Terugvordering

(zie ook bezwaar)

Overheid schadebesluit terugvordering bijstand
Een beslissing tot herziening of intrekking van een besluit, waarbij eerder bijstand is toegekend, is ook een besluit waartegen beroep kan worden ingesteld indien deze na 1-1-1994, de datum van in werking treden van de AWB, genomen is. (CRvB 26-9-1995 AB 96, 515)
Noot HB. Na de inwerkingtreding van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid per 1-1-1997 geldt dat er een herzienings- of intrekkingsbesluit moet worden genomen o.g.v art 63 Abw. Tegen dat besluit staat op basis van deze uitspraak administratief beroep open. Het besluit tot terugvordering is ook appellabel na 1-1-1997 door de Wet Boeten waarbij het besluit meteen een executoriale titel vormt (art. 87 Wet Boeten) Daarvoor stond het op de negatieve lijst van art. 8:5 AWB, bijlage AWB.
Alvorens bijstand terug te vorderen moet een intrekkingsbesluit genomen worden.
(CRvB 26-7-1994, AB 95, 229 Zie ook CBSf 9-4-1997, JB 97, 105)

Herziening besluit dubbele rechtsmacht
De HR besliste op 18-4-1997 dat voor 01-07-1997, in het recht voorafgaande aan de Wet Boeten, de herzieningsbeslissing leidde tot doorkruising van het civielrechtelijke systeem van terugvordering, zodat het bestuursorgaan niet gehouden was een herzieningsbeslssing te nemen.
De Centrale Raad van Beroep heeft al eerder in zijn uitspraak van 26-07-1994, JABW 1995, 242 beslist dat de rechtsbescherming van de AWB mede besluiten omvat die wijziging beogen te brengen in de aanspraak op in het verleden toegekende en reeds betaalde bijstand. Tegen besluiten om tot terugvordering over te gaan stond naar de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever nog geen beroep open bij de bestuursrechter.
Het herzieningsbesluit, dat nu eenmaal door gedaagde is genomen, is een besluit in de zin van art. 1:3 AWB waartegen bezwaar en beroep open staat (CRvB 20-07-1999 RSV 1999, 254).

Vorderingsbesluit onverschuldigde betaling ongerechtvaardigde verrijking executie
ABRS 21-10-1996, AB 1996, 496, JB 1996, 232 m. nt. NV Jur 45
Terugvorderingbesluiten van bestuursorganen zijn, ook indien deze niet op uitdrukkelijk daartoe strekkende wettelijke bevoegdheden zijn gebaseerd, gericht op rechtsgevolg. Dit rechtsgevolg wordt ontleend aan het algemene, ook in het bestuursrecht geldende rechtsbeginsel, volgens hetwelk hetgeen onverschuldigd betaald is kan worden teruggevorderd.
ABRS 26-8-1997 AB 97, 461
Ook een vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking is bestuursrechtelijk van aard als de werking van dit rechtsbeginsel werking doet gevoelen in door het bestuursrecht beheerste verhoudingen. Voor bestuursorganen schept het een bevoegdheid waarover moet worden beslist. Een dergelijke beslissing is gericht op publiekrechtelijk rechtsgevolg en moet worden aangemerkt als een beroepbaar besluit.
ABRS 10-1-1997 AB 97, 402
Een besluit tot terugvordering van voorschotten is gericht op rechtsgevolg, ook indien deze niet op uitdrukkelijk daartoe strekkende bevoegdheden zijn gebaseerd. Ook in het bestuursrecht geldt immers het rechtsbeginsel dat hetgeen onverschuldigd is betaald kan worden teruggevorderd. Dit rechtsbeginsel is van bestuursrechtelijke aard indien het zijn werking doet gevoelen in door het bestuursrecht beheerste verhoudingen. Voor bestuursorganen schept het een bevoegdheid omtrent de aanwending waarvan moet worden beslist met inachtneming van de algemene bestuursrechtelijke normen voor discretionaire bevoegdheden. Zo een beslissing, die voldoet aan de bestuursvoorwaarden voor een rechtmatige terugvordering opdat naar bestuursrecht een betalingsverplichting ontstaat, is gericht op publiekrechtelijk rechtsgevolg, en derhalve een besluit. De afdeling ziet geen aanleiding om voor beroepen die krachtens overgangsrecht nog vallen onder de Wet Arob anders te oordelen.
Noot C. Visser
De tendens om een soort publiekrechtelijk verbintenissenrecht op te bouwen heeft fundament gekregen in de uitspraak van 1996, waarin de afdeling uitdrukkelijk overweegt thans anders te oordelen dan in het verleden over het publiekrechtelijk karakter van het terugvorderingsbesluit. Naast de CRvB is ook het College van Beroep voor het Bedrijfsleven reeds lang van mening dat terugvorderingsbeslissingen publiekrechtelijk zijn voor zover zij zijn genomen door de bestuursorganen in de uitoefening van hun taken (CBB 27-12-1997, AB 1978, 334; CBB 15-6-1990, AB 1991, 301)
Niet alleen de opbouw van een publiekrechtelijk verbintenissenrecht, maar ook het streven naar een logische en doelmatige verdeling van de rechtsmacht wordt gebruikt als argument. Uit de artt. 8:1, 8:3 en 8:6 AWB valt af te leiden dat de wetgever heeft gestreefd naar een situatie waarbij over opeenvolgende beslissingen in het kader van dezelfde rechtsverhouding zoveel mogelijk steeds dezelfde rechter oordeelt. Er zal dus zoals bij het zuiver schadebesluit een connexiteit moeten bestaan met een appellabel besluit als het vorderingsbesluit niet direct gebaseerd is op een bestuursrechtelijk regeling.
Wat de terugvordering betreft zegt de toelichting bij de derde tranche: De terugvordering geschiedt langs de normale weg, door het instellen van een vordering bij de burgerlijke rechter (kamerstukken II 1993/94, 23 700, p. 85).
Alvorens een verplichting tot terugbetaling ontstaat dient vanwege het discretionaire karakter van de bevoegdheid tot terugvordering eerst een besluit te worden genomen alvorens een vordering kan worden ingediend bij de burgerlijke rechter.
Deze zal dan de formele rechtskracht van het besluit aanvaarden in die zin dat zowel wat haar wijze van totstandkoming als wat haar inhoud betreft er overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen. Hij zal dat in beginsel niet verder onderzoeken.
Zie verder Rb Roermond 8-1-1998, NJ, 9-5-1998 afl. 19, jur 42
Art. 15 CSV geeft een discretionaire bevoegdheid om middels een dwangbevel in te vorderen, dat laat onverlet dat het bestuursorgaan niet gehouden is om van die bevoegdheid gebruik te maken. Iedere schuldeiser is, ook als de vordering ontleend is aan publiek recht bevoegd zijn vordering langs het civiele recht te innen.

