Voorzieningen

Overzicht met name genoemde hulpmiddelen klik hier
Regelgeving klik hier

AAW-voorzieningen.
AWBZ
AWBZ budget
Bijstand scholing
REA
Rea Scholing.
WMO.
WVG
WVG Vervoersvoorzieningen
WVG-woonvoorzieningen

Ziekenfondswet

AAW-voorzieningen
Zonder geformulerd beleid geen dagverblijftoets
In CRvB 9 juli 1999, AA8730 (USZ 1999, 236), heeft de Raad uitgesproken dat bij de toepassing van artikel 13 van de AAW met betrekking tot de periode van 6 november 1990 tot 1 januari 1993 ten onrechte de zogenoemde dagverblijftoets is toegepast, omdat er vóór 1 januari 1993 nog geen sprake was van een beleid op grond waarvan enige differentiatie in de mate van verhoging van de AAW-uitkering mogelijk was.
Willekeur bij niet consistent beleid.
De Raad heeft voorts beslist dat besluiten waarbij de dagverblijftoets in de periode van 1 januari 1993 tot (in elk geval) 10 maart 1995 ten nadele van de betrokkene is gehanteerd, in strijd zijn met het verbod van willekeur, omdat in die periode geen sprake is geweest van een consistente beleidsvorming en -uitvoering (CRvB 09-07-1999, AA8739 ).

Algemeen gebruikelijke zaken, kraan, vallen niet onder voorziening
Een hydraulische hijskraan op de vrachtauto van een betrokkene, die handelt in natuurstenen, bestrating en grind, is naar het oordeel van de Raad inherent aan een goede bedrijfsvoering en derhalve algemeen gebruikelijk te achten, ook al zijn er soortgelijke bedrijven aan te wijzen die niet met een dergelijke kraan werken. (CRvB 23-04-1999, AA8686 )

Aanwezigheid van werk geen beperking tot kosten doventolk
vernietigde de Raad het besluit tot afwijzing van het verzoek van een dove arts om vergoeding van de kosten van inschakeling van een doventolk in verband met zijn wens om zich te specialiseren, welk besluit berustte op de grond dat er na de opleiding tot arts voldoende arbeidsmarktperspectief zou zijn, aangezien in dat besluit ten dele werd vastgehouden aan het op dat moment reeds verlaten beleid inzake de arbeidsmarkttoets.(CRvB 29-12-1998, AA8641)
Reïntegratie en hoogopgeleiden
Het nieuwe beleid per 1 augustus 1995, dat bij personen die voor hun 27-ste jaar met een HBO- of universitaire opleiding zijn begonnen niet zelfstandig wordt beoordeeld in hoeverre de voorziening strekt tot daadwerkelijke reïntegratie dan wel toetreding tot het arbeidsproces, achtte de Raad (nog net) aanvaardbaar. Dat hierbij de beperkende voorwaarde geldt dat geen onredelijk beroep op de verzekering wordt gedaan, vond de Raad eveneens acceptabel. (CRvB 19-03-1999, AA8521)

Scholing alleen indien adequate compensatie verlies arbeidsvermogen
Kosten, samenhangende met een opleiding, worden in beginsel slechts bij wijze van werkvoorziening in de zin van artikel 57, eerste lid, van de AAW vergoed indien daarmee een adequate compensatie kan worden verkregen van het door de handicap veroorzaakte of dreigende verlies van verdiencapaciteit. Het standpunt van het uitvoeringsorgaan dat met de gevraagde opleiding tot bedrijfsverpleegkundige geen redelijke kans bestaat op daadwerkelijke plaatsing in een dergelijke functie, was naar het oordeel van de Raad niet gebaseerd op in dit kader voldoende te achten onderzoek. (CRvB 20-08-1999, AA8553 )

Ziekenfondswet
Kostwinner, inkomen uit vermogen?
Ingevolge artikel 6 van de Regeling medeverzekering ziekenfondsverzekering wordt een verzekerde als kostwinner aangemerkt indien het loon van de verzekerde, waarop de verplichte verzekering steunt, in de regel ten minste de helft bedraagt van het totale inkomen van de verzekerde, vermeerderd met dat van de echtgeno(o)t(e). volgde de Raad, gelet op het bepaalde in het eerste en derde lid van dit artikel, niet het standpunt van betrokkene, dat onder inkomen moet worden verstaan inkomsten uit arbeid, en dat onder dat begrip niet vallen inkomsten uit verhuur, verpachting en beleggingen. (CRvB 10-07-1998, AA8688 )

Behandelmethode oogarts Cuba niet gebruikelijk

In de lijn van een eerdere uitspraak van de Raad (CRvB 8 januari 1998, RZA 1998,59), is de Raad van oordeel dat de zogeheten Cuba-therapie (behandelmethode van een oogarts uit Cuba) niet beschouwd kan worden als in de kring van de Nederlandse beroepsgenoten gebruikelijk. (CRvB 08-10-1999, AA9002)

Geen vergoeding experimentele behandeling
Onder verwijzing naar zijn eerdere uitspraak van 19 december 1997, AA8693 ,omtrent het experimentele karakter van een door een Duitse specialist ontwikkelde behandeling van rugklachten, oordeelde de Raad dat in deze zaak de weigering van het uitvoeringsorgaan om voor die behandeling toestemming te geven, in stand kon blijven (CRvB 29-09-1998, AA8700 ).

