Onrechtmatigheid en toerekening

zie ook causaliteit, formele rechtskracht, schade, zorgvuldig bestuur

Rechtmatig dwangbesluit
Een bestuursdwangbesluit is afhankelijk gesteld van besluitvorming. Het besluit op bezwaar is vernietigd op formele gronden. Tot verdere besluitvorming is het niet gekomen. Het dwangbesluit moet dan als rechtmatig geoordeeld worden. (HR 13-10-2006 AW2087)

Vernietiging met instandhouding rechtsgevolgen maakt besluit toerekenbaar onrechtmatig
De Afdeling is, alhoewel zij van oordeel was dat in feite niet aan B&W kon worden tegengeworpen dat zij aan de hand van de geldende inzichten omtrent de emissie en depositie van ammoniak neergelegd in de richtlijn Ammoniak en Veehouderij 1991 hebben beslist - welk oordeel op zichzelf zou leiden tot instandhouding van de beschikking -, getreden in een onderzoek naar de wijze van totstandkoming van de beschikking. Zij heeft deze onzorgvuldig geoordeeld en op grond daarvan de beschikking, voorzover daarbij de vergunning was geweigerd, vernietigd, doch tevens bepaald dat de gevolgen van het deels vernietigde besluit in stand zouden blijven. Dit oordeel kan, mede gezien de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, niet anders worden verstaan dan als inhoudend dat B&W onzorgvuldig hebben gehandeld door niet tijdig op de aanvraag te beschikken. Uit de uitspraak van de Afdeling kan voorts niet anders worden afgeleid dan dat naar het oordeel van de Afdeling de door haar vastgestelde bijzondere omstandigheden meebrengen, dat aan het vermelde onrechtmatigheidsoordeel niet in de weg staat dat Slegers geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om op grond van art. 45 lid 2 Wabm beroep in te stellen. Nu de Afdeling aldus in de bedoelde uitspraak een oordeel heeft gegeven over de onrechtmatigheid van de totstandkomingsprocedure en tevens over de vraag of aan dat oordeel in de weg staat dat Slegers geen beroep heeft ingesteld op de voet van art. 45 lid 2 Wabm, brengt de taakverdeling tussen de burgerlijke en de bestuursrechter mee dat de rechter in de onderhavige procedure zich naar deze oordelen heeft te richten (HR 15-12-2000, NJ 2001, 318 Slegers / Gemeente Asten,zie ook CRvB 18-07-2002 AF1898)

Inlichtingen die een besluit behelzen kunnen mede vernietigd geacht worden
Nu de Afd. rechtspraak RvS bij uitspraak van 23 maart 1981 het besluit van de gemeenteraad waarbij deze - kort gezegd - heeft geweigerd de door Roozen aangevraagde bouwvergunning te verlenen, heeft vernietigd wegens strijd met het bepaalde in art. 2 lid 2 Woningwet, dient de burgerlijke rechter ervan uit te gaan dat de weigering strijdig was met een wettelijk voorschrift. Dat brengt mede dat de gemeente door die weigering en derhalve ook door evenbedoelde informatie te verschaffen een onrechtmatige daad heeft gepleegd (HR 30-01-1987, NJ 1988, 89 Blaricum/Roozen).

Voorbereiding ambtenaar advies verantwoordelijkheid bestuursorgaan
Overleg tussen de ambtenaar en de belanghebbende is vrijblijvend. Tijdens overleg gegeven adviezen die niet opzettelijk of roekeloos onjuist worden verstrekt leggen op de gemeente geen verantwoordelijkheid voor het opvolgen van de adviezen (Hof Amsterdam 28-6-1992 NJ 64, 228).

Vernietiging besluit impliceert ook onrechtmatigheid bij nemen van vele besluiten met kans op fout
De Bedrijfsvereniging moet worden gelijkgesteld met een overheidslichaam. Met de vernietiging van de door de Bedrijfsvereniging jegens Boulogne genomen beslissing staat het onrechtmatig handelen van de Bedrijfsvereniging vast.
Zelfs met inachtneming van de grootst mogelijke zorgvuldigheid valt in redelijkheid niet te vermijden dat bedrijfsverenigingen beslissingen nemen die in beroep worden vernietigd. Desondanks geldt bij hen ook dat bij vernietiging van een besluit de onrechtmatigheid daarvan aangenomen moet worden.
(HR 12-06-1992, NJ 1993, 113 Bedrijfsvereniging/Boulogne, vgl. HR 01-07-1993, NJ 1995, 150 Staat/NCB en HR 08-07-1993, NJ 1995, 73 Océ/Limburg voor de fiscus)

Vernietiging secundair besluit impliceert onrechtmatigheid primair besluit schadeperiode
In het primaire besluit van B en W tot weigering van de bouwvergunning ligt besloten dat de gemeente toen in staat was om door middel van het daartoe bevoegde orgaan op de aanvraag van Brink te beslissen en derhalve om de vergunning aan deze te verlenen. Dit tijdstip is dan ook beslissend voor de ingang van het tijdvak waarover door die weigering schade is ontstaan, tot vergoeding waarvan de gemeente jegens Brink gehouden is (HR 26-02-1988, NJ 1988, 489 IJsselmuiden/Brink).

Bouwvergunning eigen schuld onrechtmatige daad
Degene die bouwt voordat definitief vaststaat dat de bouwvergunning niet meer kan worden vernietigd handelt op eigen risico. Dat is slechts anders als van de zijde van de gemeente bij de vergunninghouder het gerechtvaardigd vertrouwen is opgewekt dat een ingesteld of nog in te stellen bezwaar of beroep niet tot vernietiging zal leiden.
Noot C. Visser: Het is te prefereren dat de gemeente bij de afgifte van de bouwvergunning erop wijst dat de vergunning ongedaan gemaakt kan worden bij bezwaar c.q. beroep. Onrechtmatigheid bij het nalaten dat mede te delen is niet aanwezig, dat is slechts het geval indien de gemeente het vertrouwen gewekt heeft dat de vergunning in stand zou blijven, formele rechtskracht zou verkrijgen (Schuttersduin HR 29-04-1994, NJ 1994, 396, RvdW 94, 107).

