Ingang wettelijke rente


CRvB 28-06-2007 BA9032


Ingang wettelijke rente 8 weken na aansprakelijkstelling


LJN: BA9032, Centrale Raad van Beroep , 05/4599 MAW + 05/4953 MAW Print uitspraak


Datum uitspraak: 28-06-2007
Datum publicatie: 09-07-2007
Rechtsgebied: Ambtenarenrecht
Soort procedure: Hoger beroep
Inhoudsindicatie: Verzoek om schadevergoeding. Blootstelling aan toxische stoffen. Zorgplicht van de overheidswerkgever.



Uitspraak

05/4599 MAW + 05/4953 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[betrokkene], (hierna: betrokkene) en van
de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris),

tegen de uitspraak van de rechtbank ?s-Gravenhage van 4 juli 2005, 04/237 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

de staatssecretaris

Datum uitspraak: 28 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Ieder van partijen heeft hoger beroep ingesteld en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2007. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J.M.G.M. van der Meijden, advocaat te Harderwijk, en door zijn echtgenote, [echtgenote]. De staatssecretaris heeft zich laten vertegen-woordigen door mr. C.C. Jongens, advocaat te ?s-Gravenhage, alsmede door mr. G.H.J. Hulsbergen en mr. R.A. van Deele, beiden werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene, geboren in 1956, was laatstelijk in de rang van korporaal werkzaam bij de Koninklijke Marine (KM). Tijdens zijn werkzaamheden is hij in aanraking gekomen met toxische stoffen. Vanaf 1992 heeft hij gezondheidsklachten gekregen, die omstreeks 1997 zijn verergerd. In mei 1999 is betrokkene met deze klachten uitgevallen en geplaatst bij de Sociaal Medische Dienst KM. Uiteindelijk is de diagnose Chronische Toxische Encephalopathie (OPS) gesteld; het betreft een aandoening van het zenuwstelsel die in het bijzonder de cognitieve vermogens aantast. Met ingang van 1 juni 2001 is aan betrokkene eervol ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor de militaire dienst uit hoofde van ziekte of gebrek. Ter zake van dit ontslag is hem, in aanvulling op de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), een arbeidsongeschiktheidspensioen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 90,02% toegekend, alsmede een invaliditeitspensioen en een bijzondere invaliditeitsverhoging (BIV) op grond van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeits-voorzieningen militairen. De BIV is daarbij vastgesteld op 30% van de berekenings-grondslag, hetgeen per genoemde datum neerkwam op f. 16.532,85 bruto per jaar.

1.2. Bij brief van 21 april 1999 is namens betrokkene de staatssecretaris verzocht de geleden schade te vergoeden. Bij brief van 22 maart 2000 heeft de staatssecretaris aansprakelijkheid aanvaard. Blijkens het verhandelde ter zitting heeft de staatssecretaris hieraan ten grondslag gelegd dat met de blootstelling van betrokkene aan toxische stoffen is gehandeld in strijd met de zorgplicht van de overheidswerkgever (CRvB 22 juni 2000, LJN AB0072 en TAR 2000, 112). Vervolgens heeft de staatssecretaris besluiten genomen over verschillende schadeposten, waarbij hij zich op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van (rest)schade die niet reeds wordt gedekt door de aan betrokkene uit hoofde van diens rechtspositie toekomende voorzieningen. Deze besluiten zijn, na bezwaar, wat betreft de eindconclusie gehandhaafd bij het bestreden besluit van 9 december 2003.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Voorts zijn bepalingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht.

2. Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld. Naar aanleiding van hetgeen over en weer in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3. In de eerste plaats kunnen partijen zich - om uiteenlopende redenen - niet verenigen met hetgeen de rechtbank heeft overwogen omtrent de aan betrokkene wegens zijn invaliditeit toegekende BIV.
Het hoger beroep van de staatssecretaris is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de BIV uitdrukkelijk is bedoeld om immateri?le schade te compenseren en daarom niet in mindering mag worden gebracht op de door betrokkene geleden materi?le schade. In dit verband hebben partijen onder meer gedebatteerd over de betekenis van het arrest van de Hoge Raad van 21 februari 1997 (wrongful birth, LJN ZC2286 en NJ 1999, 145).
Het hoger beroep van betrokkene stelt de vraag aan de orde op welke wijze de BIV in mindering moet worden gebracht op de werkelijk geleden immateri?le schade, indien die werkelijke schade hoger is. Betrokkene heeft daartoe drie methoden genoemd. Hij kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar de door hem slechts als meer subsidiair voorgestelde (contante-waarde)methode moet worden gevolgd.

3.1. De Raad stelt voorop dat de BIV een krachtens wettelijk voorschrift getroffen rechtspositionele voorziening is, die deel uitmaakt van de door het ambtenarenrecht beheerste rechtsverhouding tussen partijen. De geschiedenis van de totstandkoming van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen - waarbij onder meer de militaire pensioenwetgeving is gewijzigd - laat zien dat de toenmalige BIV met name was bedoeld om de immateri?le schade te compenseren en daarom ook wel als smartengeld wordt aangeduid (Kamerstukken II 1996-1997, 25 282, nr. 7, p. 32). Voor de toekenning en de hoogte van de BIV zijn concrete maatstaven geformuleerd, waarbij - kort gezegd - de vastgestelde mate van invaliditeit bepalend is voor het percentage van de uitkering. Bij de wijziging van de militaire pensioenregelgeving nadien zijn deze maatstaven op hoofdlijnen gehandhaafd. Op deze wijze heeft de regelgever kennelijk invulling willen geven aan het uitgangspunt dat de hoogte van de vergoeding voor immateri?le schade naar billijkheid dient te worden vastgesteld.

