0220-10-07 ae9500 bgk snel redelijk bij letsel


Rb Den Haag 07-10-2002 AE9500


Verweerder wenst de kosten van een expertisebureau slechts te vergoeden in zaken waarin de schade niet zonder ingewikkelde berekeningen kan worden vastgesteld (rechtbank Rotterdam, 25 september 1987, VR 1989, 118). De rechtbank is van oordeel dat in letselschadezaken niet snel tot het oordeel kan worden gekomen dat de inschakeling van een expertisebureau niet redelijk is. De gelaedeerde zal over de inschakeling van een expertisebureau zelf moeten beslissen en de kosten daarvan komen voor zijn risico. Bij de beoordeling van de redelijkheid van de inschakeling van een expertisebureau staat centraal de rapportage van het bureau over de in beschouwing te nemen schade-elementen. Gelet op het rapport kon naar het oordeel van de rechtbank door verweerder in redelijkheid het standpunt worden ingenomen dat de inschakeling van een expertisebureau niet noodzakelijk was.
Ten aanzien van de kosten van rechtsbijstand worden partijen verdeeld gehouden over de vraag of verweerder op goede gronden een limitering tot 15% van de eerder aan eiser toegekende schadevergoeding heeft toegepast. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met een limitering van de kosten van rechtbijstand tot 15% over de uitgekeerde schadevergoeding een beleid voert dat niet op voorhand onredelijk kan worden genoemd en zich beweegt binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling.

Rechtbank ?s-Gravenhage
sector bestuursrecht
tweede afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 01/2623 MAWKMA

 

UITSPRAAK
als bedoeld in artikel 8:77
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

 

Uitspraak in het geding tussen

A, wonende te B, eiser,

en

de Staatssecretaris van Defensie, verweerder.

 

Ontstaan en loop van het geding

Eiser, voormalig beroepsmilitair bij de Koninklijke Marine, heeft bij verweerder een vordering tot schadevergoeding ingediend wegens letselschade (asbestose) als gevolg van blootstelling aan asbest tijdens de vervulling van de militaire dienst.
Verweerder heeft bij besluit van 27 juli 1998 aan eiser een schadever- goeding van fl. 20.113,40 toegekend wegens geleden immateri?le schade.
Eiser heeft daartegen geen rechtsmiddelen aangewend.

Bij brieven van 28 maart 2000, 20 oktober 2000 en 22 januari 2001 heeft de gemachtigde van eiser verweerder verzocht om vergoeding van enkele materi?le schadeposten: kosten rechtsbijstand, kosten inschakeling expertisebureau en kosten voor het opvragen van medische gegevens tot een totaal bedrag van fl. 10.058,39. Deze verzoeken gingen vergezeld van specificaties.

Bij besluit van 6 februari 2001 heeft verweerder aan eiser een schadevergoe- ding toegekend voor kosten rechtsbijstand ad fl. 3.540,57 en geweigerd over te gaan tot vergoeding van de kosten van het ingeschakelde expertisebureau.

Bij bezwaarschrift van 8 februari 2001, aangevuld bij brief van 2 maart 2001, heeft eiser bij verweerder tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

Eiser heeft afgezien van zijn recht om op zijn bezwaar door verweerder te worden gehoord.

Bij besluit van 9 juli 2001 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Bij beroepschrift van 19 juli 2001 heeft eiser bij de rechtbank tegen dat besluit beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn bij brief van
3 september 2001 aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend alsmede een verweerschrift, gedateerd 10 oktober 2001.

Het beroep is ter zitting behandeld op 15 mei 2002.
Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde, mr. R.F. Ruers, advocaat te Utrecht.
Voorts is verschenen mevrouw mr. M. Heijst, werkzaam bij Groot Expertisebureau B.V.
Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde, mevrouw mr. M. van Reigersberg Versluys.