Onrechtmatige daad primair secundair besluit
In geval een gemeente een onrechtmatige daad pleegt door in strijd met de wet, zoals vastgesteld door de afdeling rechtspraak van de Raad van State, te weigeren een bouwvergunning te verlenen is daarmede de schuld van de gemeente in beginsel gegeven, zowel voor het primair als voor het secundair besluit. (Nibourg / Zuidwolde HR 30-1-1987 NJ 88, 90 RvdW 87, 42)

Art. 8:72 AWB
Vernietiging secundair besluit gevolg voor primair besluit

Vernietiging van het secundaire besluit laat het primaire besluit in stand (ABRS 21 oktober 1996 Gst. 7055, nr. 4).
Bij herroeping in bezwaar is primair besluit onrechtmatig (CRvB 24 februari 1998, AA8776).

Vernietiging impliceert geen onrechtmatige voorbereiding
Het oordeel van de bestuursrechter dat het op art. 26b van de Hinderwet gebaseerde intrekkingsbesluit moet worden vernietigd, behoeft niet te impliceren dat niet slechts het besluit zelf maar ook de in het kader van de voorbereidingsprocedure door het bestuursorgaan verrichte handelingen onrechtmatig zijn. De burgerlijke rechter zal derhalve de onrechtmatigheid en toerekenbaarheid van de door een bestuursorgaan in het kader van de voorbereidingsprocedure verrichte handelingen in beginsel zelfstandig dienen te beoordelen, waarbij hij, voorzover partijen daarop een beroep hebben gedaan, in het bijzonder aandacht zal dienen te besteden aan in de uitspraak van de bestuursrechter gegeven oordelen die van betekenis zijn voor de beoordeling van de onrechtmatigheid en de toerekenbaarheid van handelingen die deel uitmaken van de voorbereidingsprocedure. Kosten juridische bijstand voorbereidingsfase verhaalbaar mits door onrechtmatige daad veroorzaakte schade (1999-11-26 HR NJ 2000, 561 ).

Vernietiging secundair besluit bij primair besluit door ander bestuursorgaan.
In de vernietiging door de Kroon van het besluit van gedeputeerde staten tot goedkeuring van een besluit van de gemeenteraad tot wijziging van een bestemmingsplan, ligt naar de aard van die beslissing tevens een oordeel omtrent de rechtmatigheid van het besluit van de gemeenteraad jegens Caelen besloten (HR 19-01-1996, NJ 1997, 201, Eijsden/Caelen).

Intrekking door bestuursorgaan zelf belastingschade, rente en vertragingsschade
Bij intrekkking door het bestuursorgaan van het eigen beslissing behoort de burgerlijke rechter de onjuistheid van die beslissing tot uitgangspunt te nemen. Niet valt in te zien waarom het verlies van de formele rechtskracht van de ingetrokken beslissing slechts voor de toekomst, te rekenen vanaf de dag van de intrekking zou gelden, met name niet in een geval als zich hier voordoet, waarin die intrekking is geschied omdat de ingetrokken beslissing van de aanvang af onjuist was, zij het dat de Bedrijfsvereniging pas naderhand tot dat inzicht is gekomen Belastingschade door cumulatie van inkomen is naar de aard geen vertragingsschade als bedoeld in 6:119 BW.

Herroeping en onrechtmatigheid
Herroeping kan onrechtmatigheid van het herroepen besluit betekenen.
Wanneer een besluit van een bestuursorgaan grond van een daartegen gemaakt bezwaar door dat bestuursorgaan wordt herroepen en, voorzover nodig, wordt vervangen door een nieuw besluit, zal het van de redenen die daartoe hebben geleid, en de omstandigheden waaronder het primaire besluit tot stand is gekomen, afhangen of het nemen van het primaire besluit onrechtmatig moet worden geacht in de zin van art. 6:162 BW en, zo ja, of deze daad aan het betrokken overheidslichaam kan worden toegerekend. Indien, zoals in het onderhavige geval, het primaire besluit berust op een onjuiste uitleg van de wet en derhalve onrechtmatig is, moet dit onrechtmatig handelen in ieder geval aan het betrokken overheidslichaam worden toegerekend. In dat geval is immers sprake van een oorzaak welke - in de bewoordingen van art. 6:162 lid 3 BW - naar de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van dat lichaam komt. Laatstbedoelde opvattingen verzetten zich ertegen dat de overheid zich tegenover een burger met vrucht zou kunnen beroepen op dwaling dan wel onzekerheid omtrent de juiste uitleg van de wet; hierbij speelt niet alleen een rol dat de wettelijke regelingen niet van de burger afkomstig zijn, maar ook dat het redelijker is de schade die voor een individuele burger voortvloeit uit een besluit waarvan naderhand komt vast te staan dat het op een onjuiste wetsuitleg berust, voor rekening te brengen van de collectiviteit, dan om die schade voor rekening te laten van de burger jegens wie dat rechtens onjuiste besluit werd genomen (HR 20 febr. 1998 JB 1998, 72; vgl. HR 9 mei 1986 NJ 1987, 252).

Voorbereiding heroverweging
De bezwaarschriftenfase is met name gericht op een bestuurlijke heroverweging van het bestreden besluit en derhalve op herstel van gemaakte fouten (Rb Rotterdam 18-5-1995 NJ 1996, 636).

Herstel fout
Herstelling van fouten in bezwaar impliceert onrechtmatigheid van het primaire besluit (HR 20 febr. 1998, JB 1998, 72 en CRvB 24 febr. 1998, JB 1998, 83[89]).

