1997-10-24 HR NJ 1998, 491 rente en opeisbaarheid


HR 24-10-1997 NJ 1998, 491
119 BW

Onrechtmatige daad bedrijfsvereniging bestaande in onjuist, door bestuursrechter vernietigd besluit tot terugvordering van AAW/WAO-uitkering. Vordering wettelijke rente over het bedrag van de verschuldigde schadevergoeding. Onmiddellijke opeisbaarheid van de vordering tot vergoeding van - uit haar aard terstond geleden - schade. Wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag waartegen is aangemaand, in casu 15 jan. 1990. Opeisbaarheid van het recht op uitkering irrelevant.

NJ 1998/491 (RVDW 1997/205 c )
HOGE RAAD


24 oktober 1997, nr. 16350

(Mrs. Roelvink, Korthals Altes, Neleman, Heemskerk, Jansen; A-G De Vries Lentsch-Kostense; m.nt. JBMV)

RvdW 1997, 206


BW art. 6:81, 82, 83, 85, 119, 162

[Essentie]

Onrechtmatige daad bedrijfsvereniging bestaande in onjuist, door bestuursrechter vernietigd besluit tot terugvordering van AAW/WAO-uitkering. Vordering wettelijke rente over het bedrag van de verschuldigde schadevergoeding. Onmiddellijke opeisbaarheid van de vordering tot vergoeding van - uit haar aard terstond geleden - schade. Wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag waartegen is aangemaand, in casu 15 jan. 1990. Opeisbaarheid van het recht op uitkering irrelevant.


Van de AAW/WAO-uitkering van betrokkene wordt door de bedrijfsvereniging een bedrag van totaal f 16 265,61 teruggevorderd. Ingevolge de vernietiging van het terugvorderingsbesluit door de RvB en de bevestiging daarvan door de CRvB wordt op 5 aug. 1993 voormeld bedrag terugbetaald. Is de bedrijfsvereniging wettelijke rente over dat bedrag verschuldigd vanaf de dag waartegen is aangemaand, in casu 15 jan. 1990?

Het hof heeft geoordeeld dat weliswaar het besluit tot terugvordering van de bedrijfsvereniging onrechtmatig was op grond van de uitspraak van de CRvB maar dat voordien de door betrokkene gevorderde hoofdsom bij gebreke van toekenningsbeslissing (nog) niet opeisbaar was zodat de bedrijfsvereniging niet in verzuim kon zijn met de terugbetaling. Aldus oordelend heeft het hof eraan voorbijgezien dat de deswege te vergoeden schade, die hierin bestaat dat betrokkene gedurende de periode vanaf de terugvordering resp. de verrekening tot de betaling door de bedrijfsvereniging op 5 aug. 1993 ten onrechte niet de beschikking heeft gehad over meergenoemd bedrag, uit haar aard terstond is geleden en dat de vordering tot vergoeding daarvan dan ook onmiddellijk opeisbaar was. Nu de bedrijfsvereniging in de nakoming van deze verbintenis tot schadevergoeding is tekortgeschoten, is zij de wettelijke rente over het bedrag van die schadevergoeding verschuldigd, berekend vanaf de dag waartegen tot betaling is aangemaand - 15 jan. 1990 - totdat zij vorenbedoelde schade heeft vergoed. Uit het vorenoverwogene volgt dat tevergeefs door de bedrijfsvereniging is betoogd dat het niet gaat om de opeisbaarheid van de vordering tot schadevergoeding maar om de opeisbaarheid van het recht op uitkering.


[Tekst]


Wilhelmina Maria Rothengatter, in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van de minderjarigen (...), zijnde de erfgenamen van Friederik van der Laan, te Deventer, eiseres tot cassatie, adv. mr. M.H. van der Woude,

tegen

De Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid, te Amsterdam, verweerster in cassatie, adv. mr. R.A.A. Duk.

Hof:

5. Beoordeling van het geschil

5.1 Ingevolge de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 21 april 1993 staat vast dat het door appellante op 27 september 1989 schriftelijk aan Van der Laan kenbaar gemaakte besluit tot terugvordering (dan wel verrekening) van eerder aan Van der Laan verstrekte uitkeringen onjuist - onrechtmatig - was. De som van die uitkeringen bedraagt naar thans in confesso is f 16 265,61 (hierna als de hoofdsom aan te duiden). Van der Laan heeft appellante op 5 januari 1990 gesommeerd tot (terug)betaling van de hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente, uiterlijk te betalen op 15 januari 1990. Na de uitspraak van de CRvB op 21 april 1993, heeft Van der Laan appellante bij brief van 7 juni 1993 om betaling gevraagd van de hoofdsom en de wettelijke rente daarover, vanaf 15 januari 1990 tot 21 juni 1993, begroot op f 7260,93. Appellante heeft de hoofdsom op 5 augustus 1993 betaald; zij weigert echter de wettelijke rente te voldoen.