3.2. De Raad overweegt voorts, zoals ook is overwogen in zijn uitspraak van 5 september 2002, TAR 2002, 166, dat vaststelling van de vergoeding van immateri?le letselschade wordt gekenmerkt door de geringe objectieve bepaalbaarheid van de in aanmerking te nemen factoren. Relevant zijn de aard van de aansprakelijkheid, alsmede de aard, de duur en de intensiteit van de pijn, het verdriet en de gederfde levensvreugde die voor het slachtoffer het gevolg zijn van de ziekte of het ongeval. Het aldus te bepalen bedrag zal het bij het slachtoffer ontstane leed, dat immers niet op geld waardeerbaar is, nimmer kunnen compenseren. Gelet op deze onbepaaldheid van de te wegen factoren kan het, teneinde willekeur te voorkomen, dienstig zijn meer eenheid in de rechtstoepassing te brengen door het formuleren van concrete maatstaven, waarin de ernst van de situatie van het slachtoffer tot uitdrukking wordt gebracht. In een geval zoals hier aan de orde, waarin eerst bij formele wet en later bij Amvb zulke maatstaven zijn vastgesteld en op grond daarvan nader omschreven aanspraak op een BIV is toegekend, ligt het niet voor de hand de uitkomst daarvan in ieder individueel geval opnieuw op billijkheid te toetsen. Die uitkomst zal als bindend moeten worden aanvaard, tenzij bijzondere feiten of omstandigheden naar voren komen op grond waarvan de betrokken normen klaarblijkelijk niet leiden tot een billijk resultaat.

3.3. Met dit karakter van de aanspraak die de ambtenaar aan de regeling inzake de BIV kan ontlenen is niet verenigbaar dat een gedeelte van de BIV in een concreet geval als bovenmatig wordt aangemerkt en om die reden, krachtens voordeelstoerekening of anderszins, op schadeposten van materi?le aard in mindering wordt gebracht. Verder heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden zoals onder 3.2., slot, bedoeld. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat aan betrokkene op betrekkelijk jonge leeftijd een aanspraak is toegekend op periodieke uitkering van - onder andere - de BIV en dat niet is gebleken dat, bijvoorbeeld vanwege een door de ziekte beperkte levensverwachting, aan die uitkering de gebruikelijke betekenis moet worden ontzegd. Evenmin is naar voren gekomen dat een periodieke uitkering onvoldoende zou aansluiten bij de aard van het letsel en het daaruit voortvloeiende lijden van betrokkene.
De onder 3. omschreven beroepsgronden van partijen treffen dus geen doel.

3.4. Gelet op het vorenstaande komt de Raad niet toe aan de discussie tussen partijen over de vraag met welke in de Smartengeldgids beschreven casus de situatie van betrokkene de meeste overeenstemming vertoont. Wat betreft de immateri?le schade mag de staatssecretaris immers volstaan met uitkering van de BIV.

4. Het hierv??r overwogene betekent dat de staatssecretaris ten onrechte vergoeding van de door betrokkene gestelde materi?le schade heeft afgewezen op grond van de over-weging dat de totale schade ruimschoots door het geheel van rechtspositionele voor-zieningen, waaronder de BIV, wordt gedekt. Bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar zal de staatssecretaris zich in volle omvang over de vergoeding van de materi?le schade moeten uitspreken.

5. De staatssecretaris heeft de aangevallen uitspraak voorts bestreden wat betreft de hoogte van de volgens de rechtbank te vergoeden inkomensschade. Ter zitting van de Raad hebben partijen echter alsnog overeenstemming bereikt over de in geschil zijnde schadeposten. De bijverdiensten die betrokkene in de zogeheten UKW-periode gedurende tien jaar zou hebben verworven, zijn vastgesteld op ? 815,- bruto per maand. Voor het verlies aan zelfwerkzaamheid tot aan de 70-jarige leeftijd is een bedrag van ? 800,- per jaar overeengekomen. De Raad zal de op deze posten betrekking hebbende beroepsgronden daarom verder buiten beschouwing laten.

6. Er terecht van uitgaande dat betrokkene voor vergoeding van inkomensschade in aanmerking komt, heeft de rechtbank de door betrokkene uitdrukkelijk als subsidiair aangemerkte vergoeding voor de dagelijkse begeleiding door zijn echtgenote terecht buiten behandeling gelaten. De door de staatssecretaris in dit kader naar voren gebrachte grieven behoeven thans geen bespreking meer.

7. Betrokkene heeft zich verder nog gekeerd tegen de overweging van de rechtbank dat de wettelijke rente over de toe te kennen schadevergoeding dient te worden berekend vanaf acht weken na het indienen van het inleidende verzoek. Hij heeft bepleit dat de Raad terugkomt van zijn - in die zin luidende - uitspraken van 5 september 2002 (LJN AE8039 en TAR 2003, 22 alsmede LJN AE8041 en TAR 2002, 166) en voortaan aansluiting zoekt bij artikel 6:83, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek. Zijns inziens behoort de wettelijke rente te lopen vanaf het moment waarop de schending van de zorgplicht heeft plaatsgevonden en tot schade heeft geleid. Een andere opvatting plaatst de gelaedeerde in een nadelige positie zolang hij niet bekend is met zowel de schade als de identiteit van degene die daarvoor aansprakelijk is, aldus betrokkene.

7.1. De Raad stelt voorop dat de rechtbank door een overweging te wijden aan de berekening van de wettelijke rente, anders dan de staatssecretaris heeft gesteld, niet buiten de omvang van het geding is getreden. De wettelijke rente diende immers onderdeel uit te maken van de berekening van de omvang van de schade die betrokkene heeft geleden.