De beslissing tot terugvordering van degene die onbevoegd de uitkering incasseert is geen besluit
Om een betalingsbeslissing als een besluit in de zin van de AWB te kunnen aanmerken moet voldaan zijn aan het vereiste dat er een door het bestuursrecht beheerste verhouding bestaat tussen de betrokken persoon en het bestuursorgaan. Het bestuursorgaan, had door toedoen van de betrokkene onbekend met het overlijden van de uitkeringsgerechtigde, de uitbetaling van de WAO-uitkering voortgezet. Betrokkene, geen erfgename, had met gebruikmaking van de bankpas en bijbehorende pincode van de overledene bedragen van diens rekening opgenomen. De beslissing tot terugvordering werd vanwege het ontbreken van een door het bestuursrecht beheerste verhouding niet als een besluit in de zin van de AWB aangemerkt (CRvB 10 maart 1999, AA8752).

Brandweer gemeente olie wegdek
Het reinigen van de weg is een publiekrechtelijke taak van de gemeente o.g.v. de Brandweerwet. Zowel de kosten van de brandweer en van een particulier bedrijf zijn niet vorderbaar omdat de Brandweerwet verhaal uitsluit. Verhaal langs privaatrechtelijke weg zou een onaanvaardbare doorkruising van de publiekrechtelijke regeling zijn.
(Rb Amsterdam 8-10-1997 VR 98, 115; vgl. HR 26-1-1990, NJ 1990, 393; Kg Delft, 2-11-1995, VR 1997, 36; Kg Gorcum, 26-8-1996, VR 97, 37 en Kg Tilburg 7-11-1996, VR 1997, 38).

Verjaring ouderbijdrage redelijkheid
De vordering van een ouderbijdrage van 1991 tot 1995 door de Staat op de ouders in verband met plaatsing bij een hulpverleningsinstelling betreft een tegemoetkoming in de kosten van hulpverlening en niet de aanspraak tot nakoming van de onderhoudsplicht.
Het risico van de onjuiste bezorging van het besluit tot terugvordering rust bij de Staat die zich had kunnen vergewissen wat het juiste adres was in de gem. basisadministratie.
De vordering voor de bijdrage tot vijf jaar voor dagvaarding is verjaard op grond van art. 3:308 BW.
Omdat de Staat lange tijd heeft stilgezeten en de ouders geen bezwaar hebben kunnen maken stuiten de latere bijdragen tegen de redelijkheid en de billijkheid.
(Kg Wageningen 10-5-2000 NJ 2000, 636; noot C. Visser. Wat is de rechtsgrondslag van de vordering? Ik ken daar geen verbintenis voor anders dan uit publiekrecht dat geen rechtsvordering kent en dus ook geen toepasselijkheid van art. 3:308 BW).