Motivering

De rechtbank staat in dit beroep voor de vraag of verweerder in bezwaar op goede gronden herziening van het primaire besluit heeft geweigerd.
Tussen partijen is nadrukkelijk in geschil de vraag of op eisers verzoek om toekenning van een schadevergoeding wegens buitengerechtelijke kosten een limitering van de hoogte van de schadevergoeding tot 15% van de eerder toegekende schadevergoeding van toepassing is. Verweerder heeft deze 15%-norm, die is ontleend aan het incassotarief van de Nederlandse Orde van Advocaten (verder: NOvA), bij zijn besluitvorming toegepast.

Eiser stelt zich op het standpunt dat zowel de inschakeling als de kosten van zijn raadsman, die verweerder een gespecificeerde opgave heeft verstrekt van zijn verrichtingen ten behoeve van eiser, redelijk waren.
Hetzelfde geldt voor de inschakeling en de kosten van expertisebureau Groot.
Het moet redelijk geacht worden dat een letselschadeslachtoffer als eiser, die zelf niet beschikt over juridische kennis en ervaring, zich van rechtsbijstand van een gespecialiseerde letselschade-advocaat voorziet en dat een gespecialiseerd letselschadebureau wordt ingeschakeld, dat in gesprekken met betrokkene en zijn partner de verschillende schade-elementen in kaart brengt. Laat men de inschakeling van een dergelijk bureau na, dan kunnen bepaalde elementen die voor vergoeding door de schadeveroorzakende partij in aanmerking komen ten onrechte buiten beschouwing blijven. Het resultaat van de inschakeling van een bureau valt niet op voorhand te voorspellen; daarvoor heeft men nu juist de expertise van het bureau nodig.
Bovendien zou de rekening van de advocaat hoger zijn, indien deze de inschakeling van een expertisebureau achterwege zou laten; de advocaat zou dan immers zelf in overleg met zijn cli?nt diens schade-elementen in kaart moeten brengen.
Eiser wijst er voorts op dat verweerder reeds in februari 1999 op de hoogte was van het voornemen van eisers raadsman tot het inschakelen van een expertisebureau. Als verweerder daartegen bezwaar had, zou hij dat toen aan de orde hebben moeten stellen. Nu dat toen is nagelaten, is het niet redelijk eiser thans tegen te werpen dat hij niet vooraf met verweerder heeft overlegd over de inschakeling van een expertisebureau.
Eiser betwist de redelijkheid van de door verweerder gehanteerde 15%-norm en is van oordeel dat voor het hanteren daarvan een wettelijke grondslag ontbreekt.
Bovendien handelt verweerder niet consequent doordat ook in gevallen waarin zeer hoge schadevergoedingen worden uitgekeerd aan asbest- slachtoffers (bedragen van fl. 100.000 zijn niet ongebruikelijk) toch om nauwkeurige specificatie van de kosten rechtsbijstand wordt gevraagd. Bij een consequente hantering van de 15%-norm zou dat niet nodig zijn.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de inschakeling van expertisebureau Groot onnodig was, omdat eiser reeds sinds 1984 een bijstandsuitkering heeft, zodat voor de vaststelling van zijn verlies aan arbeidsvermogen geen ingewikkelde berekeningen nodig waren.
Wat er zij van de bekendheid bij verweerder van het voornemen tot inschakeling van een expertisebureau, verweerder heeft daarvoor nooit expliciet toestemming verleend en kan derhalve niet worden gehouden aan vergoeding van de kosten. Het ligt op de weg van een advocaat om zijn cli?nt te wijzen op de financi?le consequenties van de inschakeling van een expertisebureau.
Ten aanzien van de kosten rechtsbijstand is verweerder van oordeel dat eiser weliswaar terecht een raadsman heeft ingeschakeld, maar de hoogte van de ter vergoeding ingediende kosten acht hij niet redelijk. Verweerder is van oordeel dat het hier ging om een juridisch zeer eenvoudig geschil, waarin hij zich bij de toekenning van de primaire schadevergoeding zeer redelijk heeft opgesteld en waarin voorts kon worden volstaan met standaardcorrespon- dentie zonder enig juridisch gehalte. In het kader van de drie ingediende bezwaarschriften heeft de raadsman abusievelijk 180 minuten teveel gedeclareerd.
Verweerder hanteert het beleid om in beginsel ten hoogste 15% van de toegekende hoofdsom aan buitengerechtelijke kosten te vergoeden. Ten aanzien van eiser is verweerder abusievelijk uitgegaan van een hoofdsom van fl. 23.603,80 (het juiste bedrag van de hoofdsom was fl. 20.113,40), maar hij is van mening dat eiser daarvan, nu het hier een fout van verweerder zelf betrof, geen nadeel mag ondervinden. De vergoeding van kosten rechtsbijstand is op basis van deze norm gemaximeerd tot 15% van fl. 23.603,80 = fl. 3.540,57. Dit bedrag acht verweerder, gelet op het betrekkelijk eenvoudige verloop van de procedure, zeer redelijk.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het bepaalde in artikel 6:96 BW bij de besluitvorming over eisers verzoek analoog moest worden toegepast.