Plastisch-chirurgische ingreep alleen bij psychisch lijden
Een verzoek om vergoeding van een plastisch-chirurgische ingreep, dat gebaseerd is op een psychisch lijden, kan uitsluitend worden gehonoreerd indien voldaan wordt aan het (zeer strenge) criterium als omschreven in artikel 2, zesde lid, aanhef en onder f, van het Besluit ziekenhuisverpleging ziekenfondsverzekering. In een tweetal zaken (mammae- en buikwandcorrectie) kwam de Raad - na inschakeling van een deskundige - tot de conclusie dat bij betrokkene sprake was van een psychisch lijden als bedoeld in evenvermeld artikel, waarvan aannemelijk is dat het na de plastisch-chirurgische ingreep geen verdere behandeling vraagt (CRvB 23-04-1999, AA8792 ).

Plastisch-chirurgische hulp bij verminking
Gelet op de geschiedenis van de Regeling niet-klinische plastisch-chirurgische hulp en de in de toelichting op artikel 2, zesde lid, onder b, van die Regeling gegeven voorbeelden van gevallen waarin een verminking aanwezig wordt geacht, achtte de Raad slechts sprake van een verminking in het geval van een ernstige misvorming van een lichaamsdeel. Een zichtbare verandering van een lichaamsdeel ten gevolge van (onder meer) een ziekte is dus geen verminking als in de Regeling bedoeld. (CRvB 08-10-1999, AA8558 )

Vrij verrichten van diensten en operatie in buitenland
nadere invulling van het indicatiegebied voor hart-retransplantatie mag slechts geschieden met inachtneming van de criteria die daarvoor zijn ontwikkeld in het Protocol Harttransplantatie van 29 oktober 1990. Indien er geen medische indicatie bestaat voor de beoogde retransplantatie (in Engeland), dan is er naar het oordeel van de Raad geen sprake van een belemmering van het vrij verrichten van diensten in de zin van artikel 60 van het EG-verdrag. (CRvB 05-10-1998, AA8800 )

Opname in Davos alleen bij houden aan voorschriften in eigen woning

Een opnemingsindicatie in de zin van artikel 3, eerste lid, van het Besluit ziekenhuisverpleging ziekenfondsverzekering, waaronder mede wordt begrepen opneming in het Nederlands Astmacentrum Davos, wordt geacht aanwezig te zijn indien en zolang voor de verzekerde de geneeskundige behandeling en de daarmee verband houdende verpleging in een ziekenhuis redelijkerwijs zijn aangewezen. Bij de afgifte van een opnemingsindicatie dient het ziekenfonds mede gelet op de aanbevelingen van het Centraal Begeleidingsorgaan voor de Intercollegiale Toetsing te onderzoeken en mee te wegen of en in hoeverre de noodzakelijk geachte elementaire saneringsvoorzieningen in de woning, welke betrokkene meermalen zijn aanbevolen daadwerkelijk zijn getroffen. (CRvB 31-12-1999, AA8519 )

Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
Buitenlandse donoren
In de wetsgeschiedenis van het Besluit ziekenhuisverpleging ziekenfondsverzekering zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat sprake is geweest van een bewuste uitsluiting van vergoeding van kosten verbonden aan de overkomst van in het buitenland woonachtige donoren. Bij de toenmalige stand van de transplantatiegeneeskunde was immers nog geen sprake van de gebruikmaking van donoren uit het buitenland. Het ging in deze zaak om een beenmergtransplantatie, waarbij de enige in aanmerking komende donor in Nieuw-Zeeland woonde. (CRvB 06-03-1998, AA8684 )

Onderling vervangbaar geneesmiddel en persoonlijke omstandigheden

Gelet op de doelstelling en systematiek van de Regeling farmaceutische hulp, alsmede de toelichting daarop, bestaat in beginsel geen ruimte om rekening te houden met individuele omstandigheden in die zin, dat een bij de Regeling als onderling vervangbaar aangemerkt geneesmiddel alsnog zonder bijbetaling van een eigen bijdrage door de verzekerde kan worden verkregen. De betrokkene gebruikte in verband met de wijze van toediening andere oogdruppels dan die zij op grond van de Regeling zonder bijbetaling van een eigen bijdrage kon verkrijgen. (CRvB 28-04-1999, AA8581)

Geen pgb bij verblijf in verzorgingsinrichting
In het geval dat - in het kader van de Regeling Ziekenfondsraad subsidiëring zorg op maat verpleging en verzorging 1997 - werd geweigerd een persoonsgebonden budget toe te kennen omdat betrokkene woonde in een instelling waarin aan personen duurzaam verblijf en verzorging wordt verschaft (particulier verzorgingstehuis), achtte de Raad geenszins aannemelijk dat betrokkene, anders dan incidenteel, de mogelijkheid had en heeft om, zonder daarvoor afzonderlijk te moeten betalen, contractueel door de instelling te verstrekken zorg van buiten de instelling te betrekken. De betreffende instelling is een instelling waar aan personen duurzaam verblijf en verzorging wordt verschaft, als in artikel 15, eerste lid, van de Regeling is bedoeld, hetgeen aan toekenning van een persoonsgebonden budget in de weg staat (CRvB 22-10-1999, AA8518 ).