5.2 De voor een gezamenlijke bespreking in aanmerking komende grieven betreffen de vraag of appellante evenbedoelde wettelijke rente verschuldigd is.

Weliswaar staat vast dat het op 27 september 1989 gedateerde terugvorderingsbesluit van appellante ingevolge de uitspraak van de CRvB van 21 april 1993 onrechtmatig is, maar voordien was de door Van der Laan gevorderde hoofdsom bij gebreke van een toekenningsbeslissing (nog) niet opeisbaar, zodat appellante evenmin in verzuim kon zijn met de (terug)betaling van het bedrag. Dat brengt mee dat zij over de periode van 15 januari 1990 tot 21 april 1993 evenmin wettelijke rente verschuldigd was. Eerst na de uitspraak van de CRvB was appellante gehouden binnen een redelijke termijn - in redelijkheid op 13 weken (vergelijk art. 8 lid 4 van het Besluit Beslistermijnen Sociale Verzekeringen juncto art. 34 Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)) te stellen - opnieuw een toekenningsbeslissing te nemen. Nu de hoofdsom door appellante is voldaan op 5 augustus 1993 en door geïntimeerde wettelijke rente tot 21 juni 1993 is gevorderd, is de slotsom dat de vordering van geïntimeerde tot betaling van de wettelijke rente moet worden afgewezen.

5.3 Denkbaar is wel dat Van der Laan ten gevolge van de onjuiste beslissing van appellante vermogensschade heeft geleden, mogelijk bestaande uit een verlies van - compensatoire - interessen. Een dergelijke schade is in dit geding echter niet gevorderd en blijft hier dan ook buiten bespreking. De slotsom is dat, nu geen van de aangevoerde grieven gegrond is, het bestreden vonnis moet worden vernietigd, de vordering van geïntimeerde alsnog moet worden afgewezen en geïntimeerde als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in beide instanties moet worden veroordeeld.

(enz.)

Cassatiemiddel:

Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich brengt doordat het Hof heeft overwogen zoals in rov. 5.2 van het bestreden arrest is geschied en op grond daarvan heeft recht gedaan, ten onrechte, zulks om de navolgende, zonodig in onderling verband en samenhang te beschouwen, redenen.

's Hofs beslissing dat de Bedrijfsvereniging aan Van der Laan geen wettelijke rente over de periode vanaf 15 januari 1990 tot aan de datum van voldoening van de hoofdsom is verschuldigd geworden, is rechtens onjuist.

1) Het Hof heeft miskend dat waar het terugvorderingsbesluit d.d. 27 september 1989 van meet af aan onrechtmatig is geweest (indien het Hof heeft geoordeeld dat dit besluit eerst onrechtmatig is geworden tengevolge van de uitspraak van de CRvB waarin deze het besluit heeft vernietigd is dat oordeel op zich eveneens rechtens onjuist en wordt daarover in cassatie geklaagd) en dat de Bedrijfsvereniging uit hoofde van deze onrechtmatige daad gehouden was de dientengevolge door Van der Laan geleden schade ter hoogte van de door hem destijds gederfde uitkeringsbedragen, te vergoeden.

Van der Laan heeft de Bedrijfsvereniging bij brief d.d. 5 januari 1990 gesommeerd tot betaling van een dienovereenkomstige hoofdsom en haar de wettelijke rente vanaf 15 januari 1990 aangezegd. Van der Laan heeft derhalve recht verkregen op deze rente vanaf laatstgenoemde datum tot aan 5 augustus 1993, zijnde de dag waarop de Bedrijfsvereniging de hoofdsom heeft betaald.

2) Althans is het door een bedrijfsvereniging nemen van een later door de bestuursrechter vernietigd terugvorderingsbesluit resp. haar verzuim om de gevolgen van dit besluit ongedaan te maken door het nemen van een (nieuw) toekenningsbesluit (waardoor de uitkeringsgerechtigde wederom jegens haar een opeisbare vordering tot betaling van de bewuste uitkeringsgelden verkrijgt) zozeer vergelijkbaar met het geval van vertraging in de voldoening van een geldsom als waarop art. 1286 (oud) BW resp. art. 6:119 lid 1 BW ziet, dat de uitkeringsgerechtigde aan wie tengevolge van een en ander de hem toekomende uitkeringsgelden worden onthouden ingevolge analogische toepassing van voormelde wetsartikelen recht heeft op wettelijke rente over de hem in materiële zin te laat (terug)betaalde uitkeringsgelden.