7.2. De Raad ziet echter geen aanleiding om zijn onder 7. bedoelde jurisprudentie, die aanknoopt bij het verstrijken van de beslistermijn, te verlaten. Daarvoor is reeds doorslaggevend dat het hier gaat om een door het - voor de schade aansprakelijke - bestuursorgaan bij besluit toe te kennen schadevergoeding. Deze situatie is niet vergelijkbaar met de situatie in het burgerlijk (proces)recht.

8. De Raad concludeert dat het hoger beroep van betrokkene niet slaagt en het hoger beroep van de staatssecretaris slechts ten dele. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking, met dien verstande dat de staatssecretaris bij de nieuw te nemen beslissing op de bezwaren ?s Raads uitspraak in acht dient te nemen.

9. De Raad acht voorts termen aanwezig om de staatssecretaris met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene voor zover ter zake van het hoger beroep van de staatssecretaris gemaakt, zijnde ? 644,- aan kosten wegens aan betrokkene in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat de staatssecretaris wordt opgedragen een nieuw besluit op de bezwaren te nemen met inachtneming van hetgeen in ?s Raads uitspraak is overwogen;
Veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van ? 644,-, te betalen door de Staat der Nederlanden.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en K. Zeilemaker en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2007.

 

(get.) J.C.F. Talman.

 

(get.) O.C. Boute.

 

HD
28.06
Q



// LJN: AE8039, Centrale Raad van Beroep , 00/6326 MAW Print uitspraak


Datum uitspraak: 05-09-2002
Datum publicatie: 25-09-2002
Rechtsgebied: Ambtenarenrecht
Soort procedure: Hoger beroep
Inhoudsindicatie: Niet aannemelijk is dat de schade van X ook zou zijn ontstaan als X niet blootgesteld zou zijn geweest aan asbest. X (overleden in 1995) heeft van 1945 tot en met 1975 bij de Koninklijke Marine onder meer als machinist gewerkt. X heeft appellant in 1993 verzocht om vergoeding van schade in verband met het door de blootstelling aan asbest veroorzaakte carcinoom. Appellant heeft, rekening houdend met de bij X aanwezige CARA op basis van de AMA-richtlijnen, de voor zijn rekening komende gevolgen van de invaliditeit van X vastgesteld op 10%. Het uit te betalen bedrag zou fl. 9.000,- (? 4.084,04) bedragen. Niet in geschil is dat appellant aansprakelijk is voor de bij X ontstane immateri?le schade ten gevolge van langdurige blootstelling aan asbeststof. Appellant heeft zijn beslissing om de helft van de schade toe te rekenen aan het tabaksgebruik van X uitsluitend gebaseerd op epidemiologische gegevens, omdat naar zijn zeggen op individueel niveau niet kan worden vastgesteld of een longtumor is ontstaan als gevolg van het roken, de asbestblootstelling, een combinatie van beide of een andere factor. Indien naar zijn oordeel sprake is van een fors toegenomen risico op de ontwikkeling van een longtumor door het roken, is het beleid van appellant om slechts aansprakelijkheid voor 50% van de schade te erkennen, wat hij ook in het geval van X heeft gedaan. De Raad is van oordeel dat het hiervoor gestelde niet tot de conclusie kan leiden dat het aannemelijk is dat de schade van X ook zou zijn ontstaan als X niet blootgesteld zou zijn geweest aan asbest. Immers, appellant heeft zijn beslissing om de helft van de door X ondervonden schade toe te rekenen aan diens tabaksgebruik uitsluitend gebaseerd op niet nader onderbouwde theoretische aannames met een algemeen karakter. Daarmee heeft hij onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het gedeelte van de schade dat hij aan het tabaksgebruik van X heeft toegeschreven ook daadwerkelijk zou zijn ontstaan indien X niet langdurig aan astbest zou zijn blootgesteld. Het zojuist overwogene leidt tot het oordeel dat appellant de schade die X heeft geleden ten onrechte niet heeft bepaald op 20% van f 90.000,- (? 40.840,40) ofwel f 18.000,- (? 8.168,08). De rechtbank is derhalve, hoewel zij het bestreden besluit en het besluit van 9 februari 1999 terecht heeft vernietigd, van een te laag bedrag aan te vergoeden immateri?le schade uitgegaan. De Raad komt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak, voorzover de rechtbank daarbij zelf in de zaak heeft voorzien, dient te worden vernietigd en voor het overige, zij het op andere gronden, dient te worden bevestigd. Voorts zal de Raad met toepassing van art. 8:72.4 Awb zelf de hoogte van de aan gedaagde toekomende immateri?le schadevergoeding vaststellen als boven vermeld. Hoger beroep van rechtbank Den Haag d.d. 5 oktober 2000, AWB 00/04792 MAWKMA, opgenomen onder LJN url(''AA8314'',/..../../uitspraak/showdetail_homepage.asp?ljn=AA8314) . De Staatssecretaris van Defensie, appellant. mrs. H.A.A.G. Vermeulen, T. Hoogenboom, R. Kooper




Uitspraak

00/6326 MAW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Staatssecretaris van Defensie, appellant,

en

[gedaagde], erfgenaam van wijlen [overledene], laatstelijk wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 5 oktober 2000, nr. AWB 00/04792 MAWKMA, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift, met bijlagen ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 13 juni 2002, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M. van Reigersberg Versluys en mr. M.C.J. Varkevisser-van den Brekel, bijgestaan door L.G. Koenen, medisch adviseur, allen werkzaam bij het Ministerie van Defensie. Gedaagde is in persoon verschenen met bijstand van mr. N. van Popta, advocaat te Utrecht.