Herstel en wederom weigering causaliteit
Een onjuist geweigerde vergunning opgevolgd door een juist geweigerde vergunning levert geen schade op. (RVT 7-3-1994 RVT I 94, 8)

Intrekking en gedeeltelijke herziening schorsing
De enkele omstandigheid dat de gemeente het besluit introk en een nieuw besluit nam waarin met eisers belangen rekening werd gehouden brengt niet mee dat het ingetrokken besluit onrechtmatig was. Een erkenning van de gemeente dat het besluit onrechtmatig was valt niet af te leiden. Ook de schorsing van het besluit door de voorzitter van de afdeling geschillen van de RvS zegt niets over de rechtmatigheid zolang niet in beroep vernietiging heeft plaatsgevonden. (Rb Den Haag 9-3-1994, Bouwrecht 94, 6, 522)

Herziening bestemmingsplan door GS deskundigenkosten konijnen
Onrechtmatig besluit vernietiging Kroon formele rechtskracht bestemmingsplan
Het ligt voor de hand om in gevallen waarbij het beroep een beperkt onderdeel betreft van een bestemmingsplan waarbij het redelijkerwijs gelijkgesteld kan worden met een individuele beschikking om aan te nemen dat de Kroon gehandeld heeft als administratieve rechter en het oordeel een rechtmatigheidsoordeel betreft waaraan de civiele rechter gebonden is nu dit oordeel formele rechtskracht heeft. De vernietiging van het besluit van Gedeputeerde Staten ligt naar de aard van die beslissing tevens een oordeel omtrent de onrechtmatigheid van het besluit der gemeente indien Gedeputeerde Staten in de besluitvorming geen latere feiten en omstandigheden in aanmerking heeft genomen. (HR 19-1-1996 RvdW 96, 39 )

Geen formele rechtskracht van niet toetsbaar algemeen verbindend voorschrift.
In het geval dat de formele rechtskracht van de beschikking waarbij de vergunning is verleend, zich mede uitstrekt tot het oordeel van de verlenende instantie dat het desbetreffende algemeen verbindend voorschrift verbindend is, kan niet worden aanvaard dat de burgerlijke rechter aan de formele rechtskracht van het oordeel van de overheid is gebonden indien de justitiabele geen mogelijkheid had de verbindendheid van het voorschrift aan de bestuursrechter voor te leggen (HR 11-10-1996, NJ 1997 Leenders/Ubbergen).

Onrechtmatige wetgeving
Het totstandbrengen van wetgeving kan, vooral bijj lagere overheden, onrechtmatig zijn (HR 19-11-1999, NJ 2000, 160, vgl. Bloembergen, onder HR 12-05-1999, NJ 2000, 170; Zie ook HR 14-04-2000, NJ 2000, 713 de rechter mag de wet in formele zin niet toetsen, vgl. HR 19-02-1993, NJ 1995, 704, zie ook HR 24-01-1969, NJ 1969, 316 strijdigheid met hogere wetgeving, HR 18-01-1991, NJ 1992, 638 en HR 03-04-1998, NJ 1998, 726 strijdigheid met ongeschreven regels, HR 07-10-1992, NJ 1994, 44 en HR 01-12-1993, NJ 1996, 230 strijdigheid met vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel).

Provincie wetgeving indeling gemeente formele rechtskracht
Is een wet eenmaal tot stand gebracht dan komt aan de rechter niet het oordeel toe dat onrechtmatig is gehandeld bij de voorbereiding van de wet terzake gegeven procedurevoorschriften. De rechter heeft het oordeel van de formele wetgever over de vraag of die voorschriften in acht genomen zijn te eerbiedigen. Daaraan doet niet af dat art. 112 GrW de bevoegdheid van de burgerlijke rechter voor een actie uit onrechtmatige daad gegeven is (Tegelen / Limburg HR 19-11-1999 RvdW 1999, 179).

Onrechtmatige rechtspraak
Rechtspraak is slechts dan onrechtmatig indien bij de voorbereiding van de beslissing zo fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet gesproken kan worden (HR 29-4-1994, RvdW 94. 104 ).

Uitzondering erkenning van onrechtmatigheid
Wanneer de burger en het overheidslicham het erover eens zijn dat de door het overheidslichaam genomen beschikking onrechtmatig was kan uitzondering op de leer van de formele rechtskarcht aanvaard worden. Voldoende is dat de burger zich op het standpunt stelt dat van onrechtmatigheid sprake is en hij uit de verklaringen en gedragingen van het overheidslichaam begrijpt en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mag begrijpen dat het overheidslichaam die onrechtmatigheid erkent, zodat op dit punt geen geschil bestaat, dat voor beslissing door een administratieve rechter in aanmerking komt. (HR 18-02-1993, NJ 1993, 642, erkenning mag niet snel worden aangenomen. HR 26-02-1988, NJ 1989, 528 HOT Air/Staat)

Onjuiste inlichtingen onafhankelijk van formele rechtskracht staat aan civiele actie niet in de weg
De formele rechtskracht van een beschikking staat niet in de weg aan een vordering waarbij, uitgaande van de rechtmatigheid van de beschikking, de Staat uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk wordt gesteld op grond van het vóór deze beschikking geven van onjuiste, althans onvolledige inlichtingen.
Het moet dan gaan om inlichtingen buiten het bestuurlijk (voor)traject vgl. HR 26-05-2000, NJ 2000, 472 CZG/Schreurs Het Hof heeft voorts terecht geoordeeld dat, bij gebreke van beroep tegen de afwijzing van 28 juli 1988, deze afwijzing formele rechtskracht heeft gekregen. Anders dan onderdeel 1.3 aanvoert, volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 30-01-1987 ,NJ 1988, 89
(Het geven van informatie in zeer stellige bewoordingen door B&W zo al niet uit te leggen als een op rechtsgevolg gerichte mededeling dient gelijk gesteld te worden met een besluit alsof een bouwvergunning was verleend.),
niet dat CZ nochtans aansprakelijk is op de grond dat CZ zich jegens Schreurs op een onjuist standpunt heeft gesteld en derhalve Schreurs onjuist over haar rechten heeft ingelicht. Het onderdeel ziet eraan voorbij dat het in de zaak waarover in voormeld arrest is geoordeeld, anders dan in het onderhavige geval ging om afzonderlijke, naast de vernietigde beschikking gegeven inlichtingen die in het licht van de uitspraak van de Afdeling rechtspraak onjuist waren (HR 29-04-1994, NJ 1995, 727, AA 1994, blz. 675 en HR 20-12-1996, NJ 1997, 278).

De "risico" aansprakelijkheid bij vernietiging van een besluit sluit toerekening eigen schuld niet uit
De houder van een bouwvergunning die reeds met bouwen begint vóórdat definitief is komen vast te staan dat de vergunning niet meer kan worden vernietigd op grondslag van een door een belanghebbende krachtens de wet tegen het verlenen van die vergunning ingesteld bezwaar of beroep, handelt op eigen risico en kan niet naderhand, wanneer een ingesteld bezwaar of beroep tot vernietiging van de vergunning heeft geleid, de gemeente uit onrechtmatige daad aanspreken (HR 15-06-1979, NJ 1980, 261 en HR 29-04-1994, NJ 1997, 396 ).

