzoek van één of meer partijen, kan beslissen dat die behandeling in het openbaar zal geschieden. De Raad acht het aangewezen dat partijen bij de uitnodiging als bedoeld in art. 8:56 AWB in deze zin worden ingelicht.