Verjaring

CRvB, 09-04-2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1139 verjaring begint te lopen op het moment dat een rechtsvordering kan worden ingesteld

De korte verjaringstermijn van artikel 3:310, eerste lid, van het BW staat niet alleen in het teken van de rechtszekerheid, maar ook van de billijkheid. De eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon, moet aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid. De korte erjaringstermijn begint, gelet op de strekking van deze bepaling, pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de schade in te stellen. Deze verjaringstermijn vangt aan, zodra de benadeelde voldoende zekerheid - die niet een absolute zekerheid hoeft te zijn - heeft verkregen dat de schade (mede) is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen. Verwijzing naar de uitspraak van de HR van 31 oktober 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AL8168). 

CRvB, 09-04-2015 ECLI:NL:CRVB:2015:1129 voor verjaring aansluiting bij BW en HR

I.c. is de mogelijkheid van aansprakelijkstelling niet  verjaard. Bij aanspraken die gebaseerd zijn op een rechtspositioneel voorschrift of een aansprakelijkstelling voor geleden schade wordt de aanvang van de verjaringstermijn gelegd bij het moment waarop de ambtenaar met betrekking tot de desbetreffende rechtspositionele aanspraak dan wel zijn schade in actie
had kunnen komen. Bij de beoordeling van de vraag wanneer de ambtenaar in actie had moeten kunnen komen, ziet de Raad aanleiding uit oogpunt van eenvormige rechtstoepassing aansluiting te zoeken bij de verjaringsbepalingen in het Burgerlijk Wetboek, in het bijzonder artikel 3:310, en de uitleg die de HR daaraan geeft. 

Verjaring overheid 5 jaar wet van 31-10-1924 ambtenaar
Volgens de verjaringswet van 1924 komt aan overheden, niet aan de ambtenaar, een beroep op verjaring toe na afloop van 5 jaar (HR 4-4-1997 VR 97, 126.)
Vordering ambtenaar op verzekeraar niet verjaard. Art.10 WAM beschermt tegen aanspraak derden Hof Leeuwarden 22-3-1995, VR 97, 127

Verjaring publiekrecht rechtsvordering
(De verjaringswet van 1924 noch die van 3:11 BW e.v. en art. 123 Ambtenarenwet is geschreven voor de bestuursrechter in ambtenarenzaken. De rechtsvordering past niet in het bestuursrecht omdat bij het begrip rechtsvordering gedacht moet worden aan een contentieuze procedure bij de gewone rechter. De omstandigheid dat in het burgerlijk recht de verjaring is gekoppeld aan de mogelijkheid om de civiele rechter te adiëren zou in het bestuursrecht tot ongerijmde gevolgen leiden).
De verjaring begint in het algemeen te lopen wanneer redelijkerwijze kan worden gezegd dat op de geldende voorschriften tezamen met het vervuld zijn van de daarin gestelde voorwaarden in beginsel een (afdwingbare) financiële aanspraak kan worden gebaseerd. Reeds in de fase van besluitvorming kan het bestuursorgaan een beroep op verjaring doen en op die grond een schade afwijzen, maar is daartoe niet verplicht. De verjaring is 5 jaar (CRvB 19-10-1995 TAR 95, 263 en CRvB 23-1-1997, AB 97, 194; idem CRvB 14-12-1995 JB 96, 32).

Verjaring overheid onrechtmatige daad besluit opeisbaarheid
Een vernietigd besluit constitueert een onrechtmatige daad die gepleegd is op het moment van het besluit. De daad wordt niet pas onrechtmatig op moment van vernietiging, maar van de aanvang van het besluit.
De in de rechtspraak ontwikkelde taakverdeling tussen enerzijds de burgerlijke rechter anderzijds de administratieve rechter brengt mee dat de burgerlijke rechter een vordering tot schadevergoeding gebaseerd op onrechtmatigheid van een beschikking waartegen een administratieve rechtsgang openstaat in beginsel slechts kan toewijzen indien en nadat die rechtsgang is gevolgd en daarbij is beslist dat de beschikking onrechtmatig is.
Een redelijke uitleg van art. 1 van de Wet van 31-10-24 brengt dan ook mee dat een dergelijke vordering eerst opvorderbaar is na de vernietiging (HR 28-10-1994 RvdW 94, 222).

Verjaring ouderbijdrage redelijkheid
De vordering van een ouderbijdrage van 1991 tot 1995 door de Staat op de ouders in verband met plaatsing bij een hulpverleningsinstelling betreft een tegemoetkoming in de kosten van hulpverlening en niet de aanspraak tot nakoming van de onderhoudsplicht.
Het risico van de onjuiste bezorging van het besluit tot terugvordering rust bij de Staat die zich had kunnen vergewissen wat het juiste adres was in de gem. basisadministratie.
De vordering voor de bijdrage tot vijf jaar voor dagvaarding is verjaard op grond van art. 3:308 BW.
Omdat de Staat lange tijd heeft stilgezeten en de ouders geen bezwaar hebben kunnen maken stuiten de latere bijdragen tegen de redelijkheid en de billijkheid.
(Kg Wageningen 10-5-2000 NJ 2000, 636; noot C. Visser. Wat is de rechtsgrondslag van de vordering? Ik ken daar geen verbintenis voor anders dan uit publiekrecht dat geen rechtsvordering kent en dus ook geen toepasselijkheid van art. 3:308 BW).