Eigen schuld voorlopige voorziening
De eiser diende onder de specifieke omstandigheden de voor haar openstaande mogelijkheid tot het aanhangig maken van een voorlopige voorzieningenprocedure aan te wenden teneinde te trachten de werking van het schadelijke besluit te neutraliseren. Daarbij wordt in acht genomen dat het bedrijf beschikt over gekwalificeerde rechtsbijstand (Rb Den Haag 4-12-1996 AWB katern 97, 15 idem CBB 26-2-1996 AB 96, 343 en CBB 20-3-1996 AB 96, 391)

Onzorgvuldigheid is onrechtmatig
Onbehoorlijk bestuur en misbruik van bevoegdheden, détournement de pouvoir, is onrechtmatig ( HR 27-03-1987, NJ 1987, 727 [24] HR 14-1-1949, NJ 1949, 557 [25]).

Nadeelscompensatie
Het nalaten compensatie aan te bieden als een lager belang voor een hoger moet wijken is onrechtmatig (HR 18-1-1991 NJ 92, 638 Staat / Leffers.[28])

Détournement de pouvoir is onrechtmatig
Wanneer een bestuurorgaan een haar verleende bevoegdheid gebruikt voor een ander doel dan waarvoor haar dit is gegeven handelt deze onrechtmatig (HR 14-1-1949, NJ 1949, 557 en HR 24-06- NJ 1949, 559 ).

Civiele bevoegdheid bij machtsmisbruik, discretionaire bevoegdheid
De burgerlijke rechter zal in het algemeen slechts mogen ingrijpen, indien het bestuursorgaan hetzij van zijn bevoegdheden een ander gebruik heeft gemaakt dan tot de doeleinden waartoe die bevoegdheid is gegeven, hetzij bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot zijn besluit heeft kunnen komen.
Een overheidsorgaan dat gebruik maakt van een in hoofdzaak discretionaire bevoegdheid, is bij de afweging van de daarbij in aanmerking komende belangen in beginsel vrij naar eigen inzicht de rangorde dier belangen te bepalen en overeenkomstig dat inzicht te beslissen (HR 04-01-1963, NJ 1964, 202 en 204).

Detournement de pouvoir
Inspecteur van de Volksgezondheid is niet bevoegd een maatregel te treffen die ten doel heeft langs indirecte weg (door middel van opwekking tot apothekersboycot) een arts te dwingen zich te gedragen overeenkomstig de ,,Methadonbrief''. Onrechtmatig handelen van de Inspecteur.
Bevoegdheid om als partij in een burgerlijk geding op te treden komt alleen toe aan een natuurlijk persoon en een rechtspersoon. De omstandigheid dat de Inspecteur in hoedanigheid ,,beleidsvrijheid'' toekomt rechtvaardigt geen uitzondering op dit beginsel (27-06-1986 HR NJ 1987, 898 ).Amsterdam/Ikon. Onbehoorlijk bestuur is onrechtmatig
Een overheidslichaam behoort bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden (erpacht) de algemene beginselen van behoorlijk bestuur - en derhalve ook het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel als een van die beginselen - in acht te nemen (HR 27-03-1987, NJ 1987, 727, zie voor afloop HR 22-03-t 1991, NJ 1994, 170; verder HR 08-07-1991, NJ 1991, 691 voorwaarden verkooop gemeentegrond; HR 24-04-1992, NJ 1993, 232, openbare aanbesteding).

Verbodsactie
De overheid kan een verbod worden opgelegd door de civiele rechter bij onrechtmatigheid ( HR 02-03-1951, NJ 1951, 217 en 01-06-1951, NJ 1951, 422).

Bevel
De civiele rechter kan de overheid een bevel geven bij onrechtmatigheid (HR 09-05-1958, NJ 1960, 475; HR 16-03-1984, NJ 1985, 109 en 110; HR 21-01-1983, NJ 1983, 252).

Relativiteit overtreding Vestigingswet Kleinbedrijf
De wet heeft mede de strekking degenen die bevoegdelijk een bedrijf uitoefenen te beschermen tegen het nadeel van concurrentie van hen aan wie het verboden is zich te vestigen (HR 30-10-1959, NJ 1961, 574 ).

Relatieve onrechtmatigheid hinder overheid aalscholvers Oostvaardersplassen
Ten noordoosten van Lelystad zijn sedert 1960 kweekvijvers voor binnenvis gelegen. In de jaren 0 werd besloten om de nabij gelegen Oostvaardersplassen - in afwijking op eerdere plannen - niet te ontginnen. Sedertdien hebben zich steeds meer broedende aalscholvers in de Oostvaardersplassen gevestigd. De Staat heeft zulks ook bevorderd. De aalscholvers jagen in ruime mate op de vis in de kweekvijvers. De viskweker houdt de Staat voor zijn schade aansprakelijk. De Hoge Raad overweegt onder andere het volgende: de beantwoording van de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, hangt af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer moet worden rekening gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid, mede gelet op de daaraan verbonden kosten, en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te nemen. De Staat is voor de schade aansprakelijk. Niet het in stand houden van de Oostvaardersplassen is op zichzelf tegenover de benadeelde onrechtmatig; wel is onrechtmatig dat de Staat de daaruit voor de viskweker voortvloeiende schade niet heeft vergoed.
Door bewust in te grijpen in een natuurproces heeft de Staat het risico van schade kunnen voorzien (HR 15-2-1991 RvdW 91, 57 NJ 92, 639).

Waterschap beheer middelen bestuurscompensatie beleid
De vraag hoever de verplichtingen van het Waterschap strekken hangt mede af van haar financiële middelen. Het Waterschap kan een zekere beleidsvrijheid niet worden ontzegd. (Haas de / Waterschap de Dommel HR 19-11-1999 RvdW 1999, 180 C, zie ook HR 9-10-1981, NJ 1982, 332 en HR 8-1-1999, NJ 1999, 319). Het niet verder voortzetten van de normalisering van de Dommel was ook mede daarom niet onrechtmatig omdat het Waterschap de eisers ter compensatie van onevenredige nadelen een uitkoopregeling heeft voorgesteld.