Geen uitlooptermijn uitkeringen rechtmatig
Het feit dat bij de beëindiging van toegekende persoonsgebonden budgetten geen uitlooptermijn in acht was genomen niet in strijd met enige (on)geschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel. (CRvB 11-06-1999, AA8522 )

Uitkering is inkomen

Een uitkering ingevolge artikel 10 van de Wuv, inclusief de daarvan deel uitmakende vergoeding voor invaliditeitskosten, moet naar het oordeel van de Raad, gelet op de limitatieve omschrijving in het Bijdragebesluit Zorg van de tot het bijdrageplichtig inkomen behorende respectievelijk daarvan uitgesloten componenten, als inkomen in de zin van artikel 6 van dat Besluit worden aangemerkt. (CRvB 16-04-1999, AA8592)

AWBZ Budget
PGB en hardheidsclausule
De Regeling Ziekenfondsraad subsidiëring persoonsgebonden budget 1998 (hierna: de Regeling) kent in de bijlagen budgetcategorieën. Artikel 12, vierde lid, van de Regeling bepaalt dat het bestuursorgaan in gevallen van kennelijke hardheid aan een verzekerde ingevolge de AWBZ die wordt ingedeeld in de categorieën VII en VIII een hoger budget kan toekennen dan het bij die categorieën behorende budget.
Het toekennen van een pgb mag er blijkens de toelichting van de - voormalige - Ziekenfondsraad immers niet toe leiden dat de keuze voor zorg in natura of een persoonsgebonden budget tot (financieel) voor- of nadeel bij de zorgvrager leidt. Hierin ligt besloten dat, indien het indicatieorgaan tot de conclusie komt dat meer zorg en dergelijke noodzakelijk is dan kan worden bestreden uit het standaardbudget, ten aanzien van elk van de in artikel 11, eerste lid, van de Regeling genoemde zorgonderdelen, zoveel doenlijk, concreet wordt aangegeven in welke mate zorg en begeleiding nodig is. (2002-03-29 CRvB AE3751 zie ook 2002-09-30 CRvB AF2650 Besluit op bezwaaar door zelfde besturrsorgaan, hardheid onvoldoende onderzocht en 2001-12-12 CRvB AE8568 Discretionaire bevoegdheid beoordeling hardheid juist toegepast)

Verschil in uitoefening discretionaire bevoegdheid niet strijdig met rechtsgelijkheidsbeginsel
Het beroep dat appellanten hebben gedaan op andere gevallen waarin door andere contactkantoren met toepassing van de hardheidsclausule veel hogere bedragen zijn toegekend, vermag de Raad niet tot een ander oordeel te leiden. De Raad wijst erop dat het hier andere uitvoeringsorganen betreft die een eigen invulling kunnen geven (en hebben gegeven) aan hun discretionaire bevoegdheid.
Voorts acht de Raad het in de toelichting in dit verband genoemde beginsel van optimale rechtsgelijkheid voor alle verzekerden, mede gelet op de omstandigheid dat het gaat om de beoordeling van uitzonderlijke
en om die reden niet licht met elkaar te vergelijken situaties, niet zodanig dwingend dat gedaagden op grond hiervan gehouden zijn om die hogere bedragen als richtsnoer bij de toepassing van de hardheidsclausule te nemen. (2000-01-14 CRvB ZB8667 )

Indeling in budgetcategorie
Op basis van de Regeling Ziekenfondsraad subsidiëring zorg op maat verstandelijk gehandicapten 1996 was aan betrokkenen ten behoeve van hun dochter een zogeheten persoonsgebonden budget toegekend. Naar de mening van betrokkenen had hun dochter in een andere budgetcategorie met een hoger budget ingedeeld behoren te worden. De Raad oordeelde dat de door betrokkenen in dat verband in algemene termen vervatte vergelijking met andere kandidaten voor een gezinsvervangend tehuis, in het licht van de systematiek van de Regeling, het uitvoeringsorgaan niet noopte onderzoek te doen naar een mogelijke schending van het gelijkheidsbeginsel. Dat zou slechts het geval zijn indien het beroep op het gelijkheidsbeginsel met voldoende concrete feiten zou zijn onderbouwd. (CRvB 30-12-1998, AA8648 )

Onbekendheid regelgeving geen reden terugwerkende kracht
De in 1995 van kracht zijnde regeling noch de opvolgende regeling van 1996 kende een bepaling met betrekking tot de ingangsdatum van een persoonsgebonden budget. De Raad oordeelde dat onbekendheid met die regelgeving bij betrokkene geen belemmering kan vormen om die regelgeving conform het door het uitvoeringsorgaan ter zake gehanteerde beleid, jegens betrokkene niet met terugwerkende kracht toe te passen (CRvB 26-03-1999, AA8618 ).

Bijstand scholing
Noodzakelijkheid opleiding

Op grond van artikel 1 van de Regeling kan een opleiding op HBO-niveau slechts dan noodzakelijk worden geacht wanneer aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
"a. de opleiding wordt gegeven in een specifiek op werklozen gericht project;
b. de opleiding is beroepsgericht;
c. de opleiding duurt maximaal twee jaar;
d. de praktijkcomponent maakt niet meer dan de helft van het programma uit".
Nu de door appellante gevolgde opleiding niet aan de onder a en c van artikel 1 van de Regeling bedoelde voorwaarden voldoet heeft de gemeente op grond van de ABW terecht geweigerd om appellante toestemming te verlenen om deze opleiding met behoud van uitkering te volgen. (CRvB 27-07-2004 AQ5857)

REA
Budget onafhankelijk van aantal uren werk na herplaatsing
rt. 16 lid 3 Wet REA bepaalt dat de eenmalige subsidie van f 8.000,-- naar evenredigheid wordt verlaagd indien de dienstbetrekking, zoals deze ten tijde van het intreden van de ongeschiktheid voor de eigen arbeid van de werknemer bestond, minder uren omvatte dan de in de desbetreffende sector van het bedrijfs- of beroepsleven gebruikelijke
voltijdse dienstbetrekking, of indien een ten tijde van het intreden van de ongeschiktheid bestaande dienstbetrekking voor bepaalde tijd zal eindigen binnen een periode van een jaar na de herplaatsing.
Daarbij verwijst dit lid naar de dienstbetrekking, zoals deze is aangegaan en niet naar de omvang van het aantal uren waarin de herplaatsing plaatsvindt waarvoor de subsidie wordt toegekend. (CRvB 24-10-2000 CRvB ZB9005 vgl. AF0894 plaatsingsbudget)

Verband reïntegratieuitkering wekeneis WW
Betrokkene heeft geen recht op uitkering ingevolge de WW, omdat zij - onder meer - niet voldoet aan de zogenaamde wekeneis. Op grond hiervan komt zij onbetwist niet in aanmerking voor een reïntegratie-uitkering op grond van de in artikel 23, eerste lid, van de Wet REA neergelegde hoofdregel.
Aangezien in het onderhavige geval geen sprake is van een situatie waarin geen recht op WW-uitkering bestaat uitsluitend wegens het niet voldoen aan de beschikbaarheidseis als bedoeld in artikel 16, aanhef en eerste lid onder b, van de WW, heeft betrokkene geen recht op een reïntegratie-uitkering. (2002-01-23 CRvB AE3400 ).