II. MOTIVERING

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Gedaagde is gehuwd geweest met [overledene] (hierna: [naam]), die overleden is op 20 oktober 1995. [naam] is van 1945 tot en met 1975 werkzaam geweest bij de Koninklijke Marine, onder meer in de functie van machinist. In die functie is hij langdurig blootgesteld geweest aan asbeststof. [naam] heeft in 1991 in verband met een kleincellig bronchuscarcinoom een verwijdering van de linker long (pneumonectomie) ondergaan. In 1992 werd bij hem een prostaatcarcinoom vastgesteld. Later traden skeletmetastasen op, die zeer wel verklaard konden worden door uitzaaiing van het prostaatcarcinoom.

1.2. [naam] heeft appellant bij schrijven van 15 december 1993 verzocht hem een schadevergoeding toe te kennen in verband met het door de blootstelling aan asbest veroorzaakte longcarcinoom. Op basis van een rapport van de Commissie Geneeskundig Onderzoek Militairen heeft appellant geconcludeerd dat een verband van het carcinoom met de dienstbetrekking niet aannemelijk is en heeft hij [naam]s verzoek afgewezen.

1.3. In de nadien tussen gedaagde, als nagelaten betrekking van [naam], en appellant met betrekking tot die afwijzing gevoerde beroepsprocedure, waarbij de vraag centraal stond of er enigerlei verband bestond tussen de longaandoening en de uitoefening van de militaire dienst, heeft de rechtbank de longarts-oncoloog dr. J.P.A.M. van Meerbeeck als deskundige ingeschakeld. Deze is in zijn Verslag deskundigenonderzoek van 21 april 1997 tot het oordeel gekomen dat aan voldoende criteria is voldaan om een verband te kunnen leggen tussen de longkanker van [naam] en zijn in dienst van defensie verrichte werkzaamheden. De rechtbank heeft daarop het beroep van gedaagde bij uitspraak van 4 november 1998 gegrond verklaard, het desbetreffende besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt.

1.4. Bij besluit van 9 februari 1999 heeft appellant gedaagde meegedeeld dat hij zich aansprakelijk acht voor de gevolgen van het bij [naam] geconstateerde longcarcinoom, dat de verwijdering van de linkerlong heeft kunnen leiden tot een percentage invaliditeit van de gehele mens van maximaal 10% en dat hij bereid is een immateri?le schadevergoeding te betalen van f 10.000,- (? 4.537,82). Appellant relateert de omvang van de door hem te vergoeden immateri?le schade in gevallen als het onderhavige, waarin een verband vaststaat tussen blootstelling aan astbest en het ontstaan van longkanker, aan de mate van invaliditeit van de betrokkene. Bij bepaling van de mate van invaliditeit richt appellant zich naar de Guides to the Evaluation of Permanent Impairment van de American Medical Association (AMA-richtlijnen). Het bedrag dat hij aan immateri?le schadever-goeding in de hier bedoelde gevallen betaalt heeft hij bepaald op maximaal f 90.000,- (? 40.840,40), naar analogie van het in het Convenant Instituut Asbest-slachtoffers opgenomen bedrag dat aan immateri?le schadevergoeding wordt uitgekeerd bij maligne mesothelioom.

1.5. Gedaagde heeft tegen het besluit van 9 februari 1999 bezwaar gemaakt. Nadien heeft gedaagde appellant verdere informatie verschaft over materi?le schade die zij zegt te hebben geleden. Bij besluiten van 30 maart en 24 augustus 1999 heeft appellant met betrekking tot een aantal materi?le schadeposten vergoeding toegekend en met betrekking tot de overige posten vergoeding van materi?le schade geweigerd. Ook tegen laatstgenoemde besluiten heeft gedaagde bezwaar gemaakt voorzover daarbij vergoeding van materi?le schade is geweigerd.

1.6. Bij het bestreden besluit van 27 maart 2000 heeft appellant gedaagdes bezwaren ongegrond verklaard. Op basis van een advies van zijn medisch adviseur is appellant ervan uitgegaan dat de verwijdering van de long ter behandeling van het longcarcinoom heeft geleid tot een milde invaliditeit, die ingevolge AMA-richtlijnen kan vari?ren van 10% tot 25%. De invaliditeit werd volgens appellant in dit geval veroorzaakt door twee componenten, te weten de verwijdering van de long en de bij [naam] aanwezige CARA. De verwijdering van de long was een gevolg van het longcarcinoom waarbij twee oorzakelijke factoren voor de tumor aanwezig waren, het roken en de asbestblootstelling, die gelijkelijk door appellant in aanmerking zijn genomen. De invaliditeit zou dan, geen rekening houdend met de aanwezige CARA, 5% tot 12,5 % zijn, zijnde het aandeel van de asbestblootstelling. De voor zijn rekening komende gevolgen van de invaliditeit heeft appellant vervolgens, rekening houdend met de CARA-component van 5 % vastgesteld op 10% (anders gezegd de helft van 20%). Het aan [naam] uit te betalen bedrag zou derhalve op f 9.000,- (?4.084,04), komen maar appellant heeft ten gevolge van een vergissing zijnerzijds f 10.000,- (? 4.537,82) betaalbaar gesteld.

2. De rechtbank heeft gedaagdes beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond bevonden voorzover dat beroep betrekking heeft op de weigering materi?le schade te vergoeden.

2.1. Voorzover dat beroep zich keerde tegen appellants beslissing met betrekking tot de immateri?le schade heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard en heeft zij het bestreden besluit alsmede het besluit van 9 februari 1999 vernietigd.
2.1.1. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat er geen grond is om de mate van gedaagdes invaliditeit op een lager percentage vast te stellen dan 25, het hoogste percentage dat volgens de AMA-richtlijnen bij een curatieve behandeling van een longcarcinoom door een pneumonectomie geldt. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat het invaliderend effect van het verwijderen van ??n long groter zal zijn, indien de behouden long reeds door vrij fors CARA-lijden in functie beperkt is en dat deze door predispositie van [naam] veroorzaakte schadevergrotende omstandigheid voor risico van appellant dient te blijven.