Algemeen belang niet beschermd door art.1401 BW
Het algemene belang dat voor elk overheidslichaam is betrokken bij de naleving van de door dat lichaam uitgevaardigde wettelijke voorschriften, behoort op zichzelf niet tot de belangen die art. 1401 BW beoogt te beschermen. (HR 09-11-1973, NJ 1974, 91 Limmen/Houtkoop.,contrair HR 29-03-1974, NJ 1974, 344 storing van woongenot en dreigende sloop van woningen),

Relativiteit van algemeen belang met onrechtmatigheid
Het inzetten van technische ambtenaren tot het treffen van maatregelen na een verkeersongeval is een belang van de staat dat door de normen in het verkeer bescherd wordt.
(HR 19-12-1975, NJ 1976, 280, Overtreding van de door een bestuursorgaan uitgevaardigde wettelijke voorschriften in het algmeen belang is ook schending van een norm dat het bestuursorgaan beschermt HR 26-09- 1980, NJ 1981, 90 en voor milieu HR 14-04-1989, NJ 1990, 712 Staat/Benckiser; zie ook HR 28-06-1985, NJ 1986, 356; vgl. HR 17-09-1982, NJ 1983, 278. Ten aanzien van derdenbelang bij milieuhinder zie HR 27-06-1986, NJ 1987, 743 en HR 18-12-1992, RvdW 1993, 18.

Onjuiste belastingaangifte geen onrechtmatige daad
Onrechtmatige daad belastingplichtige? Legaliteitsbeginsel. Onjuist is de opvatting dat de belastingplichtige die in het kader van belastingheffing aan de belastingdienst onjuiste opgaven doet jegens de Staat uit onrechtmatige daad aansprakelijk is indien deze onjuistheid is te wijten aan zijn schuld of aan een oorzaak die voor zijn rekening komt. Deze opvatting is niet verenigbaar met het in art. 104 Gr.w. tot uitdrukking gebrachte legaliteitsbeginsel (HR 08-05-1998 Onjuiste belastingaangifte geen onrechtmatige daad).

Hulppersoon overheid aannemer
De staat is niet aansprakelijk naar oud noch naar nieuw recht voor door haar ingeschakelde aannemers, tenzij de staat als bedrijf aan het rechtsverkeer deelneemt Art 6:171 BW Rb Den Haag 16-6-1993 VR 94, 153Idem Rb Den Haag 20-4-1994 VR 94, 154).

Gemeente orgaan wethouder vertegenwoordiging
De gedragingen van een wethouder kunnen een onrechtmatige daad van de gemeente opleveren wanneer zij in het maatschappelijk verkeer als gedragingen van de gemeente hebben te gelden.
(HR 06-04-1979 NJ 1980, 34; noot C. Visser. Uit het arrest blijkt dat zulks mag worden aangenomen als de gedragingen van de wethouder bestaan uit het doen van uitlatingen in de hoedanigheid van aan hem toevertrouwde aangelegenheden)
Zie ook Hof Den Bosch, 09-11-1992, NJ 1993:
Weliswaar betroffen de uitlatingen een onderwerp dat niet rechtstreeks behoorde tot de eigen portefeuille van de wethouder van economische zaken maar dat onderwerp vertoonde in het concrete geval daarmee zo'n nauwe samenhang dat de wederpartij die uitlatingen mocht beschouwen als namens de gemeente te zijn gedaan.

Risicoaansprakelijkheid dijk bezitter bedrijf 6:174 BW
Als bezitter is de gemeente aansprakelijk voor een gebrek aan de dijk. Het waterschap als beheerder kan mede aansprakelijk zijn wegens onvoldoende toezicht (Rb Den Haag 12-4-1995 VR 96, 48).

Justitie diefstal melding verzekeraar teruggevonden camper
De overheid is jegens de verzekeraar aansprakelijk door pas drie maanden na het bekend worden van het terugvinden van het voertuig de verzekeraar daarover in te lichten. De schade is het verschil in uitgekeerd bedrag en het bedrag dat de verzekeraar door verkoop ontvangen heeft en de meerkosten voor stalling.
(Sun Alliance / Staat Rechtbank Den Haag 23-12-1998, VR 1999, 99
Noot C. Visser. Het vonnis vermeldt niet of de verzekeraar zich als belanghebbende heeft aangemeld. Gesteld zou kunnen worden dat de verzekeraar geen belanghebbende was totdat uitgekeerd was. Daarna is er geen OD jegens de verzekeraar gepleegd omdat de schade al was ontstaan, eerder ontbrak de relativiteit van 6:163 BW).

Subsidie toezegging
De door het ministerie toegezegde subsidies die via de gemeente betaald worden doen een betalingsplicht zijdens de gemeente ontstaan en zo de gemeente niet uitbetaalt is deze uit onrechtmatige daad jegens de subsidieontvanger aansprakelijk (Hof Den Bosch 11-1-1994 NJ 95, 255).
Uitlating minister is recht
Uitlating minister behoorlijk bekendgemaakt, want neergelegd in Kamerstukken, binnen haar bevoegdheid vastgesteld, begunstigend beleid, geen avv `omdat hij niet krachtens enige wetgevende bevoegdheid is gegeven, maar op grond van het vertrouwensbeginsel het hoofd wel bindt en naar zijn inhoud en strekking zich ertoe leent jegens de betrokkenen als een rechtsregel te worden toegepast, zodat het hier gaat om een regel die als "recht" in de zin van art. 99 Wet RO moet worden aangemerkt.(HR 13 maart 1996 AB 1996, 211; vgl. Rb. Almelo 4 april 1995 NA 1995, 172: De rechtbank gaat er van uit dat de Rijkskeuringsvoorschriften beleidsregels zijn in vorenbedoelde zin, aangezien geen wettelijke bepaling valt te ontwaren waaraan verw. de bevoegdheid kan ontlenen dergelijke eisen vast te stellen; zie ook ABRS 4 juli 1994 AB 1994, 689; ABRS 12 sept. 1994 AB 1995 10: weigering accepteren conversie onverbindende avv's in beleidsregels; ABRS 9 jan. 1998 JB 1998, 35; anders ABRS 21 juni 1994 Gst. 7005, 6: regeling geldelijke steun gehandicapten 1989, in strijd met art. 132, zesde lid Gr.w., niet bij formele wet geregeld; beleidsregels).