Werkgever primair verplicht tot reïntegratie
In art. 8 en 9 van de Wet Rea is neergelegd dat in eerste instantie de werkgever verantwoordelijk is voor reïntegratie en dat het Lisv daarbij een toetsende en stimulerende taak heeft. Het houden van toezicht van art. 9 REA heeft uitsluitend betrekking op, na vaststelling van een reïntegratieplan te treffen, concrete maatregelen. Nu hiervan ten tijde in geding (nog) geen sprake was, heeft de Minister terecht aangenomen dat hij nog niet bevoegd was een eis als bedoeld in artikel 9, eerste lid, Wet Rea te stellen (2002-04-10 CRvB AE3700).

Verplichting uit Arbowet niet in de weg aan voorziening uit REA
Zo er sprake zou zijn van een verplichting uit hoofde van de Arbowet om latexvrije handschoenen aan de medewerkers met een latexallergie van het ziekenhuis te verstrekken heeft appellant niet gemotiveerd waarom dat gegeven in de weg zou staan aan gehele of gedeeltelijke verstrekking van de in het kader van de Wet REA gevraagde voorziening voor meerkosten.
De aanvraag is voldoende geïndividualiseerd omdat deze alleen betrekking heeft op 6 wrknemers van wie LISV onvoldoende onderzocht heeft of deze arbeidsongeschikt zijn in de zin van de Wet Rea.
LISV heeft onvoldoende onderbouwd dat latexvrije handschoenen ook voor niet arbeidsongeschikte werknemers gebruikelijk zijn. (CRvB 30-05-2002 CRvB AE5649 ).

Vereenzelviging werkgevers, subsidie en plaatsingsbudget
Art. 17 lid 1 Wet REA kent een plaatsingsbudget voorn de werkgever die met de arbeidsgehandicapte een dienstbetrekking voor de duur van tenminste zes maanden aangaat.
Lid 4 bevat een uitzondering op deze hoofdregel indien eerder subsidues aan de werkgver voor de arbeidsongeschikte zijn toegekend. Als de oorspronkelijke werkgever en de nieuwe werkgever juridisch en feitelijk zelfstandig zijn gelden subsidies aan de oorspronkelijke werkgever niet als subsidies aan de nieuwe wekgever (2002-12-31 CRvB AF4812).

Eisen alvorens werkvoorziening te verstrekken
Artikel 22 Wet REA is in de plaats getreden van artikel 57, eerste lid, van de AAW (oud), waarbij de bedrijfsverenigingen de bevoegdheid hadden werkvoorzieningen te realiseren. Een voorziening ten behoeve van het volgen van onderwijs door een gehandicapte is te beschouwen als een voorziening tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid in de zin van artikel 57 lid 1 AAW. Een voorziening in deze zin kan slechts aan de orde komen als daarvan met een redelijke mate van zekerheid valt te verwachten dat daarmee een adequate
compensatie kan worden verkregen van verlies aan verdiencapaciteit en is in overeenstemming met art. 22 Wet REA.
De keuze van LISV eerst de opleiding algemene ondernemersvaardigheden te laten volgen en pas na het met succes doorlopen daarvan een beslissing te nemen over het vervolg(opleidings)traject met de noodzakelijke voorzieningen, een pc met
ISDN- en internetaansluiting, blijft gehandhaafd omdat er onvoldoende uitzicht is dat betrokkene als zelfstandig ondernemer zalkunnen functioneren (CRvB 24-10-2000 ZB9006).

(Werk) vervoersvoorziening arbeidsgehandicapten
Voor 1997 werd op grond van art. 57 AAW (oud) vervoersvoorzieningen toegekend. Art. 2, lid 1 Wvg bepaalt dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de verlening van - onder meer - vervoersvoorzieningen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten.
Ingevolge art. 3 Wvg dienen deze doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht te zijn. In art. 2 lid 1 Wvg is voorts bepaald dat het gemeentebestuur bij verordening regels dient vast te stellen, hetgeen gedaan kan worden naar eigen (beleids)inzicht. Dit brengt mee dat aan een zodanige vervoersvoorziening dient te worden aangeboden dat gehandicapten in hun naaste woon- en leefomgeving in aanvaardbare mate in staat worden gesteld om sociale contacten te onderhouden.Dat geldt niet voor bovenregionale contacten, behalve als een sociaal isolement zou ontstaan.
In art. 2 van de in 1997 in werking getreden nieuwe Wet sociale werkvoorziening is bepaald dat met de werknemers een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht wordt afgesloten. Deze werknemers worden ingevolge art. 2 lid 5 Wet REA (1998) niet aangemerkt als arbeidsgehandicapten. Dit heeft ten gevolge dat voor de tegemoetkoming in de vervoerskosten de bepalingen van de CAO voor WSW-werknemers van toepassing zijn. In de Verordening Voorziening Gehandicaptenwortd (veelal) bepaald dat geen voorziening wordt toegekend voor zover op grond van enige andere wettelijke regeling aanspraak op de voorziening bestaat. Daarvan is sprake door de CAO. (2002-04-02 CRvB AE3749).