Hoge Raad:

1. Het geding in feitelijke instanties

Friederik van der Laan - verder te noemen: Van der Laan - heeft bij exploit van 28 juni 1995 verweerster in cassatie - verder te noemen: de Bedrijfsvereniging - in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd de Bedrijfsvereniging te veroordelen om aan Van der Laan te betalen een bedrag van f 7260,93 met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 juni 1993.

De Bedrijfsvereniging heeft de vordering bestreden.

De President heeft bij vonnis van 13 juli 1995 de vordering toegewezen.

Tegen dit vonnis heeft de Bedrijfsvereniging hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.

Door het overlijden van Van der Laan op 21 augustus 1995 heeft eiseres tot cassatie - verder te noemen: Rothengatter - in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van de minderjarigen (...), zijnde de erfgenamen Van der Laan, de procedure overgenomen.

Bij arrest van 4 april 1996 heeft het Hof het bestreden vonnis vernietigd en de vordering van Rothengatter alsnog afgewezen.

(...)

2. Het geding in cassatie

(...)

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Bij brief van 27 september 1989 heeft de Bedrijfsvereniging Van der Laan in kennis gesteld van een beslissing met - voor zover hier relevant - de volgende inhoud:

"(...) In verband hiermee heeft u over de periode van 1 januari 1986 tot en met 30 juni 1986 een bedrag van f 16 265,61 (netto) aan ten onrechte verstrekte uitkeringen ontvangen. Derhalve wordt thans besloten bovenstaand bedrag van u terug te vorderen of in mindering te brengen op een later te betalen uitkering (...)."

(ii) Bij brief van 5 januari 1990 heeft Van der Laan over het bedrag van f 16 265,61 de Bedrijfsvereniging de wettelijke rente aangezegd tegen 15 januari 1990.

(iii) De Raad van Beroep te Zwolle heeft bij uitspraak van 10 december 1990 het namens Van der Laan tegen voornoemde beslissing ingestelde beroep gegrond verklaard en die beslissing vernietigd.

(iv) Bij beslissing van 21 april 1993 heeft de Centrale Raad van Beroep de door de Bedrijfsvereniging aangevallen uitspraak van de Raad van Beroep te Zwolle in hoger beroep bevestigd.

(v) Op 5 augustus 1993 heeft de Bedrijfsvereniging de oorspronkelijke hoofdsom van f 16 265,61 aan Van der Laan voldaan en op 20 januari 1995 de proceskosten.

3.2 In het onderhavige geding heeft Van der Laan in kort geding gevorderd de Bedrijfsvereniging te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over het bedrag van f 16 265,61 vanaf 15 januari 1990 tot 21 juni 1993. De President heeft de vordering toegewezen, maar het Hof heeft haar afgewezen. Hiertegen richt zich het middel.

3.3 Het Hof heeft de afwijzing van de vordering doen steunen op de volgende gedachtengang. Weliswaar staat vast dat het besluit van de Bedrijfsvereniging tot terugvordering van het bedrag van f 16 265,61 onrechtmatig was op grond van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 april 1993, maar voordien was de door Van der Laan gevorderde hoofdsom bij gebreke van een toekenningsbeslissing (nog) niet opeisbaar, zodat de Bedrijfsvereniging niet in verzuim kon zijn met de (terug)betaling van voormeld bedrag. Dit brengt mee dat zij over de periode van 15 januari 1990 tot 21 april 1993 ook geen wettelijke rente verschuldigd was.

Aldus overwegende heeft het Hof, dat met juistheid ervan is uitgegaan dat het besluit van de Bedrijfsvereniging tot terugvordering een onrechtmatige daad oplevert, klaarblijkelijk eraan voorbijgezien dat de deswege te vergoeden schade, die hierin bestaat dat Van der Laan gedurende de periode vanaf de terugvordering resp. de verrekening tot de betaling door de Bedrijfsvereniging op 5 augustus 1993 ten onrechte niet de beschikking heeft gehad over meergenoemd bedrag, uit haar aard terstond is geleden en dat de vordering tot vergoeding daarvan dan ook onmiddellijk opeisbaar was. Nu de Bedrijfsvereniging in de nakoming van deze verbintenis tot schadevergoeding is tekortgeschoten, is zij de wettelijke rente over het bedrag van die schadevergoeding verschuldigd, berekend vanaf de dag waartegen tot betaling is aangemaand - 15 januari 1990 - totdat zij vorenbedoelde schade heeft vergoed.

Onderdeel 1, dat hierover klaagt, treft derhalve doel, zodat het subsidiair voorgestelde onderdeel 2 geen behandeling behoeft.

3.4 De gegrondbevinding van onderdeel 1 van het middel brengt mee dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven.