Nevenrechten onrechtmatige daad cessie relativiteit belanghebbende
In geval van overgang van een vordering door levering, cessie of anderszins gaan de bij de vordering behorende nevenrechten van rechtswege over op de verkrijger van de vordering. Een vordering uit onrechtmatige daad is geen nevenrecht. De verkrijger is geen belanghebbende bij de WIR-premies. Dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens de belanghebbende impliceert geen onrechtmatigheid jegens de rechtverkrijgende (Art. 6:142 BW Heijmans / Staat HR 12-11-1999, RvdW 1999, 170 C; vgl t BW HR 12-11-1999, RvdW 1999, 170 C; noot C. Visser. In het algemeen verzekert de objectverzekeraar wettelijke rente niet. De verzekeraar treedt dus ook niet in de rechten van de verzekerde zelf ter zake wettelijke rente. In het huidig recht is dat evenwel niet meer van belang omdat de verzekeraar rente kan eisen vanaf het moment dat zijn overgedragen vordering opeisbaar is).

Feitelijk handelen
Onrechtmatige overheidsdaad
Algemeen
HR 25.1.1991 NJ 1991 nr. 321 (geschrokken paard); Staat, die brandweer-oefening houdt, niet aansprakelijk voor op hol slaan van paard dat schrikt van uitrollen brandslang.

HR 14.6.2002 NJ 2004 nr. 127 met noot Kleijn; gemeente die grond verkoopt met bouwplicht en schone grond verklaring, wetende dat die grond in percelen zal worden doorverkocht aan toekomstige bewoners, handelt jegens die 'toekomstige bewoners onrechtmatig wanneer grond in werkelijkheid verontreinigd is. Daarbij doet niet terzake of gemeente van verontreiniging op hoogte was of moest zijn.

Rechtbank Groningen 22.1.2003 NJ 2003 nr. 169; gemeente treedt onvoldoende op wanneer bewoner en zijn gezin worden belaagd door groep van 65 jongeren. Art. 6:106 lid 1 sub b BW verleent recht op naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, ook wanneer niet vaststaat dat slachtoffer psychische schade heeft geleden. Voldoende is in dit geval gevoel van grote onveiligheid en ernstig geschokte rechtsgevoel van burger die hulp en bescherming van overheid te lang moet
ontberen.

Rechtbank Arnhem 16.4.2003 NJ Kort 2003 nr. 52; door plaatselijke gladheid waarvoor door KNMI was gewaarschuwd, raken met een tijdsinterval van krap anderhalf uur twee auto's van weg. Bij gladheid dienen aard en omvang van risico te worden afgewogen tegen bezwaarlijkheid van nemen (preventieve) maatregelen en financiële positie wegbeheerder. Voor verwijt aan provincie als wegbeheerder dat gladheidsmeldsysteem (GMS) niet zodanig was afgesteld dat nog vóór intreden van gladheid preventieve strooiactie wordt gehouden, is ongegrond. Weggebruikers moeten er zelf rekening mee houden dat wegen niet steeds in perfecte staat verkeren. Evenmin is grond voor aansprakelijkheid van politie. Van politie kan niet worden verwacht dat zij bij elke op natuurlijke wijze veroorzaakte gladheid op wegdek in afwachting van strooidienst ter plaatse blijft en verkeer attendeert op die gladheid.

Rechtbank Utrecht 26.8.2003 NJ Feitenrechtspraak 2003 nr. 47 (kort geding); als gevolg van bouwwerkzaamheden aan belendend perceel verzakt woning en treedt ernstige scheurvorming op. Bouwer heeft aansprakelijkheid erkend. Eigenaren woning vorderen in kort geding voorschot van gemeente met stelling dat deze een bouwstop had moeten uitvaardigen. In zijn algemeenheid geldt dat enkele feit dat gemeente een bevoegdheid heeft, nog niet meebrengt dat het niet gebruiken daarvan in situatie waarin dat wet had gekund, aansprakelijkheid vestigt in geval schade optreedt. In onderhavige geval is gemeente evenwel in ernstige mate tekortgeschoten door geen bouwstop uit te vaardigen, terwijl eigenaren gemeente genoegzaam hadden gewaarschuwd, zowel vooraf als tijdens graafwerkzaamheden, en gemeente eveneens hadden verzocht op te treden tegen die werkzaamheden. Ondanks bezichtiging van schade heeft gemeente niet ingegrepen. Gemeente is derhalve naast bouwer hoofdelijk aansprakelijk voor schade eigenaren.

Gerechtshof 's-Gravenhage 11.9.2003 NJ Feitenrechtspraak 2004 nr. 76; het is onverenigbaar met gesloten stelsel van rechtsmiddelen om via weg van een op onrechtmatige daad gebaseerde vordering tegen de staat de juistheid van beslissing van kinderrechter tot onderwerp van nieuw geding te maken en door burgerlijke rechter te doen toetsen. Dit is slechts anders, indien bij voorbereiding van beslissing zo fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd, dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken en tegen die beslissing geen rechtsmiddelen hebben open gestaan.

Gerechtshof Leeuwarden 29.10.2003 NJ FeitenrecntspraaK cuu4 iii. , vorige eigenaar van perceel grond heeft dit laten verharden door wegenbouwbedrijf dat daarbij gebruik maakte van sintels/slakken, een restproduct van voormalige a fvalverbrandingsinstallatie van gemeente. Die sintels/slakken zijn vervolgens uitgeloogd, waardoor grond sterk is verontreinigd. Huidige eigenaar van perceel houdt gemeente daarvoor zonder succes aansprakelijk. Omdat verharden van terrein plaatsvond voordat speciale bepalingen met betrekking tot productenaansprakelijkheidsrecht in Nederlandse wetgeving werd opgenomen, moet vraag naar aansprakelijkheid van gemeente worden beoordeeld aan de hand van criteria voor onrechtmatige daad. Derhalve is voor aansprakelijkheid vereist dat gemeente "schuld" treft, zie HR 29.11.2002 NJ 2003 nr. 50. Daarvan is echter niet gebleken. Destijds was het verkopen van sintels/slakken als restproduct voor wegenbouwdoeleinden heel gebruikelijk.