Eerst particulier krediet dan evt starterskrediet
Ingevolge art. 30 Wet REA, in samenhang met het Besluit starterskrediet arbeidsgehandicapten van 27 juli 1998, Stb. 489, kan het LISV aan een arbeidsgehandicapte ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal een lening van ten hoogste f. 60.000,-- verstrekken of borgtocht voor ten hoogste genoemd bedrag verlenen.
Uit de toelichting op het besluit blijkt dat het starterskrediet er toe strekt om startende ondernemers die wegens hun arbeidshandicap bij de banken geen of moeilijk krediet kunnen krijgen, te helpen door hetzij een krediet, hetzij een borgtocht te verstrekken. LISV heeft zich op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat men zich in het algemeen eerst tot een particuliere bankinstelling dient te wenden. (2002-10-01 CRvB AE9290).


REA, Scholing
Ingevolge artikel 22 van de Wet REA is het Lisv bevoegd om aan een arbeidsgehandicapte voorzieningen met betrekking tot scholing toe te kennen, onder meer ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid. Daarbij is aan de orde de vraag of met een redelijke mate van zekerheid valt te verwachten dat met de door betrokkene beoogde studie een adequate compensatie kan worden verkregen van het door de handicap veroorzaakte verlies aan verdiencapaciteit.
Studie doven in Amerika
De Raad oordeelde tegen de achtergrond van het doel van de Wet REA - de stimulering van de integratie van arbeidsgehandicapten in de vrije arbeidsmarkt - dat het uitvoeringsorgaan niet in voldoende mate de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden heeft vergaard en dat uit de motivering van het bestreden besluit niet kan worden afgeleid welke maatstaf is aangelegd en welk element beslissend is geacht voor de afwijzing van de gevraagde vergoeding van de kosten in verband met een studie aan een Universiteit voor doven in de Verenigde Staten van Amerika (CRvB 08-10-1999, AA8513).

Huiswerk niet noodzakelijk geen reden laptop pc
Voorzover het verzoek tot het verschaffen van een lapptop pc betrekking heeft op het voorgenomen gebruik voor het volgen van onderwijs in school, heeft het LISV zich terecht onbevoegd heeft geacht om de voorziening te verstrekken. Een gevraagde onderwijsvoorziening mag niet behoren tot de verstrekkingen waarvoor een regeling is getroffen onder verantwoordelijkheid van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
Dit geldt evenzeer, voorzover het verzoek betrekking heeft op gebruik in de sfeer van de communicatie, aangezien ten aanzien van een dergelijke verstrekking de zorgverzekeraar op grond van de Regeling hulpmiddelen 1996 het bevoegde bestuursorgaan is.
Blijjkens het geformuleede beleid van LISV moet er sprake zijn van een noodzaak tot het maken van huiswerk vanuit het schoolprogramma, waarbij de betrokken leerling verplicht is voor een bepaalde datum het werk af te hebben, en waarbij ook controle daarop plaatsvindt.
Nu er geen sprake was van regulier verplicht huiswerk en de noodzaak tot het thuis oefenen met softwarepakketten moet worden beschouwd als het aanleren van schoolse vaardigheden, welke noodzaak zich ook voordoet bij niet gehandicapte leerlingen past de aanvraag niet binnen het beleid en kan in redeljkheid de aanvraag afgewezen worden. (2001-08-08 CRvB AD3639).

WMO


Voorstel-van-wet-regels-inzake-wet-maatschappelijke-ondersteuning-2015 (pdf)
Memorie-van-toelichting-van-wet-maatschappelijke-ondersteuning-2015 (pdf)
Concept memorie van toelichting wet maatschappelijke ondersteuning-2015, 6-8-2013 (pdf)
Nader-rapport-over-wet-maatschappelijke-ondersteuning-2015, 13-1-2014 (pdf)

CRvB 19 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:776 geen recht op voorziening uit WMO als actie uit OD bestaat

Volgens art. 2 WMO moet sprake zijn van een noodzaak tot ondersteuning. De eigen verantwoordelijkheid van burgers speelt een grote rol. Alleen voor die gevallen die door de burgers onmogelijk zelf kunnen worden geregeld, behoort de overheid verantwoordelijkheid te nemen. Het is niet van belang of in de vaststellingsovereenkomst een bedrag voor de lift is begrepen. Betrokkene had immers zelf mogelijkheden in de schaderegeling voor een oplossing te zorgen. Het had op zijn weg gelegen om de kosten die gemoeid zijn met het aanpassen van zijn woning in het letselschadebedrag te verdisconteren. Dat dit bij de onderhandelingen met de verzekeraar geen onderwerp van gesprek is geweest, omdat appellant een aanvraag voor deze woningaanpassing bij het college had ingediend, maakt dit gezien de eigen verantwoordelijkheid van appellant voor het naar vermogen zelf regelen van een oplossing voor de noodzakelijke woningaanpassing niet anders.

CRvB 4-5-2011 ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4115 geen recht op voorziening als belanghebbende de aansprakelijkevoor de voorziening niet tot uitvoering van zijn verplichtingen aanspreekt.