2.1.2. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat, nu appellant bij een mate van invaliditeit van 10% van [naam] het bedrag aan individuele schadevergoeding op f 10.000,- (? 4.537,82) heeft gesteld, bij een mate van invaliditeit van 25%, indien volledige immateri?le schadevergoeding wordt toegekend, een schadevergoeding van f 25.000,- (? 11.344,56) in de rede ligt.

2.1.3. Hiervan uitgaande en gelet op het aandeel dat het tabaksgebruik van [naam] in het ontstaan van het longcarcinoom ook volgens de rechtbank heeft gehad, heeft zij bepaald dat appellant aan gedaagde een bedrag van f 20.833,- (? 9.453,65) dient te betalen ter zake van de geleden immateri?le schade. Tot dit bedrag is de rechtbank gekomen doordat zij van oordeel is dat appellant 55/66 van de door [naam] geleden immateri?le schade ad f 25.000,- (? 11.344,56) dient te vergoeden. De rechtbank komt tot het vermelde voor rekening van appellant komend aandeel door interpretatie van bepaalde aannames en voorbeelden die voorkomen in een artikel van A.J. Van en H.G.T. Nijs in TMA 1996, 3, p. 45. Dienovereenkomstig heeft zij, zelf voorziende in de zaak, beslist.

2.2. Verder heeft de rechtbank beslissingen gegeven omtrent de proceskosten en het griffierecht.

3. Alleen appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

4. Met betrekking tot hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4.1. Gedaagde heeft bij verweerschrift gesteld dat appellant niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn beroep omdat hij de gronden van het hoger beroep niet binnen een door de Raad gestelde termijn heeft ingediend. De Raad volgt gedaagde hierin niet. Bij brief van 19 januari 2001 heeft de Raad appellant, naar aanleiding van diens verzoek om uitstel voor het indienen van de beroepsgronden, meegedeeld dat de termijn voor het indienen van de gronden is verlengd met 11 weken, welke termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop die brief is verzonden. Aangezien de beroepsgronden bij de Raad op 3 april 2001 zijn ingekomen, zijn die gronden binnen de door de Raad bij zijn brief van 19 januari 2001 gestelde termijn ingediend.

4.2. Met betrekking tot de omvang van het geding in hoger beroep stelt de Raad vast dat gedaagde bij verweerschrift in hoger beroep en ook ter zitting van de Raad mede aan de orde heeft gesteld het onderdeel van de aangevallen uitspraak waarin de rechtbank beslist heeft omtrent de door gedaagde verzochte vergoeding van materi?le schade. Aangezien gedaagde tegen de aangevallen uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld en het hoger beroep van appellant niet tegen dit onderdeel van de aangevallen uitspraak is gericht, zal de Raad aan de grieven dienaangaande van gedaagde voorbijgaan.

4.3.1. Naar aanleiding van het oordeel van de rechtbank dat de bij [naam] bestaande CARA als schadevergrotende component voor risico van appellant komt en derhalve niet in mindering strekt op de omvang van de schadevergoeding stelt de Raad voorts vast dat gedaagde generlei beroepsgrond daaromtrent naar voren heeft gebracht. Door uitdrukkelijk de gegrondverklaring van gedaagdes beroep mede te doen steunen op dat element is de rechtbank getreden buiten de grenzen van het aan haar voorgelegde geschil en heeft zij de betekenis miskend van artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ingevolge welke bepaling de rechtbank uitspraak doet op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.

4.3.2. De onder 1.6. beschreven aftrek van 5% van het volgens de AMA-richtlijnen in aanmerking te nemen invaliditeitspercentage is daarom voor de Raad een gegeven.

4.4. Inhoudelijk is tussen partijen de vraag in geschil of de door [naam] geleden immateri?le schade volledig aan appellants handelen is toe te rekenen dan wel dat die schade gelijkelijk een gevolg is van het roken van [naam], zijnde een omstandigheid die aan hem kan worden toegerekend. Te dien aanzien overweegt de Raad als volgt.

4.4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant aansprakelijk is voor de bij [naam] ontstane immateri?le schade ten gevolge van langdurige blootstelling aan asbeststof.

4.4.2. De Raad ziet geen reden om niet met partijen en de rechtbank de genoemde AMA-richtlijnen tot uitgangspunt te nemen bij de bepaling van de mate van invaliditeit. In aanmerking genomen dat alleen appellant hoger beroep heeft ingesteld, is er voorts geen plaats voor het oordeel dat het genoemde bedrag van f 90.000,- (? 40.840,40) bij volledige immateri?le schadevergoeding niet tot uitgangspunt had mogen worden genomen.

4.4.3. Uitgaande van de AMA-richtlijnen en de in dat kader, blijkens 1.6., door appellant gemaakte keuze, en gelet op hetgeen onder 4.3.2. en 4.4.2. is overwogen, varieert de invaliditeit van [naam] tussen de 5% en 20%.

4.4.4. De Raad volgt gedaagde niet in haar eerst in hoger beroep naar voren gebrachte standpunt dat de mate van invaliditeit van [naam] op 100% moet worden bepaald, reeds omdat gedaagde geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.

4.4.5. De Raad gaat er veronderstellenderwijs van uit dat [naam] in ieder geval tot half juli 1991 sigaretten rookte. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat de longarts C.S. de Graaff in een brief van 31 juli 1991 aan de arts G.M. Haasjes vermeldt dat [naam] een pakje sigaretten per week rookt en dat hij tot tien jaar daarvoor een pakje shag per dag heeft gerookt.