Gerechtshof 's-Gravenhage 18.12.2003 NJ 2004 nr. 203, NJ
Feitenrechtspraak 2004 nr. 148; door scheuren in gemeenteriool is grondwater via dat riool weggestroomd. Daardoor is grondwaterpeil verlaagd, waarna houten funderingspalen onder woningen zijn gaan rotten. Gemeente niet aansprakelijk ex art. 6:174 BW. Aan rioleringen mag namelijk niet eis worden gesteld dat deze nimmer een drainerende werking - die tot verlaging van grondwaterpeil kan leiden - mag hebben. Evenmin is gemeente aansprakelijk uit onrechtmatige daad. Niet reeds enkele feit dat schade aan panden als gevolg van lekkages in rioleringen ontstaat, doet rioolbeheerder aansprakelijk zijn. Hoever onderhoudsplicht reikt, hangt af van aantal, aard en lengte van rioleringen, ter beschikking staande financiële en andere middelen, aantal panden met kenbaar kwetsbare funderingen en spreiding daarvan over gemeente. Gemeente heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij zorgvuldig beleid voerde met betrekking tot onderhouden en vervangen van
rioleringsstelsel. Waterschap
HR 9.10.1981 NJ 1982 nr. 332 met noot Brunner; regenwater kan niet afvloeien omdat sloot niet voldoende is geschoond, waardoor gewas van aardappelteler wordt aangetast. Hoe ver onderhoudsplicht Waterschap gaat hangt af van factoren, in bijzonder:
a) aantal, aard en lengte van waterwegen waarvan onderhoud ten laste van Waterschap komt;
b) aantal gronden binnen gebied van Waterschap, waarvan Waterschap weet of behoort te weten dat zij door hun lage ligging bijzonder kwetsbaar zijn voor wateroverlast;
c) de middelen - financiële en andere - die Waterschap voor nakomen van zijn verplichtingen ten dienste staan; en
d) in hoeverre de aan lage peil van grond verbonden bezwaren (mede) veroorzaakt zijn door eigenaar of gebruiker van die grond.
Waterschap heeft zekere mate van beleidsvrijheid ten aanzien van onderhoud.

HR 8.1.1999 NJ 1999 nr. 319 met noot Bloembergen; bollenteler lijdt schade wegens wortelgebreken als gevolg van te hoog grondwaterpeil. Als over te hoog grondwaterpeil klacht binnenkomt bij Waterschap, dient dat onderzoek in te stellen en eventueel maatregelen te treffen.
Zie Van Bodm, Waterschappen garanderen geen droge voeten, A8V 2000, p. 18 e.v.
HR 19.11.1999 NJ 2000 nr. 234 met noot Bloembergen; omvang verplichtingen uit waterbeheertaak kan beperkt zijn door omvang van ter beschikking staande financiële middelen. Zekere mate van beleidsvrijheid Waterschap.
HR 21.4.2000 NJ 2000 nr. 564 met noot Bloembergen; overheidslichaam zoals Waterschap dat ingrijpende werkzaamheden laat verrichten, moet maatregelen treffen om schade aan zaken van derden te voorkomen.

HR 9.11.2001 NJ 2002 nr. 446 met noot Brunner; plantenteler houdt Waterschap aansprakelijk voor verlies van oogsten als gevolg van wateroverlast. Waterschap is verantwoordelijk voor grondwaterpeil en mag niet geacht worden aan zijn verplichtingen te hebben voldaan als het zich heeft gehouden aan grondwaterpeil zoals vastgesteld in Peilbesluit. Waterschap behoeft niet steeds uit eigen beweging te onderzoeken of een land last heeft van te hoge of te lage waterstand. Aanhouden van peil boven vastgelegde zomerpeil en

onderhoudstoestand van watergangen waren niet van die naard dat het waterschap verplicht was preventief maatregelen te nemen.
Hof heeft zijn oordeel dat Waterschap niet aansprakelijk is echter onvoldoende gemotiveerd door geen aandacht te besteden aan stelling teler dat Waterschap niet adequaat heeft gereageerd op klachten. Hoewel Waterschap zekere mate van beleidsvrijheid toekomt (vgl. onder andere HR 8.1.1999 NJ 199 nr. 319 met noot Bloembergen), gaat die vrijheid niet zo ver dat optreden Waterschap
slechts marginaal mag worden getoetst.

Tramcontroleur die is aangereden door collega is weliswaar als ambtenaar in dienst bij gemeente bedrijfsongeval overkomen voor wie een met voldoende waarborgen omgeven
ambtenaarrechtelijke procedure bestaat, maar slachtoffer is toch ontvankelijk bij burgerlijke rechter in zijn tegen gemeente en collega gerichte vordering uit onrechtmatige daad. ( Gerechtshof 's-Gravenhage 15.5.2000 VR 2002 nr. 15)

HR 30.3.2001 NJ 2003 nr. 615 met noot Scheltema, VR 2002 nr. 12; bij huiszoeking wordt schade toegebracht aan eigendommen van niet-verdachte derde. Ook als huiszoeking op zichzelf rechtmatig is, kan het daarbij toebrengen van schade onrechtmatig zijn.
Bespreking door Van Ravels in AV&S 2001, p. 154 e.v.: Hoge Raad wil niet meer weten van constructie dat overheid onrechtmatig handelt door bij rechtmatig handelen toegebrachte schade niet te vergoeden. Als schade die is toegebracht bij op zichzelf rechtmatige overheidsdaad voortvloeit uit appellabel besluit, moet benadeelde zuiver schadebesluit uitlokken.