Nu uit hetgeen hiervoor onder 3.3 is overwogen volgt dat de tegen het vonnis van de President gerichte grieven - die, kort samengevat, strekken ten betoge dat de President het standpunt van de Bedrijfsvereniging dat het niet gaat om de opeisbaarheid van de vordering tot schadevergoeding maar om de opeisbaarheid van het recht op uitkering, ten onrechte heeft verworpen - tevergeefs zijn voorgesteld, moet het vonnis van de President worden bekrachtigd.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 4 april 1996;

bekrachtigt het vonnis van de President van de Rechtbank te Amsterdam van 13 juli 1995;

veroordeelt de Bedrijfsvereniging in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op de uitspraak van het Hof aan de zijde van Rothengatter begroot op in totaal f 4653;

veroordeelt de Bedrijfsvereniging in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Rothengatter begroot op f 4049,48, op de voet van art. 57b Rv. te voldoen aan de Griffier.


[Mening]


Conclusie A-G mr. De Vries Lentsch-Kostense:

Inleiding

1. Eiseres tot cassatie, verder Rothengatter, procedeert in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de twee minderjarige kinderen en enig erfgenamen van eiser in eerste aanleg, verder Van der Laan, die hangende de procedure in appel is overleden.

Tussen partijen is in confesso dat thans verweerster in cassatie, verder de Bedrijfsvereniging, jegens Van der Laan onrechtmatig heeft gehandeld door ter zake van de aan Van der Laan toekomende AAW/WAO-uitkering op 27 september 1989 een beslissing te nemen die na door Van der Laan ingesteld beroep door de Raad van Beroep te Zwolle is vernietigd, welke uitspraak door de Centrale Raad van Beroep bij beslissing van 21 april 1993 is bevestigd. De gewraakte beslissing van de Bedrijfsvereniging betrof het besluit tot terugvordering (dan wel verrekening) van de aan Van der Laan (in de periode van 1 januari 1986-30 juni 1986) verstrekte uitkering ten bedrage van f 16 265,61.

Uit de gedingstukken leid ik af dat die terugvordering (verrekening) ook is gerealiseerd. Dat blijkt met name ook uit de in zoverre niet bestreden rechtsoverweging 5 van het vonnis in eerste aanleg waarin wordt overwogen dat de Bedrijfsvereniging onrechtmatig heeft gehandeld door ten onrechte de aan Van der Laan toekomende uitkering terug te vorderen dan wel in mindering te brengen op de hem toekomende uitkering. Dat blijkt ook uit het vaststaande feit dat de Bedrijfsvereniging op 5 augustus 1993 is overgegaan tot (terug)betaling van de "oorspronkelijke hoofdsom" van f 16 265,61.

Tussen partijen staat voorts vast dat Van der Laan reeds bij brief van 5 januari 1990 over bedoeld bedrag aan de Bedrijfsvereniging de wettelijke rente heeft aangezegd tegen 15 januari 1990. Kennelijk was de terugvordering/verrekening toen reeds gerealiseerd. De wettelijke rente heeft de Bedrijfsvereniging niet willen voldoen.

Het onderhavige kort geding betreft die wettelijke rente.

2. Ervan uitgaande dat de Bedrijfsvereniging met haar onjuiste/vernietigde beslissing jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld, stelt Van der Laan zich op het standpunt dat de Bedrijfsvereniging jegens hem gehouden is tot schadevergoeding en tot betaling van wettelijke rente vanaf 15 januari 1990 (de dag waartegen de rente is aangezegd) tot 21 juni 1993. Kennelijk ziet hij af van de wettelijke rente over de periode van 21 juni-5 augustus 1993, de dag waarop de Bedrijfsvereniging tot (terug)betaling overging. Aldus becijfert hij zijn vordering ter zake van de wettelijke rente op f 7260,93.

Evenals de Bedrijfsvereniging in de zaak met rolnummer 16 288 (NJ 1998, 490; red.), stelt de Bedrijfsvereniging in dit geding zich op het standpunt - kort gezegd - dat de wettelijke rente niet kan gaan lopen over de periode voorafgaand aan de formele toekenningsbeslissing die de Bedrijfsvereniging na de bovengenoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep opnieuw - binnen redelijke termijn - moet nemen omdat er in die periode nog geen opeisbare "hoofdsom" is aangezien de vordering tot (terug)betaling eerst opeisbaar wordt met die toekenning. Dit geding is tot deze kwestie beperkt, een kwestie die in de zaak met rolnummer 16 288 in het eerste cassatiemiddel 1 aan de orde wordt gesteld. In laatstgenoemde zaak neem ik tevens heden conclusie, die ik bij deze conclusie voeg (zie NJ 1998, 490; red.). Onder verwijzing naar de in die conclusie genoemde literatuur en jurisprudentie ga ik hier kort in op de onderhavige zaak.