4.4.6. De Raad is van oordeel dat, indien zoals hier, door een onrechtmatig handelen - het langdurig aan astbest blootstellen van [naam] - een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en dit risico zich vervolgens verwezenlijkt, daarmee het causaal verband tussen dat handelen en de aldus ontstane schade in beginsel is gegeven, tenzij aannemelijk is dat die schade ook zonder dat handelen zou zijn ontstaan.

4.4.7. Appellant heeft zijn beslissing om de helft van de schade toe te rekenen aan het tabaksgebruik van [naam] uitsluitend gebaseerd op epidemiologische gegevens, omdat naar zijn zeggen op individueel niveau niet kan worden vastgesteld of een longtumor is ontstaan als gevolg van het roken, de asbestblootstelling, een combinatie van beide of een andere factor. Indien naar zijn oordeel sprake is van een fors toegenomen risico op de ontwikkeling van een longtumor door het roken, is het beleid van appellant om slechts aansprakelijkheid voor 50% van de schade te erkennen, wat hij ook in het geval van [naam] heeft gedaan. In dit verband verwijst appellant naar het onder 2.1.3. vermelde TMA-artikel.

4.4.8. De Raad is van oordeel dat het onder 4.4.7. gestelde niet tot de conclusie kan leiden dat het aannemelijk is dat de schade van [naam] ook zou zijn ontstaan als [naam] niet blootgesteld zou zijn geweest aan asbest. Immers, appellant heeft zijn beslissing om de helft van de door [naam] ondervonden schade toe te rekenen aan diens tabaksgebruik uitsluitend gebaseerd op niet nader onderbouwde theoretische aannames met een algemeen karakter. Daarmee heeft hij onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het gedeelte van de schade dat hij aan het tabaksgebruik van [naam] heeft toegeschreven ook daadwerkelijk zou zijn ontstaan indien [naam] niet langdurig aan astbest zou zijn blootgesteld.

4.5. Het zojuist overwogene leidt tot het oordeel dat appellant de schade die [naam] heeft geleden ten onrechte niet heeft bepaald op 20% van f 90.000,- (? 40.840,40) ofwel f 18.000,- (? 8.168,08). De rechtbank is derhalve, hoewel zij het bestreden besluit en het besluit van 9 februari 1999 terecht heeft vernietigd, van een te hoog bedrag aan te vergoeden immateri?le schade uitgegaan.

4.6. De Raad komt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak, voorzover de rechtbank daarbij zelf in de zaak heeft voorzien, dient te worden vernietigd en voor het overige, zij het op andere gronden, dient te worden bevestigd. Voorts zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf de hoogte van de aan gedaagde toekomende immateri?le schadevergoeding vaststellen als onder 4.5. is vermeld.

4.7. Gedaagde heeft de Raad verzocht om, toepassing gevend aan artikel 8:73 van de Awb, appellant te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente. Dat verzoek is toewijsbaar. Appellant is met betrekking tot de toe te wijzen immateri?le schadevergoeding rente verschuldigd over de periode aanvangend op de eerste dag na ommekomst van de beslistermijn die aanvangt op de datum waarop [naam] appellant aansprakelijk heeft gesteld, 15 december 1993. Die beslistermijn wordt door de Raad in dit geval op 8 weken gesteld. Bij het vaststellen van de nog te betalen rente dient rekening te worden gehouden met de reeds door appellant aan gedaagde gedane betalingen ter zake van immateri?le schade.

4.8. De Raad acht voorts termen aanwezig met toepassing van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep welke worden bepaald op ? 644,- voor kosten van rechtsbijstand. Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij is bepaald dat appellant aan gedaagde een bedrag van f 20.833,- dient te betalen ter zake van de geleden immateri?le schade;
Bevestigt die uitspraak voor het overige;
Stelt het bedrag van de vergoeding van immateri?le schade waarop gedaagde recht heeft, vast op ? 8.168,08;
Veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de renteschade als onder 4.7. is overwogen;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van ? 644,-, te betalen door de Staat der Nederlanden.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van D. Boers als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 september 2002.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) mr. P.J.W. Loots.
(wegens defungeren van
bovengenoemde griffier)

//
LJN: AE8041, Centrale Raad van Beroep , 99/6079 MAW Print uitspraak


Datum uitspraak: 05-09-2002
Datum publicatie: 25-09-2002
Rechtsgebied: Ambtenarenrecht
Soort procedure: Hoger beroep




Uitspraak

99/6079 MAW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Staatssecretaris van Defensie, appellant,

en

de erven van [overledene], laatstelijk wonende te Middelburg, gedaagden.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 november 1999, nr. AWB 99/1303 MAWKMA, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagden is een verweerschrift, met bijlagen, ingediend.

Desgevraagd is vanwege appellant een nader stuk in het geding gebracht.

Het geding is behandeld ter zitting van 13 juni 2002, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.C.J. Varkevisser-van den Brekel, bijgestaan door mr. M. van Reigersberg Versluys en L.G. Koenen, medisch adviseur, allen werkzaam bij het Ministerie van Defensie. Voor gedaagden is verschenen mr. L.A.A. Ongenae, advocaat te Zoetermeer.

II. MOTIVERING

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden welke tussen partijen niet in geschil zijn.

1.1. De heer [overledene] (hierna: [overledene]), geboren op 4 mei 1935 en overleden op 7 januari 2001, is van 1951 tot 1980 in dienst geweest van het Ministerie van Defensie, in de functie van matroos bij de Koninklijke Marine en vervolgens in de functie van loodsdienstregelaar bij het Loodswezen. Gedurende zijn diensttijd is [overledene] blootgesteld geweest aan vrije asbestvezels. In oktober 1997 is bij hem de diagnose maligne mesothelioom gesteld.