Arbitraal vonnis, Bouwfonds veroordeeld tot het laten voldoen van ventilatie woning aan eisen. Huurder verhuist ivm ventilatie en vraagt daarvoor voorziening aan.
De Raad komt in het kader van de Wmo tot het oordeel dat het in strijd is met artikel 2 en artikel 4, eerste lid, van de Wmo, indien in een verordening wordt bepaald dat geen voorziening wordt toegekend voor zover op grond van enige privaatrechtelijke verbintenis aanspraak op de voorziening bestaat. Een dergelijke categoriale en fundamentele uitsluiting waarin de Wmo zelf niet voorziet, verdraagt zich naar het oordeel van de Raad niet met de wettelijke compensatieplicht en is daarom onverbindend.
maar
3.7 Voor zover het feit dat Bouwfonds niet (tijdig) voldoet aan de verplichting tot het alsnog aanbrengen van een deugdelijk ventilatiesysteem al zou moeten leiden tot de conclusie dat appellant voornoemde uitsluitingsgrond - al dan niet met toepassing van de hardheidsclausule - niet langer aan betrokkene zou kunnen tegenwerpen, is het de Raad niet gebleken dat betrokkene Bouwfonds in en buiten rechte heeft aangesproken op het feit dat het arbitrale vonnis niet wordt nagekomen.

WVG

CRvB 07-02-2007 AZ8205 Aansprakelijkheidsverzekering gaat niet voor (zie notitie, inlog nodig )

Anders dan in CRvB  28 mei 1999 (CV: AA8627) is de Raad nu van oordeel dat het in strijd is met art. 2, eerste lid, van de Wvg, om in een gemeentelijke verordening te bepalen dat geen voorziening wordt toegekend voor zover op grond van enige privaatrechtelijke verbintenis aanspraak op de voorziening bestaat. Het ontbreken van verhaal ex art. 6:107 BW (verplaatste schade) vormt geen juridische rechtvaardiging voor deze bepaling. Hierin ligt niet besloten dat het ook in strijd is met de Wvg om in een gemeentelijke verordening te bepalen dat geen voorziening wordt toegekend voor zover, in de terminologie van artikel 2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, dan wel dat geen voorziening wordt toegekend indien de aangevraagde voorziening voor een persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is.
Of een aangevraagde voorziening algemeen gebruikelijk is, kan mede afhangen van het bestaan van een privaatrechtelijke verbintenis (waaronder uit overeenkomst) aanspraak op de voorziening kan worden gemaakt. De Raad verwijst naar zijn uitspraken van 21 november 2006 AZ3136) en 20 december 2006 AZ5998. Indien een gevraagde voorziening is aangebracht op kosten van de wederpartij, is er geen sprake meer van op te heffen beperkingen, zodat er geen grond is voor toekenning van die voorziening.  Betrokkene dient volledige opening van zaken te geven als het College concreet verzoekt inzage te geven in de stukken over de schadeafwikkeling.

ZW jurisprudentie van toepassing op WVG
Er is geen reden de in het kader van de ZW en andere arbeidsongeschiktheidswetten ontwikkelde jurisprudentie met betrekking tot het objectiveringsvereiste van medische klachten, niet ook van toepassing te achten op de bij en krachtens de WVG genomen besluiten. Er moet dus op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten sprake zijn van beperkingen waardoor een voorziening die gericht is op het opheffen of verminderen van die beperkingen, aangewezen is. (CRvB 3 april 1998, AA8678).

Voorzieningen WVG woonvoorziening CB ref. F28298, Gem. Den Haag kenmerk 951142
De gemeente Den Haag heeft een aanvraag voor een woonvoorziening afgewezen omdat er aanspraak zou bestaan op een voorliggende voorziening in de vorm van een aansprakelijkheidsverzekering welke tot uitkering ter zake het opgelopen letsel dient over te gaan. CB heeft daartegen bezwaar gemaakt, tevens tegen de bereidheid om de woonvoorziening tegen cessie te verstrekken. Het bezwaar is gegrond verklaard omdat de WVG geen verhaalsbepaling kent en ook de verordening voorzieningen gehandicapten geen grond geven om een aansprakelijkheidsverzekering te beschouwen als een voorliggende voorziening. Er is geen sprake van enige andere wettelijke regeling, of privaatrechtelijke overeenkomst.

Vervoersvoorziening
Voorziening afhankelijk van hulp anderen
Tot het volgens vaste jurisprudentie geldende criterium "in aanvaardbare mate kunnen deelnemen aan het leven van alledag" rekent de Raad in beginsel ook de vervoersbehoefte van een gehandicapte, welke behoefte verband houdt met zorgtaken ten behoeve van (jonge) kinderen. Die zorgtaken, zoals het naar school brengen van de kinderen, moeten wèl in relatie worden gezien tot de bijdrage daarin die van de echtgenoot of echtgenote, dan wel van andere daartoe in redelijkheid in aanmerking komende betrokkenen mag worden gevergd. (CRvB 04-12-1998, AA8703).

Vervoersvoorziening ook voor klein kind van gehandicapte
Uit art. 3 WVG vloeit voort dat zodanige voorzieningen moeten worden geboden dat de ter plaatse wonende gehandicapten met een vervoersvoorziening tenminste in staat worden gesteld om in hun directe woon- en leefomgeving in aanvaardbare mate sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag. Voor de vraag welke voorzieningen in dat kader moeten worden geboden, zijn de omstandigheden van het geval mede van belang.
Het argument dat geen voorziening gegeven behoeft te worden voor het meenemen van het tweejarig kind snijdt geen hout. (2002-09-25 CRvB AF1615).

Vergoeding voor 1000 km pj adequaat
De vergoeding van de kosten van een eigen auto tot een bedrag waarmee 1000 km pj kan worden gereden is in beginsel een verantwoorde voorziening. Het verlagen van het niveau van collectief vervoer waarmee tussen de 1000 en 3000 km kan worden gereden naar 1000 km met de eigen auto houdt geen stand. (2000-03-31 CRvB ZB8734).