3. De President van de Rechtbank te Amsterdam heeft Van der Laans vordering bij vonnis van 13 juli 1995 toegewezen met de volgende overwegingen. Aangezien art. 1286 (oud) BW in casu van toepassing is ingevolge art. 182 Overgangswet NBW is de wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag waartegen de Bedrijfsvereniging na het opeisbaar worden van de vordering tot schadevergoeding door Van der Laan is aangemaand, te weten 15 januari 1990. Anders dan de Bedrijfsvereniging beoogt, gaat het niet om de opeisbaarheid van de uitkering doch om de opeisbaarheid van de vordering tot schadevergoeding; laatstbedoelde vordering is opeisbaar terstond na het plegen van de onrechtmatige daad.

4. In appel wordt echter de Bedrijfsvereniging door het Amsterdamse Hof in het gelijk gesteld; het vonnis van de President wordt vernietigd en Van der Laans vordering wordt alsnog afgewezen bij arrest van 4 april 1996. Overwogen wordt dat weliswaar vaststaat dat het terugvorderingsbesluit van de Bedrijfsvereniging d.d. 27 september 1989 ingevolge de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 april 1993 onrechtmatig is, doch dat voordien de door Van der Laan gevorderde hoofdsom bij gebreke van een toekenningsbeslissing nog niet opeisbaar was zodat de Bedrijfsvereniging evenmin met de (terug)betaling van dat bedrag in verzuim kon zijn, zodat zij geen wettelijke rente verschuldigd was.

5. In haar hoedanigheid van vertegenwoordiger van de erfgenamen van de inmiddels overleden Van der Laan stelt Rothengatter tijdig cassatieberoep in. De Bedrijfsvereniging concludeert tot verwerping. Beide partijen lichten de zaak schriftelijk toe.

Het cassatiemiddel

6. Het eerste middelonderdeel betoogt dat het Hof heeft miskend dat door de meergenoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep is komen vast te staan dat de Bedrijfsvereniging destijds met haar terugvorderingsbeslissing d.d. 27 september 1989 onrechtmatig heeft gehandeld en dat de Bedrijfsvereniging uit hoofde van deze onrechtmatige daad gehouden was de dientengevolge door Van der Laan geleden schade ter hoogte van het destijds door hem gederfde uitkeringsbedrag (het teruggevorderde/verrekende bedrag van f 16 265,61) te vergoeden. Betoogd wordt dat het Hof aldus tevens heeft miskend dat de Bedrijfsvereniging - na Van der Laans sommatie en aanzegging - gehouden was de wettelijke rente te voldoen over de periode waarin de Bedrijfsvereniging in verzuim is geweest met betrekking tot haar verplichting tot het betalen van de schadevergoeding.

7. Dit middel slaagt. Onjuist is het bestreden oordeel van het Hof dat de wettelijke rente in een geval als het onderhavige niet kan gaan lopen over de periode voorafgaand aan de formele toekenning van de uitkering. Dat oordeel ziet immers aan het volgende voorbij. Het onderhavige civiele geding is geëntameerd nadat de administratieve rechter de terugvorderingsbeslissing had vernietigd die de Bedrijfsvereniging op 27 september 1989 met betrekking tot Van der Laans uitkering had genomen. Door die vernietiging kwam volgens vaste jurisprudentie van Uw Raad vast te staan dat de Bedrijfsvereniging - die in dit opzicht moet worden gelijkgesteld met een overheidslichaam - destijds onrechtmatig heeft gehandeld terwijl tevens in beginsel de "schuld" aan de Bedrijfsvereniging is gegeven zodat de Bedrijfsvereniging uit onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de schade veroorzaakt door haar onjuiste beslissingen. Weliswaar is niet uitgesloten dat onder bijzondere omstandigheden een uitzondering moet worden gemaakt op het beginsel dat de onrechtmatige daad voor rekening van "het overheidslichaam" komt zelfs wanneer dat lichaam geen enkel verwijt treft, doch in casu is niet aangevoerd dat van dergelijke bijzondere omstandigheden sprake zou zijn.

Dit geding betreft deze civielrechtelijke aansprakelijkheid van de Bedrijfsvereniging uit onrechtmatige daad; de gevorderde wettelijke rente wegens niet-tijdige nakoming ziet ook slechts op de niet-nakoming van de verplichting tot het betalen van schadevergoeding en niet op niet-nakoming van de verplichting tot uitbetaling van de uitkering zelve die inderdaad niet opeisbaar is voordat zij is toegekend door het bevoegde uitvoeringsorgaan dan wel door de bevoegde rechter bij onherroepelijke beslissing.