1.2. Bij brief van 11 november 1997 heeft [overledene] appellant aansprakelijk gesteld voor alle door hem tengevolge van deze kwaadaardige ziekte geleden schade. Bij brief van 20 augustus 1998 heeft appellant die aansprakelijkheid erkend en heeft hij [overledene] als vergoeding van de immateriële schade een voorschot toegekend van ƒ 50.000,- (€ 22.689,11). Bij besluit van 1 september 1998 heeft appellant aan [overledene] - voorzover hier van belang - een bedrag van ƒ 80.000,- (€ 36.302,58) aan immateriële schadevergoeding toegekend. Bij besluit van 16 oktober 1998 heeft appellant [overledene] laten weten dat in verband met de totstandkoming van het Convenant Instituut Asbestslachtoffers (hierna: convenant) op 16 september 1998, in het vervolg aan mesothelioomslachtoffers een standaardbedrag aan immateriële schadevergoeding wordt toegekend van ƒ 90.000,- (€ 40.840,40) en dat [overledene] derhalve nog een bedrag van ƒ 40.000,- (€ 18.151,29) toekomt. Bij het bestreden besluit van 13 januari 1999 heeft appellant de bezwaren van [overledene] tegen het toekennen van een standaardbedrag van ƒ 90.000,- (€ 40.840,40) aan immateriële schadevergoeding ongegrond verklaard.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van het in die uitspraak overwogene, met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft daartoe laten wegen dat zij het niet onbegrijpelijk vindt dat appellant met betrekking tot de vaststelling van de hoogte van het immateriële schadebedrag aansluiting heeft gezocht bij het in het convenant vastgelegde bedrag van ƒ 90.000,- (€ 40.840,40), maar dat appellant daarmee niet is ontslagen van zijn plicht te onderzoeken of in het individuele geval sprake is van bijzondere omstandigheden die het noodzakelijk maken dat het standaarduitkeringsbedrag verhoogd moet worden. Naar het oordeel van de rechtbank kan in de gegeven situatie het uitkeringsbedrag door appellant naar billijkheid niet lager worden begroot dan ƒ 115.000,- (€ 52.184,96). Als bijzondere omstandigheden heeft de rechtbank met name aangemerkt dat [overledene] vanaf het moment dat bij hem de diagnose maligne mesothelioom is gesteld langer heeft geleefd - en daarmee langer heeft geleden - dan het gemiddelde mesothelioomslachtoffer, alsmede dat [overledene] geen gebruik heeft kunnen maken van de diensten van het Instituut Asbestslachtoffers, omdat het Instituut op dat moment nog niet operationeel was, waardoor hij aanzienlijk langer op de toekenning van zijn schadevergoeding heeft moeten wachten dan de maximale termijn van drie maanden waarvan het convenant uitgaat.

2. In hoger beroep heeft appellant benadrukt dat, gelet op de aard en het verloop van de ziekte, tussen mesothelioomslachtoffers aanzienlijke overeenkomsten bestaan, die het hanteren van een normbedrag voor vergoeding van immateriële schade rechtvaardigen. Natuurlijk zijn er individuele verschillen, maar het is uiterst moeilijk deze op geld te waarderen. Het normbedrag van f 90.000,- (€ 40.840,40) vormt een neerslag van de maatschappelijke opvattingen en van de jurisprudentie. In het onderhavige geval heeft de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat de schadevergoeding, in afwijking van het normbedrag, niet lager mag worden gesteld dan f 115.000,- (€ 52.184,96), aldus appellant.

2.1. De Raad stelt voorop dat de hoogte van de vergoeding voor immateriële schade naar billijkheid dient te worden vastgesteld. Relevante factoren daarbij zijn de aard van de aansprakelijkheid, alsmede de aard, de duur en de intensiteit van de pijn, het verdriet en de gederfde levensvreugde die voor het slachtoffer het gevolg zijn van de ziekte. Onder het bedoelde verdriet is mede begrepen het verdriet dat betrokkene ondervindt van de wetenschap dat zijn levensverwachting is verkort. Het aldus te bepalen bedrag zal het bij het slachtoffer ontstane leed, dat immers niet op geld waardeerbaar is, nimmer kunnen compenseren. Gelet op deze onbepaaldheid van de te wegen factoren is het van groot belang, teneinde willekeur te voorkomen, aansluiting te zoeken bij de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend.

2.2. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft appellant, waar het gaat om zijn aansprakelijkheid jegens asbestslachtoffers met de ziekte mesothelioom, de hiervóór omschreven billijkheidsnorm sedert de totstandkoming van het convenant nader ingevuld, in die zin, dat hij aansluiting zoekt bij het in het convenant overeengekomen normbedrag en mitsdien - ook bij afdoening van schadeclaims buiten het in het convenant voorziene Instituut Asbestslachtoffers om - als regel een standaardbedrag van f 90.000,- (€ 40.840,40) ter vergoeding van immateriële schade toekent. Daarbij heeft appellant vooral in aanmerking genomen dat het convenant speciaal is toegesneden op mesothelioomslachtoffers, die zich allen qua levensverwachting in de zelfde ongunstige positie bevinden, dat het convenant op basis van zorgvuldig onderzoek, vergelijking van reeds gedane rechterlijke uitspraken en uitvoerige onderhandelingen tot stand is gebracht door partijen afkomstig uit alle relevante geledingen van de maatschappij, waaronder belangenbehartigers van asbestslachtoffers, en dat het convenant derhalve een zeer breed maatschappelijk draagvlak heeft.