Bruikleenbus tov rolstoeltaxi afhankelijk van kosten baten
Betrokkene is zowel binnen als buiten op een rolstoel is aangewezen. Tegen vervoer per rolstoeltaxi, welke is voorzien van een ambulancevering, bestaan in medisch opzicht geen overwegende bezwaren. Zodanig vervoer is in beginsel beschikbaar is.
Voor een werkvoorziening gelden meer stringente maatstaven dan voor een leefvoorziening. Met een rolstoeltaxi kan gedaagde niet aan de vaste werktijden voldoen. Ook heeft de rolstoeltaxi als leefvoorziening beperkingen. De kosten/baten afweging van een rolstoeltaxi tov een bruikleenbusje is onvoldoende gemotiveerd. (2001-12-13 CRvB AE8469).

Vervoersvoorziening voor naaste omgeving
De weigering van het bestuursorgaan om naast de toegekende kilometervergoeding voor de eigen auto een aanvullende vervoersvoorziening - een aanhangwagen om de scootmobiel te vervoeren teneinde die ook bij zijn elders in het land wonende kinderen te kunnen gebruiken - te treffen kon de rechterlijke toets doorstaan. De wens tot "optimalisering" van de reeds verstrekte voorziening woog niet op tegen het uitgangspunt dat vervoersvoorzieningen in beginsel bedoeld zijn voor het leven van alledag in de naaste omgeving (CRvB 12-06-1998, AA9001 ).

Collectief vervoer onvoldoende bij uitserst beperkte mobiliteit
In geval van een uiterst beperkte mobiliteit, waaronder doorgaans wordt verstaan een maximale loopafstand van circa 100 meter en het niet kunnen fietsen, acht de Raad toekenning van uitsluitend collectief vervoer in beginsel geen adequate voorziening. In dat geval moet in beginsel enige vorm van aanvullende vervoersvoorziening worden getroffen (CRvB 23-07-1999, AA8554 zie ook AA6173).

Vervoersvoorziening voor bewoners AWBZ-instellingen afwijkend
Tegen de achtergrond van zijn jurisprudentie in het kader van vervoersvoorzieningen, achtte de Raad het in beginsel gerechtvaardigd dat voor bewoners van AWBZ-instellingen een van de standaardvergoeding voor zelfstandig wonende gehandicapten afwijkend normbedrag geldt (CRvB 10-07-1998, AA8650 ).

Vervoersvoorziening WVG voor maatschappelijk verkeer
Bewoners van een regionale AWBZ-instelling voor beschermd wonen, welke instelling op grond van artikel 2, tweede lid, van de WVG is uitgesloten van de zorgplicht als omschreven in het eerste lid van dat artikel, kunnen, in het geval dat de instelling behoort tot een categorie die is opgenomen in artikel 1 van de Regeling sociaal vervoer AWBZ-instellingen, alsnog een beroep doen op de zorgplicht van het gemeentebestuur voor vervoersvoorzieningen. De Raad gaat er vanuit dat die Regeling in beginsel dezelfde reikwijdte heeft als de in artikel 2 en 3 van de WVG omschreven zorgplicht
De Raad oordeelde voorts dat het vervoer naar een (niet op grond van de AWBZ gefinancierd) dagactiviteitencentrum onder de gegeven omstandigheden deelname aan het maatschappelijk verkeer inhoudt en dus onder het bereik van de WVG valt. ( CRvB 02-11-1998, AA8593 ).

Bezoek AWBZ-inrichting kan onder WVG voorziening vallen
Onder de WVG die, anders dan artikel 57 (oud) van de AAW, niet voorziet in een strikte uitsluiting van voorzieningen op het terrein van de gezondheidszorg, heeft de Raad geen aanleiding gevonden om het weekendvervoer, met als doel het onderhouden van contacten tussen een in een AWBZ-instelling verblijvende gehandicapte en zijn ouders of daarmee gelijk te stellen personen, categoraal van de zorgplicht ingevolge de WVG uit te sluiten (CRvB 27-11-1998, AA8577 ).

Bezoek ouders teneinde vereenzaming te voorkomen.
Ten aanzien van bewoners van zwakzinnigeninrichtingen kan als uitgangspunt gelden dat het contact met het buiten de naaste omgeving gelegen ouderlijk milieu voor hen van wezenlijk belang is, doch dat dit op zichzelf nog niet betekent dat in alle gevallen het bezoeken van het ouderlijk huis noodzakelijk is om vereenzaming te voorkomen. Indien deze noodzaak zich daadwerkelijk blijkt voor te doen, zal enige voorziening ten behoeve van het weekendvervoer moeten worden getroffen, waarbij ervan uitgegaan mag worden dat de betrokken instelling over bezoekfaciliteiten beschikt. (CRvB 15-01-1999 AA8545 vgl. AA8549 en AA8515 )

WVG-woonvoorzieningen
Verhuiskostenvergoeding bij medische beperkingen
Het gemeentebestuur mag aan de toekenning van een verhuiskostenvergoeding in de verordening niet de voorwaarde van het bestaan van ergonomische belemmeringen verbinden. Een in de verordening opgenomen clausulering "van ergonomische aard" dient, wegens strijd met de duidelijke tekst van artikel 1, eerste lid aanhef en onder c, van de WVG, waarin uitsluitend ten aanzien van woningaanpassingen de eis is gesteld dat sprake is van ergonomische belemmeringen, buiten toepassing te worden gelaten. De Raad tekende hierbij aan dat de overige in de verordening opgenomen voorwaarden, onder meer inhoudende dat er sprake moet zijn van medische beperkingen bij het normale gebruik van de woning, wèl overeind kunnen blijven. (CRvB 26-03-1999, AA8566 )

Aanpassing woning bij direct verband met beperking
Het in artikel 1, eerste lid aanhef en onder c, van de WVG ten aanzien van woningaanpassingen neergelegde criterium ergonomische beperkingen, heeft de Raad aldus uitgelegd dat (ook) in het kader van de WVG voor het vergoeden van dergelijke aanpassingen het vereiste geldt dat er zich bij een gehandicapte een - hetzij uit een lichamelijke, hetzij uit een geestelijke handicap voortvloeiende - belemmering voordoet ten aanzien van (één van) de elementaire woonfuncties, welke in direct verband staat met een lichamelijke functionele beperking. Mede gelet op de vermelding van de uitraaskamer in de toelichting bij de voormalige Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten, kwam de Raad tot het oordeel dat het omschreven vereiste eraan in de weg staat om op basis van de WVG de kosten te vergoeden van een aanbouw aan een huis. (CRvB 26-03-1999, AA8556).