Ook de President is in zijn in zoverre niet bestreden vonnis ervan uitgegaan dat de door Van der Laan in dit kader gevorderde wettelijke rente betreft de vertraging in de nakoming van bedoelde verplichting tot schadevergoeding. In dat verband is uitsluitend van belang of de Bedrijfsvereniging met betrekking tot deze verplichting - in de terminologie van het Hof "de hoofdsom" - in verzuim is geweest; zie art. 1286 lid 3 (oud) BW en art. 6:119 BW. Daarbij is beslissend of de vordering tot schadevergoeding opeisbaar was en of voor het intreden van het verzuim nog een ingebrekestelling was vereist, een vereiste waaraan in casu is voldaan. Niet van belang is of de uitkering zelve opeisbaar was.

De schade door Van der Laan geleden ten gevolge van de onrechtmatige daad van de Bedrijfsvereniging (die de aan Van der Laan toekomende uitkering op grond van een onjuiste beslissing heeft teruggevorderd) bestaat in het teruggevorderde bedrag waarover Van der Laan ten onrechte niet heeft kunnen beschikken. Deze schade is inmiddels door de terugbetaling in 1993 vergoed. Dat doet vanzelfsprekend niet af aan de gehoudenheid van de Bedrijfsvereniging tot betaling van wettelijke rente over de tijd gedurende welke zij met de voldoening van haar verplichting tot schadevergoeding (door betaling van een geldsom) in verzuim is geweest. De President is daarvan terecht uitgegaan in zijn door het Hof vernietigde vonnis.

9. Van verzuim kan pas sprake zijn ingeval de vordering opeisbaar is; dat geldt zowel naar oud als naar huidig recht. Naar huidig recht treedt het verzuim ingevolge art. 6:83 aanhef en onder b BW in zonder ingebrekestelling ingeval een verbintenis als de onderhavige - een verbintenis tot betaling van schadevergoeding uit onrechtmatige daad - niet terstond wordt nagekomen nadat zij opeisbaar is geworden; naar oud recht treedt dat verzuim ingevolge art. 1286 (oud) BW pas in nadat de schuldenaar in gebreke is gesteld. In dit geding is terecht ervan uitgegaan dat oud recht van toepassing is; vaststaat dat de Bedrijfsvereniging in gebreke is gesteld.

Met betrekking tot de opeisbaarheid geldt het volgende. Bij een vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad valt het tijdstip van opeisbaarheid samen met het tijdstip waarop deze vordering daadwerkelijk ontstaat; de vordering ontstaat echter pas ingeval schade is geleden, zij het dat niet noodzakelijk is dat de omvang van de schade reeds is komen vast te staan.

Zoals gezegd bestaat de schade in het uitkeringsbedrag van f 16 265,61 dat ten onrechte van Van der Laan is teruggevorderd. Die schade is ontstaan op het tijdstip waarop terugvordering plaatsvond. Ik wees reeds erop dat die terugvordering kennelijk reeds voor 5 januari 1990 werd gerealiseerd. Dit impliceert dat voor die datum was voldaan aan de voor het intreden van het verzuim vereiste opeisbaarheid van de vordering. Daaraan doet niet af dat de bevoegdheid om bij de civiele rechter schadevergoeding te vorderen eerst is ontstaan nadat de gewraakte beslissing door de administratieve rechter was vernietigd. Dat is immers een consequentie van de verdeling van rechtsmacht tussen bestuursrechter en de civiele rechter. Deze verdeling van rechtsmacht mag mijns inziens niet ertoe leiden dat de betrokkene geen wettelijke rente kan vorderen over de periode gedurende welke hij verstoken is gebleven van de geldsom waarop hij recht bleek te hebben. De enkele omstandigheid dat de betrokkene wellicht in bedoelde periode uit hoofde van de sociale verzekeringswetgeving een andere uitkering kan hebben genoten doet daaraan - anders dan de Bedrijfsvereniging betoogt - niet af. Mocht zich een dergelijk geval voordoen - dat daarvan in casu sprake is, is gesteld noch gebleken - dan zal de wettelijke rente berekend moeten worden over het bedrag waarover betrokkene niet tijdig heeft kunnen beschikken, te weten het verschil tussen de uitkering welke hij heeft genoten en die welke hij had behoren te genieten. Vgl. Uw arrest van 22 september 1995, . Dat in gevallen als de onderhavige geen sprake is van "opvorderbaarheid" als vereist voor de verjaring ingevolge de inmiddels vervallen Wet van 31 oktober 1924 is overigens een andere kwestie.

Ingebrekestelling vond plaats bij brief van 5 januari 1990 waarbij wettelijke rente werd aangezegd tegen 15 januari 1990.

Op grond van het bovenstaande moet dan ook geconcludeerd worden dat de President terecht heeft geoordeeld dat de door Van der Laan over de periode van 15 januari 1990 tot 21 juni 1993 gevorderde wettelijke rente moet worden toegewezen.