2.3. De Raad is van oordeel dat deze beleidslijn, die door appellant ook aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, op zichzelf de rechterlijke toetsing kan doorstaan. De Raad neemt hiertoe in aanmerking dat het standaardbedrag het resultaat is van uitvoerig overleg tussen de betrokken maatschappelijke partijen, waarin niet alleen een aanzienlijke mate van inzicht bestond in de meest relevante factoren - zoals de oorzaak van de ziekte, het steeds fatale karakter daarvan, het verloop van het ziekteproces, de resterende levensverwachting en de daarbij te constateren verschillen - maar waarin bovendien, vanuit de wens om nog bij leven van de slachtoffers met zo min mogelijk belastende discussies tot vaststelling en uitbetaling van de schadevergoeding te kunnen komen, is gestreefd naar één enkel normbedrag waarin al deze op zichzelf moeilijk weegbare factoren zo goed mogelijk tot hun recht komen. Dat de beleidslijn als zodanig wellicht niet schriftelijk is vastgesteld en evenmin bekend is gemaakt, zodat deze niet kan worden aangemerkt als een beleidsregel in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), neemt niet weg dat appellant er in individuele gevallen - mits voldoende gemotiveerd - toepassing aan kan geven.

2.4. Ook naar het oordeel van de Raad ontslaat het hanteren van de beleidslijn appellant niet van de verplichting in ieder individueel geval na te gaan of sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de toekenning van het standaardbedrag van f 90.000,- (€ 40.840,40) niet als een juiste invulling van de billijkheidsnorm zou zijn te beschouwen. Daarbij zal het echter slechts kunnen gaan om individuele omstandigheden met een zeer uitzonderlijk karakter.

2.5. In het onderhavige geval hebben gedaagden vooral gewezen op de omstandigheid dat [overledene] na het stellen van de diagnose nog aanzienlijk langer heeft geleefd dan bij mesothelioompatiënten gebruikelijk is. De Raad is echter van oordeel dat dit element moet worden geacht in ruime mate in het bij het convenant overeengekomen standaardbedrag te zijn verdisconteerd. Het plaatsen van langduriger lijden tegenover langduriger leven is immers bij uitstek het soort afweging van factoren dat het convenant in concrete gevallen overbodig wil maken. Daarvan uitgaande, kan hier niet worden gesproken van een zeer uitzonderlijke omstandigheid in de hiervóór bedoelde zin.

2.6. Anders dan de rechtbank komt de Raad dan ook tot het oordeel dat de toekenning van het standaardbedrag van f 90.000,-(€ 40.840,40) in dit geval niet in strijd komt met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. Het hoger beroep treft doel en de aangevallen uitspraak komt in aanmerking om te worden vernietigd.

3. Gedaagden hebben aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten te bepalen dat over het bedrag van de schadevergoeding wettelijke rente moet worden betaald.

3.1. Het gaat om een kwestie waaraan de rechtbank, uitgaande van vernietiging van de bestreden beslissing op bezwaar, niet is toegekomen. Gegeven de verwevenheid van de onderhavige schadevergoeding en de wettelijke rente heeft de Raad, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, alsnog hieromtrent te beslissen.

3.2. Blijkens het convenant zijn de daarbij betrokken partijen overeengekomen dat de wettelijke rente in het schadevergoedingsbedrag van ƒ 90.000,- (€ 40.840,40) is inbegrepen. In het verlengde hiervan heeft appellant geweigerd om [overledene] - zoals namens hem bij de brief van 11 november 1997 is verzocht - wettelijke rente over dat schadevergoedingsbedrag te vergoeden. De Raad kan appellant in dit standpunt echter niet volgen. Immers, de wettelijke rente is in het schadevergoedingsbedrag inbegrepen omdat het Instituut Asbestslachtoffers zich ten doel gesteld heeft om schadeclaims binnen een redelijke termijn te beoordelen en af te handelen. Blijkens de gedingstukken heeft [overledene] ruim negen maanden op het primaire besluit moeten wachten en is hem daarbij nog slechts een voorschot toegekend, terwijl het vervolgens nog eens twee maanden heeft moeten duren eer het restantbedrag hem werd toegekend. Naar het oordeel van de Raad kan in dit geval geen sprake zijn van een redelijke termijn - in vorenbedoelde zin -waarbinnen de schadeclaim van [overledene] is afgehandeld. Aan dit oordeel moet dan ook de conclusie worden verbonden dat appellant ten onrechte heeft geweigerd [overledene] wettelijke rente te vergoeden. Gelet op artikel 4:13, tweede lid, van de Awb en nu uit de stukken niet is gebleken van een geschrift waarbij de beslistermijn is opgeschort, gaat de Raad ervan uit dat acht weken een redelijke beslistermijn is.

3.3. Uit het vorenstaande volgt derhalve dat appellant aan gedaagden wettelijke rente verschuldigd is met ingang van de datum van acht weken na 11 november 1997 over een bedrag van ƒ 90.000,- (€ 40.840,40) tot aan de datum waarop het voorschot van ƒ 50.000,- (€ 22.689,11) is betaald. Vanaf laatstgenoemde datum is appellant aan gedaagden wettelijke rente verschuldigd over het restantbedrag van ƒ 40.000,- (€ 18.151,29) tot aan de dag der algehele voldoening.

3.4. De Raad zal dienovereenkomstig zelf in de zaak voorzien op grond van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb.

4. De Raad ziet aanleiding om appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van kosten wegens aan gedaagden in hoger beroep verleende rechtsbijstand, begroot op een bedrag van € 644,-.

5. Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak behoudens het bepaalde inzake het griffierecht en de proceskostenveroordeling;
Vernietigt het bestreden besluit voorzover het betrekking heeft op de wettelijke rente;
Stelt de wettelijke rente vast zoals onder 3.3. is aangegeven en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
Verklaart het inleidend beroep voor het overige alsnog ongegrond;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagden in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de Staat der Nederlanden.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter, en mr. T. Hoogenboom en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van D. Boers als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 september 2002.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) mr. P.W.J. Loots.
(wegens defungeren van
bovengenoemde griffier)
Q