Woningaanpassing alleen bij ontbreken alternatieven
In het kader van een verzoek om een woningaanpassing bestaande uit het treffen van veiligheidsvoorzieningen ten behoeve van een geestelijk gehandicapt kind, achtte de Raad het niet uitgesloten dat voldaan wordt aan de elementen van het wettelijke criterium ergonomische beperkingen. Dan moet wel aangetoond dan wel aannemelijk zijn dat het uit het gestoord gedrag voortvloeiende risico van fysiek letsel niet kan worden beheerst door in redelijkheid te vergen oppas- of andere maatregelen. (CRvB 23-04-1999, AA8552).
In een uitspraak van 19-11-1999 AA8542 (USZ 2000/21, JSV 2000/62) heeft de Raad voorts overwogen dat als een dergelijke maatregel (onder meer) kan worden beschouwd het plaatsen van een eenvoudige tuinomheining.

Uitzondering op algemeen gebruikelijk zijn (van een CV)
Op de regel dat het in beginsel algemeen gebruikelijk te beschouwen is dat in oudere huurwoningen door de verhuurder centrale verwarming wordt aangelegd zijn uitzonderingen mogelijk, bijvoorbeeld in het geval dat een gehandicapte met een minimum-inkomen de aanleg van de medisch noodzakelijke centrale verwarming zelf heeft bekostigd, omdat een en ander niet, althans niet binnen een uit medisch oogpunt aanvaardbare termijn, van de verhuurder was af te dwingen (CRvB 28-05-1999, AA8547 ).

Het beginsel dat een gemeente niet gehouden is een woonvoorziening te verstrekken als de problemen van tocht en vocht te wijten zijn aan achterstallig onderhoud, dient naar het oordeel van de Raad ten aanzien van een verhuiskostenvergoeding uitzondering te lijden indien betrokkene goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder te doen wegnemen, en er met het oog op de gezondheidstoestand van betrokkene binnen redelijkerwijs aanvaardbare tijd geen uitzicht was op opheffing van die gebreken (CRvB 28-05-1999, AA8627 ).

Trapliften niet in gemeenschappelijke ruimten.

De omstandigheid dat een gemeente in de verordening had neergelegd dat geen trapliften aan gemeenschappelijke ruimten worden vergoed wegens de daarmee gepaard gaande (technische) problemen en de substantiële kosten, achtte de Raad - mede gelet op het feit dat betrokkene wèl in aanmerking kon komen voor een verhuiskostenvergoeding - in beginsel niet in strijd met de in de WVG neergelegde bepalingen. (CRvB 03-09-1999, AA8517).

Doen van was is essentiële huishoudelijke werkzaamheid
Tot de elementaire woonfuncties waarop het criterium ergonomische belemmeringen ziet, kunnen naar het oordeel van de Raad in beginsel ook worden gerekend de essentiële huishoudelijke werkzaamheden, zoals het doen van de was. Wanneer het gaat om het toegankelijk maken van ruimtes dient met deze werkzaamheden, als behorend tot het normale gebruik van de woning, bij de beoordeling van aanspraken op woning-aanpassingen rekening te worden gehouden. Bij het zoeken naar de goedkoopst verantwoorde oplossing voor een belemmering moet evenwel mede gelet worden op de mate waarin van gezinsleden, huisgenoten of anderen gevergd kan worden dat zij betrokkene helpen met het wassen en/of drogen van kleding. (CRvB 15-10-1999, AA8560 ).

Verblijf in aanleunwoning geen grond uitsluiten WVG voorziening
De Raad acht het in strijd met de in artikel 2 van de WVG gegeven begrenzing van de uit die wet voortvloeiende zorgplicht, om ook gehandicapten die niet in een AWBZ-instelling verblijven, maar die in zekere mate (gesubstitueerde) zorg van zo'n instelling ontvangen, zoals een bewoner van een aanleunwoning bij een verpleeghuis, uit te sluiten van de uit hoofde van de WVG op de gemeente rustende zorgplicht (CRvB 15-10-1999, AA8548 ).
Verhuizing onder voorwaarden aanvaardbaar
Verhuizing is in beginsel rechtens aanvaardbaar, indoen daarvoor als randvoorwaarde geldt dat er sprake is van een adequate oplossing van de zich voordoende woonproblematiek. De uit een verhuizing voortvloeiende woonlastenstijging dient te worden getoetst aan de toepasselijke draagkrachtnormen, waarbij rekening kan worden gehouden met een eventuele reële toename van het woongenot. (CRvB 18-08-1998, AA8798 ).

Inkomensgrens bij verhuiskosten
Het stellen van een inkomensgrens voor een (forfaitaire) verhuiskostenvergoeding is niet in strijd is met het bij of krachtens de WVG bepaalde. De Raad achtte evenwel niet aangetoond dat de in geding zijnde inkomensgrens van 1,5 maal het norminkomen in overeenstemming is met de verplichting van het gemeentebestuur om verantwoorde voorzieningen te treffen. (CRvB 31-12-1999, AA8505 ).

 

Sociale verzekering