Verzekering

Sociale verzekering.

Premie.
Verzekeringsplicht en dienstbetrekking.
Loonbegrip .
Malus.
Organisatiewet sociale verzekering, indeling in sectoren .
Daglonen.
Uitschrijving en schadevergoeding .
Eigen bijdrage.

Verzekeringsplicht en dienstbetrekking

DGA en verzekering
In CRvB 9 april 1998, AA8690 (RSV 1999/26), ging het om de vraag of directeuren die door tussenschakeling van eigen vennootschappen managementtaken vervulden in een holding, verplicht verzekerd waren. De Raad bestendigde zijn jurisprudentie dat aan het bestaan van een (eigen) houdstervennootschap als zodanig weinig betekenis toekomt, indien voldoende blijkt dat de dga geacht wordt persoonlijk arbeid te verrichten voor de vennootschap waarvoor de managementtaak wordt vervuld. Voor de beoordeling van de gezagsverhouding is van belang de eigendomsverhouding van de aandelen. Zodra de betrokkene een minderheidsbelang heeft in de vennootschap waarvoor hij de managementwerkzaamheden verricht, is hij onder gezag van de algemene vergadering van aandeelhouders werkzaam. Zie ook CRvB 9 april 1998, AA8757 (USZ 1998, 162), met jurisprudentieoverzicht, en CRvB 1 juli 1999, AA8637 (USZ 1999, 284).
Volgens CRvB 20 augustus 1998, AA8704 (RSV 1998/286), doet daaraan niet af een tussen minderheidsaandeelhouders gesloten stemovereenkomst.
Niettemin kunnen uit alle feiten en omstandigheden overigens voldoende materiële indicaties naar voren komen voor het gezamenlijk drijven van een onderneming door de betrokken natuurlijke personen, ook in situaties waarin zij niet volledig of nagenoeg gelijk participeren in het aandelenkapitaal van de vennootschap. Van gezamenlijk ondernemerschap was geen sprake in de uitspraak van de Raad van 17 juni 1999, AA8555 (USZ 1999, 260). Wel voldoende indicaties voor gezamenlijk ondernemerschap waren aanwezig in het geval van bij een centrum voor esthetische chirurgie werkzame artsen (CRvB 8 april 1999, AA8639 RSV 1999, 208), respectievelijk advocaten die werkzaam waren in het verband van een B.V. (CRvB 23 april 1998, AA8697 RSV 1999/27, USZ 1998, 180).
Een complicerende factor voor dergelijke geschillen blijft de opvatting van de fiscale autoriteiten dat de dga wel in dienstbetrekking staat tot zijn persoonlijke vennootschap.

Franchisenemer (niet) in dienstbetrekking
In de uitspraak van de President van de CRvB van 12 december 1997, AA8613 (USZ 1998/60, RSV 1998/121, KG 1998/155), was beoordeling van een franchise-overeenkomst gericht op exploitatie van een auto-wasstraat aan de orde. De betrokken franchisenemer werd niet in dienstbetrekking geacht. Evenmin was dat het geval in de uitspraak van 26 februari 1998, AA8795 (USZ 1998/103, RSV 1998/122), waar het ging om trainers die bedrijfstrainingen gaven volgens een op basis van een franchise-overeenkomst beschikbaar gestelde methodiek.
In de uitspraak van 17 december 1998, AA8632 (USZ 1999/64), werd wel verplichte verzekering aangenomen voor rij-instructeurs die een franchise-overeenkomst hadden met de rijschoolhouder.

Loonbegrip
Indien als voorwaarde voor deelname aan een - in vergelijking met de marktrente - gunstige spaarregeling van de werkgever de hoedanigheid van werknemer is vereist, dan vormt het voordeel dat is gelegen in de door de werknemer ontvangen (hogere) rentevergoeding loon dat uit hoofde van de dienstbetrekking wordt genoten. Dat ook ex-werknemers aan die regeling kunnen deelnemen doet daaraan niet af (CRvB19 november 1998, AA8619 USZ 1999, 18).

Het enkele feit dat de dienstbetrekking werknemers de mogelijkheid biedt om via een aandelenspaarplan voordeel te genieten is nog niet voldoende om het voordeel als loon aan te merken. Echter zeer vergaande bemoeienis van de werkgever met de uitvoering van het aandelenspaarplan leidde in het berechte geval tot de conclusie dat de werkgever de mogelijkheid van deelname in het aandelenspaarplan van de moedermaatschappij in haar arbeidsvoorwaarden had geïncorporeerd, zodat het voordeel derhalve premieloon vormde (CRvB 14 april 1999, AA8675 RSV 1999, 246).

Voordelen uit aandelentransacties dienen tot het loon te worden gerekend op het moment van genieten, aldus CRvB 6 mei 1999, AA8633 (USZ 1999, 215, RSV 1999, 247). Dat was in het onderhavige geval het moment waarop de aandelen ten name van de werknemers in depot werden gesteld en niet het moment waarop de aandelen werden verkocht.