Artikel 6:96, tweede lid, BW luidt als volgt:
? Als vermogensschade komen mede voor vergoeding in aanmerking:
a.  redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade die als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, mocht worden verwacht;
b.  redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid;
c.  redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, wat de kosten onder b en c betreft, behoudens voor zover in het gegeven geval krachtens artikel 241 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de regels betreffende proceskosten van toepassing zijn.?

 

Ten aanzien van de kosten van inschakeling van een expertisebureau stelt de rechtbank vast dat verweerder bij de beoordeling van dit aspect de dubbele redelijkheidstoets heeft toegepast die in de jurisprudentie van de Hoge Raad tot ontwikkeling is gekomen. Zowel de inschakeling als zodanig als de hoogte van de kosten van die inschakeling moeten redelijk zijn wil van een vergoeding van deze kosten sprake kunnen zijn.
Verweerder erkent dat het in letselschadezaken gebruikelijk is om een expertisebureau in te schakelen. Hij wenst de kosten daarvan echter slechts te vergoeden in zaken waarin de schade niet zonder ingewikkelde berekeningen kan worden vastgesteld (Rb. Rotterdam, 25 september 1987, VR 1989, 118). Een dergelijk geval is hier niet aanwezig. Als betrokkene zich van deskundige rechtsbijstand heeft voorzien, mag van de raadsman worden verwacht dat deze in staat is samen met de cli?nt de verschillende schadeposten in kaart te brengen. Voorts heeft verweerder voor de inschakeling van een expertisebureau niet vooraf toestemming verleend.
Aldus het standpunt van verweerder.

De rechtbank is van oordeel dat in letselschadezaken niet snel tot het oordeel kan worden gekomen dat de inschakeling van een expertisebureau niet redelijk is. Allereerst staat veelal niet reeds aanstonds vast welke medische schade is ontstaan - ten aanzien van eiser bestond dit probleem overigens niet - en welke daardoor veroorzaakte materi?le en immateri?le schade voor vergoeding in aanmerking komt.
Voorts biedt de specifieke deskundigheid van een expertisebureau een waarborg dat niet licht relevante elementen over het hoofd worden gezien bij het bepalen van de omvang van de geleden schade, terwijl bovendien door de inschakeling van een expertisebureau een zekere objectivering wordt aangebracht in de samenstelling en de omvang van de geclaimde schadevergoeding.
Naar het oordeel van de rechtbank is de inschakeling van een expertise- bureau niet afhankelijk van de voorafgaande toestemming van verweerder, wil van een vergoeding van de kosten daarvan sprake kunnen zijn. De gelaedeerde zal over de inschakeling van een expertisebureau zelf moeten beslissen en de kosten daarvan komen voor zijn risico. Het is aan verweerder om te beoordelen of de kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Bij deze beoordeling komt aan verweerder een zekere beleidsvrijheid toe, zodat het resultaat van deze beoordeling door de rechtbank slechts terughoudend kan worden getoetst.