10. Het tweede subsidiair voorgestelde middelonderdeel behoeft geen bespreking nu het eerste reeds slaagt.

Conclusie

Op grond van het voorgaande concludeer ik tot vernietiging van het bestreden arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 4 april 1996 en tot bekrachtiging van het vonnis van de President van de Rechtbank te Amsterdam van 13 juli 1995.

Noot:

Wettelijke rente en overheidsvermogensrecht

1. Het belang van bovenstaande uitspraken is dat de civiele rechter en de bestuursrechter voortaan op één lijn zitten ten aanzien van enkele kwesties van schadevergoedingsrecht.

2. De eensgezindheid betreft in de eerste plaats het moment van opeisbaarheid van de vordering tot schadevergoeding, die ontstaat wanneer een bestuursrechter een beslissing van een bedrijfsvereniging vernietigt. De bedrijfsvereniging heeft in beide zaken betoogd dat zo'n vordering pas opeisbaar is nadat de beslissing van de bestuursrechter onherroepelijk is c.q. nadat zij een formele toekenningsbeslissing heeft genomen. De Hoge Raad beslist echter, in overeenstemming met zijn eerdere uitspraak van 11 september 1992, NJ 1992, 746 en met de inmiddels vaste rechtspraak van CRvB, ABRvS en het CBB, anders. Het gaat niet om de opeisbaarheid van de uitkering - daarvoor is inderdaad een formele toekenning of beslissing van de rechter nodig -, maar om de opeisbaarheid van de schadevergoeding. Schade die bestaat uit het te weinig ontvangen (Wienk) of uit het ten onrechte terugvorderen van uitkeringen (Van der Laan) wordt "uit haar aard" terstond geleden en is dan ook onmiddellijk opeisbaar, aldus de Hoge Raad. Zie voor een grondige uitleg van dit standpunt, met verdere bronvermeldingen, de conclusie van de A-G in beide zaken bij middelonderdeel 1.

3. De eensgezindheid van Hoge Raad en bestuursrechters betreft in de tweede plaats de toewijsbaarheid van wettelijke rente in situaties van oud recht en van overgangsrecht. Naar oud recht was voor de toewijsbaarheid een ingebrekestelling dan wel een vordering in rechte nodig. In het huidige recht is deze eis vervallen. De zaak Van der Laan was op dit punt niet gecompliceerd, omdat ze zich volledig onder het oude recht had afgespeeld en een ingebrekestelling wás uitgebracht. Gecompliceerd was wel de zaak Wienk. De vernietigde besluiten dateerden alle van vóór 1 januari 1992, terwijl de periode dat Wienk te weinig uitkering had ontvangen begonnen was onder het oude recht en doorliep onder het huidige (van 4 februari 1989 tot 1 december 1993). Wienk had over de gehele periode wettelijke rente gevraagd, maar hij had dat pas gedaan op 24 september 1993.

4. Hoe dit probleem van overgangsrecht op te lossen? De CRvB heeft in een uitspraak van 28 maart 1996, voor dit soort gevallen het standpunt ingenomen dat sprake is van een voortzetting van de tekortkoming die gelegen is in de onrechtmatige, want vernietigde besluitvorming van vóór 1 januari 1992, en dat de Overgangswet nieuw BW dan verwijst naar oud recht. De Hoge Raad sluit zich in de zaak Wienk (r.o. 3.5) met zoveel woorden bij deze, inmiddels vaste, rechtspraak van de CRvB aan. Hij geeft alleen een bredere motivering. Hij beroept zich op de gedachte die ten grondslag ligt aan de art. 182, 183 en 173 lid 2 van de Overgangswet nieuw BW, te weten dat onder het oude recht begonnen en onder het nieuwe recht doorlopende tekortkomingen en schaden in beginsel beheerst blijven door het oude recht. Voorts verwijst hij naar de Parl. Gesch. Overgangswet over art. 119 en 120.

5. In het huidige recht is, als gezegd, geen ingebrekestelling meer vereist en is wettelijke rente verschuldigd vanaf het moment dat het vernietigde besluit heeft geleid tot een vertraging in de voldoening van een geldschuld. Ook dit is inmiddels vaste rechtspraak van de bestuursrechtelijke colleges. Zie o.m. CRvB 8 november 1995, ; CRvB 24 juli 1996, , alsmede A.A. van Rossum, WPNR 6292 (1997), p. 796 en Van Ravels, NTB 1998, p. 42. De civiele rechter zal uiteraard niet anders oordelen.