De waarde van een door de werkgever aan zijn werknemers (met partner) aangeboden reis naar Kreta vormde loon in natura waarvan de waarde ex aequo et bono gesteld werd op 50% van de reiskosten (CRvB 15 juli 1999, AA8565 USZ 1999, 263, RSV 1999, 299).

Malus
De overgangsregeling bij de Wet Amber leidde ertoe dat de malusregeling gehandhaafd bleef voor werknemers die vóór 1 juli 1993 arbeidsongeschikt waren geworden. De Raad constateerde echter dat niet alle bedrijfsverenigingen zich daaraan hielden en dat de procedurele en inhoudelijke richtlijnen van het Tica en het Lisv in de uitvoeringspraktijk niet consistent werden toegepast. De Raad oordeelde dat de wijze van besluitvorming strijdig was met het willekeurverbod van artikel 3:4 van de Awb (CRvB 28 mei 1998, AA6174 RSV 1998/173, AB 1998, 244, USZ 1998/183, JB 1998/150, RAwb 1998, 148).
Restitutie van een betaalde malus mocht, ook na de uitspraken van 28 mei 1998, worden geweigerd.

Organisatiewet sociale verzekering, indeling in sectoren

Voortschrijdende technieken leiden ertoe dat de Indelingsregeling niet meer alle bedrijfstakken noemt. Een bedrijf met als doelstelling het aanleggen, onderhouden en exploiteren van een publieke vaste telecommunicatie- en infrastructuur in Nederland en het verlenen van telecommunicatieve diensten, was het niet eens met de indeling bij de sector betreffende culturele instellingen op het gebied van radiozend- en radio-ontvangstinrichtingen en radiodistributie, en deed een beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat andere - gelijksoortige - bedrijven bij een andere sector waren ingedeeld. Het Lisv deelde mee dat de bedrijven waarop de belanghebbende doelde inmiddels ook bij de litigieuze sector waren heringedeeld. De Raad achtte geen reden aanwezig om het indelingsbesluit op grond van schending van het gelijkheidsbeginsel dan wel op een andere grond te vernietigen.

Daglonen

In CRvB 30 september 1999, AA8630 , USZ 1999/306, RSV-Katern 1999/12, heeft de Raad uitspraak gedaan in twee proefprocessen ter zake van de vaststelling van het WW-uitkeringsdagloon van voormalige werknemers van Fokker. Ter afwending van het dreigende faillissement was in 1995 tussen de werkgever en de vakorganisaties het 'Protocol reorganisatie 1995' afgesloten, waarbij onder meer was overeengekomen dat de SUM-premie - premie voor het VUT-fonds - in het jaar 1996 in afwijking van de CAO, geheel voor rekening van de werknemers zou komen. Na het faillissement stelde het Lisv zich op het standpunt dat de totale SUM-premie niet tot het dagloon behoort, omdat deze premie dient te worden beschouwd als een verplichte bijdrage ingevolge een regeling voor vervroegd uittreden, welke bijdrage ingevolge de wet niet tot het dagloon behoort.

De Raad oordeelde dat wijziging van een CAO slechts mogelijk is krachtens een daartoe door CAO-partijen gesloten overeenkomst. Daarvan was in dit geval geen sprake, aangezien de FME - de werkgeversvereniging in de metaalindustrie - die partij was geweest bij de SUM-CAO, niet bij de totstandkoming van het Protocol betrokken was geweest. De in het Protocol neergelegde afspraken over de betaling van de SUM-premie konden derhalve de in de SUM-CAO opgenomen regeling niet terzijde stellen, zodat het dagloon alsnog moest worden verhoogd.

Uitschrijving en schadevergoeding
Van algemene bekendheid moet worden geacht dat de verplichte ziekenfondsverzekering eindigt bij het einde van de dienstbetrekking (CRvB 12 december 2000, USZ 2001/54.)
Een te late uitschrijving geeft de zorgverzekeraar de bevoegdheid een besluit te nemen tot schadevergoeding door de verzekerde die een zelfstandige plicht heeft het einde van de dienstbetrekking te melden CRvB 06-11-2002 CRvB AF1411).

Eigen bijdrage

Zie vermogenstoets bij bijstand

CRvB 3-7-2002 AE9404).Berekening eigen bijdrage AWBZ

Vlg. art. 6 AWBZ geldt voor de vaststelling van de eigen bijdrage het inkomen bestaande uit de bruto opbrengsten uit arbeid, onderneming en vermogen in het desbetreffende jaar. Volgens art. 7 worden in mindering gebracht de daarop betrekking hebbende lasten, welke ingevolge de Wet op de inkomstenbelasting 1964 dienen te worden vastgesteld (2002-07-03