Relatieve onrechtmatigheid
Politie raakt een passant bij schieten op overvaller. Politie handelde niet onrechtmatig tegenover slachtoffer door hem te raken. Wel onrechtmatig is weigering politie om schade (Rechtbank Assen 13.2.2001 NJ Kort 2001 nr. 22)

Zie evenwel bespreking van HR 30.3.2001 NJ 2003 nr. 615 met noot Scheltema, VR 2002 nr. 12 door Van Ravels in AV&S 2001, p. 154 e.v.: Hoge Raad wil niet meer weten van constructie dat overheid onrechtmatig handelt door bij rechtmatig handelen toegebrachte schade niet te vergoeden. Als schade die is toegebracht bij op zichzelf rechtmatige overheidsdaad voortvloeit uit appellabel besluit, moet benadeelde zuiver schadebesluit uitlokken.

Huiszoeking
bij huiszoeking door justitie in huis van ander dan verdachte wordt schade toegebracht. Deze schade komt geheel voor risico van die derde wanneer deze op enigerlei wijze bij strafbare feit waarop huiszoeking betrekking heeft, is betrokken. Voor gedeeltelijke toerekening aan die ander is aanleiding wanneer die ander in zodanige verhouding tot verdachte staat dat hij zich van willekeurige andere derden onderscheidt, bijvoorbeeld door samenwoning op grond van familie en/of affectieve relatie. (Gerechtshof 's-Gravenhage 28.11.2002 NJ Kort 2003 nr.19)

Achtervolging motoragent
motoragent zet achtervolging in om 19-jarige bromfietser die te hard rijdt, geen helm draagt en ook andere verkeersregels overtreedt, aan te houden. Op enig moment rijdt politieagent links van bromfietser. Bromfietser wijkt vervolgens naar links uit, waarbij hij in aanraking met politieagent komt, valt en ernstig hersenletsel oploopt. Agent heeft niet onrechtmatig gehandeld en politie is derhalve niet aansprakelijk. Dat bromfietser geen helm droeg, behoefde politieagent niet van achtervolging te weerhouden. Ook als - politieagent bromfietser kende, was achtervolging gerechtvaardigd gezien verkeersgevaarlijke gedrag van bromfietser. (Rechtbank Dordrecht 12.11.2003 NJ Feitenrechtspraak 2004 nr. 102)

[89] HR 20 febr. 1998, JB 1998, 72 en CRvB 24 febr. 1998, JB 1998, 83
herstel in bezwaar doet niet af aan aansprakelijkheid voor onrechtmatige, primaire beslissing.

[24] HR 27-03-1987, NJ 1987, 727 Amsterdam/Ikon. Onbehoorlijk bestuur is onrechtmatig
Een overheidslichaam behoort bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden (erfpacht) de algemene beginselen van behoorlijk bestuur - en derhalve ook het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel als een van die beginselen - in acht te nemen (afloop HR 22-03-1991, NJ 1994, 170; zie ook HR 08-07-1991, NJ 1991, 691 voorwaarden verkoop gemeentegrond en HR 24-04-1992, NJ 1993, 232, openbare aanbesteding).

[25] HR 14-1-1949, NJ 1949, 557 en HR 24-06- NJ 1949, 559 Détournement de pouvoir is onrechtmatig
Wanneer een bestuurorgaan een haar verleende bevoegdheid gebruikt voor een ander doel dan waarvoor haar dit is gegeven handelt deze onrechtmatig.
HR 04-01-1963, NJ 1964, 202 en 204
Civiele bevoegdheid bij machtsmisbruik
, discretionaire bevoegdheid
De burgerlijke rechter zal in het algemeen slechts mogen ingrijpen, indien het bestuursorgaan hetzij van zijn bevoegdheden een ander gebruik heeft gemaakt dan tot de doeleinden waartoe die bevoegdheid is gegeven, hetzij bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot zijn besluit heeft kunnen komen.
Een overheidsorgaan dat gebruik maakt van een in hoofdzaak discretionaire bevoegdheid, is bij de afweging van de daarbij in aanmerking komende belangen in beginsel vrij naar eigen inzicht de rangorde dier belangen te bepalen en overeenkomstig dat inzicht te beslissen.
HR 27-06-1986 NJ 1987, 898 Detournement de pouvoir
Inspecteur van de Volksgezondheid is niet bevoegd een maatregel te treffen die ten doel heeft langs indirecte weg (door middel van opwekking tot apothekersboycot) een arts te dwingen zich te gedragen overeenkomstig de ,,Methadonbrief''. Onrechtmatig handelen van de Inspecteur.
Bevoegdheid om als partij in een burgerlijk geding op te treden komt alleen toe aan een natuurlijk persoon en een rechtspersoon. De omstandigheid dat de Inspecteur in hoedanigheid ,,beleidsvrijheid'' toekomt rechtvaardigt geen uitzondering op dit beginsel.
HR 3-4-1998 RvdW 1998 83C
De bevoegdheden uit de wet op de ruimtelijke ordening strekken alleen tot de planologische belangen der gemeente. Het gebruik daarvan voor een door haar gewenste woonruimteverdeling door medewerking aan herziening van het bestemmingsplan afhankelijk te stellen van een contractuele aanvaarding van voorwaarden betreffende verkoop en verhuur aan ingezetenen betreft détournement de pouvoir, waardoor de gehele overeenkomst nietig is.

[28] HR 18-1-1991 NJ 92, 638 Staat / Leffers.
Het uitvaardigen en uitvoeren van een regeling m.b.t. veevoeder behoort gezien het maatschappelijk belang door de varkensfokkers te worden geduld. Indien de bescherming van een grote groep een kleine groep onevenredig benadeelt is het onrechtmatig indien de staat geen regeling treft die het het getroffen bedrijf / bedrijven mogelijk maakt het bedrijf aan te passen of niet tegemoet komt aan de economische belangen van die bedrijven waar het niet de normale bedrijfsrisico's betreft die voor rekening van de ondernemer behoren te blijven.
HR 3-4-1998, RvdW 1998, 82 c
De onrechtmatigheid als bij Staat / Leffers geldt ook ten opzichte van ondernemers die niet geheel op vervoedering van swill hun bedrijf hadden ingericht. Er mag geen rekening gehouden worden met individuele omstandigheden omdat zulks zou leiden tot alleen op draagkrachtverschil berustend onderscheid tussen ondernemers die in gelijke mate getroffen worden door het swill verbod. De onrechtmatigheid is niet gelegen in het uitvaardigen en uitvoeren van het verbod maar daarvan in combinatie met het achterwege laten van bestuurscompensatie.