De rechtbank acht het juist dat verweerder bij deze beoordeling is uitgegaan van de dubbele redelijkheidstoets. Bij de beoordeling van de redelijkheid van de inschakeling van een expertisebureau staat centraal de rapportage van het bureau over de in beschouwing te nemen schade-elementen. Hoewel aan eiser moet worden toegegeven dat door de gelaedeerde niet op voorhand kan worden vastgesteld of de inschakeling van een expertisebureau zinvol is, maar dat zulks pas achteraf uit het rapport van een dergelijk bureau blijkt, brengt deze omstandigheid niet mee dat verweerder evenbedoeld rapport niet als uitgangspunt zou mogen hanteren bij de te verrichten rede- lijkheidstoets op de inschakeling van een expertisebureau. Uitgaande van de door de rechtbank eerder geformuleerde uitgangspunten, biedt het rapport van een expertisebureau verweerder het enige objectieve vertrekpunt voor het verrichten van de hier bedoelde toetsing.

Het rapport van Groot Expertisebureau B.V. van 19 februari 1999 doet zien dat de voor eiser gemaakte opstelling van schade-elementen vrijwel geheel bestaat uit de aanschaf van een bank en een bed (waarvoor slechts stelposten zijn opgenomen) naast enkele kleinere posten betreffende op medisch voorschrift verstrekte marihuana voor pijnbestrijding en reiskosten in verband met medische controles in het ziekenhuis. Gelet op dit resultaat kon naar het oordeel van de rechtbank door verweerder in redelijkheid het standpunt worden ingenomen dat de inschakeling van een expertisebureau niet noodzakelijk was. Daarbij is in aanmerking genomen dat ten tijde van het opstellen van evengenoemd rapport de immateri?le schadevergoeding geen rol meer speelde, aangezien verweerder daarvoor reeds bij besluit van 27 juli 1998 een bedrag van fl. 12.000,= had toegekend, in welk besluit eiser had berust. Onder deze omstandigheden heeft de inschakeling van een expertisebureau geen meerwaarde gehad.

Ten aanzien van de kosten van rechtsbijstand stelt de rechtbank vast dat verweerder daartoe blijkens het primaire besluit tevens heeft gerekend de kosten voor het opvragen van medische informatie. Over laatstgenoemde kostenpost is door verweerder geen afzonderlijke beslissing genomen. De totale kosten van beide posten bedroegen fl. 8.412,29.
Partijen worden ten aanzien van de kosten rechtsbijstand verdeeld gehouden over de vraag of verweerder op goede gronden een limitering tot 15% van de eerder aan eiser toegekende schadevergoeding heeft toegepast.

De rechtbank is van oordeel dat de kosten van het opvragen van medische informatie ad fl. 233,50 voor de medische expertise van dr. M.K.T. Tjwa, longarts te Heerlen, volledig voor vergoeding in aanmerking komen. Zowel het inschakelen van deze behandelend longarts als de hoogte van de kosten worden door de rechtbank redelijk geoordeeld.

Na aftrek van dit bedrag resteert een bedrag van fl. 8.178,79 aan kosten rechtsbijstand in enge zin.
Het betreft de kosten die eisers raadsman op 28 maart 2000 bij verweerder heeft gedeclareerd en waarvan bij brief van 22 januari 2001 door hem een gedetailleerde urenverantwoording aan verweerder is verstrekt.
Verweerder heeft evengenoemde declaratie behandeld als betrof het een verzoek om een primair schadebesluit, hetgeen de rechtbank, gelet op verweerders standpunt dat niet tot volledige vergoeding van de gedeclareerde bedragen kon worden overgegaan, niet onjuist of onredelijk voorkomt.