6. Overgangsrechtelijke problemen als waarvan sprake was in de zaak Wienk zullen zich met het verstrijken van de tijd steeds minder voordoen. Ik laat ze daarom in deze noot verder rusten, behoudens een verwijzing naar HR 17 oktober 1997, RvdW 1997, 201C (NJ 1998, 508. Red.) voor het tijdstip waarop naar oud recht de wettelijke rente van periodiek opeisbare schadevergoeding moest worden aangezegd.

7. Belangrijker vind ik het volgende. Met bovenstaande uitspraken levert de Hoge Raad een bijdrage aan de verdere uitbouw van wat ik elders (WPNR 6315, 1998) het overheidsvermogensrecht heb genoemd, d.i. het deel van het bestuursrecht en privaatrecht dat betrekking heeft op de vermogensrechtelijke (gevolgen van) handelingen van de overheid en waarin zoveel mogelijk dezelfde normen gelden. De uitspraken hebben betrekking op het schadevergoedingsrecht. Dienaangaande heeft de wetgever Awb de bestuursrechter al opgeroepen zoveel mogelijk aan te sluiten bij het civiele recht (Parl. Gesch. Awb II, ad art. 8:73, p. 476) en dat gebeurt ook (o.m. CRvB 16 juni 1994, ; CRvB 30 maart 1995, en CRvB 8 november 1995, ). De zaak Wienk laat zien dat er in dit opzicht sprake is van wederkerigheid. Ook buiten het schadevergoedingsrecht is er veel convergentie, bijv. bij de beoordeling van overeenkomsten van de overheid, bij onrechtmatige overheidsdaden, bij vorderingen uit onverschuldigde betaling, ten aanzien van de toepasselijkheid van algemene beginselen van behoorlijk bestuur en bij de gebondenheid aan grondrechten. Bloembergen spreekt in dit verband van overheidsprivaatrecht (WPNR 1992, nr. 6074), Van Ommeren van publiek vermogensrecht (NTBR 1998, p. 115 e.v.). Ik geef de voorkeur aan de term overheidsvermogensrecht, omdat daarin beter tot uitdrukking komt dat dit deel van het recht de grenzen van publiek- en privaatrecht overstijgt.

8. Het overheidsvermogensrecht wordt in belangrijke mate mede door de rechtspraak gevormd. Dit veronderstelt dat bestuursrechters en civiele rechters hun uitspraken op elkaar afstemmen. Dat geschiedt ook, soms openlijk, zoals in de zaak Wienk, soms in de stilte van de eigen raadkamer en soms pas na overleg met andere rechterlijke colleges. Uit recente publicaties is gebleken dat er een ruim ontwikkeld, zij het nog steeds louter informeel, overleg- en afstemmingscircuit is. Zo is er onder meer een periodiek overleg tussen de presidenten en voorzitters van de HR, ABRvS, CRvB en CBB, maar er zijn er veel meer, verticaal en horizontaal, intern en extern. H.J. Snijders noemde in NJB 1997, p. 1793-1797 de omvang van het circuit zelfs verbijsterend. Zie ook Ingelse e.a. (red.), De mogelijkheden en grenzen van rechterlijke samenwerking, Prinsengracht-Reeks no. 4, 1997, waarin veel verdere verwijzingen.

9. De behoefte aan samenwerking en afstemming tussen rechterlijke colleges is groot en uit een oogpunt van rechtseenheid en rechtsgelijkheid meer dan eens geboden. De kunst is er een acceptabele vorm voor te vinden die tegemoet komt aan de principiële bezwaren. Een van de principiële bezwaren is de beslotenheid van het overleg. Afspraken die men maakt, sterk of zwak, worden niet gepubliceerd. Ik zou menen dat dit op zichzelf ook niet hoeft, mits men in de motivering van de beslissing maar duidelijk maakt dat men zich mede heeft laten leiden door overwegingen van rechtseenheid en rechtsgelijkheid met de rechtspraak van andere colleges die met dezelfde kwestie te maken kunnen krijgen of al hebben gekregen. Dat kan op verschillende manieren gedaan worden. In de zaak Wienk heeft de Hoge Raad uitdrukkelijk aansluiting gezocht bij de rechtspraak van de CRvB. Dat acht ik voldoende, zeker nu de Raad deze rechtspraak van een brede, zelfstandige motivering heeft voorzien. In die omstandigheden vind ik het niet nodig te weten of de overgangsproblematiek bij wettelijke rente tevoren op de agenda van het periodiek overleg heeft geprijkt of niet. Iets anders is wanneer er nog geen precedent zou zijn. Het probleem is dan echter dat de ene rechter geen uitspraken kan doen die de andere rechter binden en de indruk dat dit toch gebeurt, zal al gauw gewekt zijn wanneer de beslissing wordt gepresenteerd als het resultaat van onderling overleg.

JBMV