Verweerder heeft ten aanzien van de kosten rechtsbijstand in het thans bestreden besluit aangegeven zich rechtens verplicht te achten tot vergoeding van deze kosten, waarbij evenwel de dubbele redelijkheidstoets moet worden verricht ten aanzien van de inschakeling en de kosten van rechtsbijstand. Bij de toetsing van evenbedoelde kosten heeft verweerder onder andere de daadwerkelijk verrichte werkzaamheden, de moeilijk- heidsgraad van de zaak en het belang van de zaak in aanmerking genomen.
Bij deze toetsing heeft verweerder geoordeeld dat het belang van de zaak, uitgedrukt in de aan eiser uitgekeerde vergoeding wegens immateri?le schade, niet in verhouding stond tot de daaraan bestede kosten rechtsbij- stand.
Eiser voert in dit opzicht een vaste beleidslijn, die evenwel niet in een beleidsregel in vastgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de eerder geschetste benadering een beleid voert dat niet op voorhand onredelijk kan worden genoemd en zich beweegt binnen de grenzen van een redelijke beleids- bepaling. De door verweerder toegepaste maximering van de kosten rechtsbijstand tot 15% van de aan schadevergoeding uitgekeerde som acht de rechtbank evenmin onredelijk. Hoewel niet alle door verweerder in het primaire besluit ter onderbouwing van zijn standpunt aangehaalde uitspraken zien op de hier aan de orde zijnde casus - met name geldt dat de arbitrale uitspraak NAI 14 oktober 1990, TvA 1994, nr. 27 - heeft de rechtbank uit het door haar geraadpleegde overzicht van ten deze relevante jurisprudentie (losbladige bundel ?Schadevergoeding?, bewerkt door mr. A.T. Bolt en mr. S.D. Lindenbergh, commentaar bij artikel 6:96 BW, aant. 193) niet kunnen afleiden dat verweerders benadering niet houdbaar zou zijn.
Ter vergelijking heeft de rechtbank voorts kennis genomen van het incasso- tarief voor de inning van geldvorderingen van de Nederlandse Orde van Advocaten (Vademecum advocatuur, Deel II, Wet- en regelgeving, 2001, blz. 450). Het daarin opgenomen voorbeeld van een gestaffeld tarief, tussen advocaat en cli?nt overeen te komen voor de inning van uitstaande vorde- ringen, bevat een percentage van 15 aan de voet over de eerste fl. 6.500 met stapsgewijs aflopende percentages over het meerdere daarboven. In deze gevallen zal, zo is de aanname van de opstellers, sprake zijn van de inning van talrijke geldvorderingen van gelijke aard zonder dat sprake is van een te verwachten diepgaand juridisch geschil. In dergelijke gevallen wordt het advocatentarief bepaald op een gestaffeld percentage van het ge?ncasseerde bedrag. Het gaat daarbij, zo valt aan te nemen, om zaken waarin door de advocaat met standaardmatige correspondentie kan worden volstaan en waarin een reeks van uitstaande vorderingen voor eenzelfde cli?nt moet worden ge?nd.

In de situatie van eiser was uiteraard geen sprake van een dergelijke bulk- verwerking, maar naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat eisers casus geen juridisch gecompliceerde zaak betrof (de urenspecificatie van eisers raadsman bevat, afgezien van de opstelling van bezwaarschriften, vrijwel alleen in- en uitgaande brieven en telefoongesprekken), terwijl het belang van eiser relatief beperkt was en verweerder zich tegemoetkomend heeft opgesteld.
Verweerders beslissing is voorts toereikend gemotiveerd, ook in het licht van de ten deze geldende strengere motiveringseis, nu hier geen toepassing van een beleidsregel aan de orde was.

Verweerders besluit, waarbij in bezwaar het primaire besluit in stand is gelaten, kan derhalve de hier gegeven terughoudende rechterlijke toetsing doorstaan.

Aangezien het bestreden besluit niet strijdig is met enig algemeen rechtsbeginsel of enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur komt het ook op die grond niet voor vernietiging in aanmerking.

Het beroep moet mitsdien ongegrond worden verklaard.

Van omstandigheden op grond waarvan een der partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep ongegrond.

 

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

 

 

Aldus gegeven door mr. J.W. Sentrop en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2002, in tegenwoordigheid van de griffier.

 

 

Voor eensluidend afschrift,
de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,