Boeten

Wet Boeten
ZW


Wet Boeten

Overgangsrecht
In enkele uitspraken (13 april 1999, AA8564 USZ 1999/177 en 29 december 1999, AA8575 USZ 2000/75, RSV 2000/46), is het overgangsrecht van de Wet Boeten aan de orde geweest.

De Wet Boeten heeft in de sociale zekerheid ook voor werknemers het fenomeen van de administratieve boete geïntroduceerd. Ingevolge artikel 27a, eerste lid, van de WW wordt een boete van ten hoogste f 5.000,- opgelegd als de werknemer niet de verplichting nakomt mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht, de hoogte of de duur van de uitkering. Het tweede lid van artikel 27a van de WW schrijft voor dat de hoogte van de boete kan worden afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden waarin de werknemer verkeert. Het Boetebesluit van het Tica van 6 juni 1996, Stcrt. 1996, 141, kent zes boete-categorieën met boetes oplopend van ƒ 150,- tot ƒ 1.500,-. Bij een benadelingsbedrag van minder dan ƒ 2.000,- geldt, behoudens bij verminderde verwijtbaarheid, een boete van ƒ 300,-. In de uitspraak van 7 september 1999 AA8523 (USZ 1999/290, RSV 1999/296, JB 1999/253, AB 1999, 455) was een geval aan de orde waarin de betrokkene had nagelaten twee gewerkte uren op te geven, waardoor sprake was van een benadelingsbedrag van ƒ 22,-. Het Lisv had conform het Boetebesluit een boete opgelegd van ƒ 300,-. De Raad was van oordeel dat een overtreding van de inlichtingenverplichting, die voortvloeit uit een eenmalige, op zich wel verwijtbaar te achten vergissing en die slechts een uiterst gering bedrag betreft, zoals in dit geding aan de orde, niet een dermate ernstige gedraging is te achten dat een boete van ƒ 300,- daarmee in evenredige verhouding staat. Aangezien het Boetebesluit dwingt tot het opleggen van een boete van f 300,- is in zoverre aan artikel 27a, zesde lid, van de WW een uitwerking gegeven die niet strookt met het tweede lid van dat artikel. De desbetreffende bepalingen van het Boetebesluit dienden derhalve buiten toepassing te blijven.

Vooruitlopend op de beoogde wijziging van het Boetebesluit in het voorjaar van 2000 heeft het Lisv bij mededeling van 29 november 1999 (M99.113) kenbaar gemaakt dat vanaf de uitspraakdatum bij een benadelingsbedrag tot ƒ 100,-, in afwijking van het Boetebesluit, een boete van ƒ 100,- wordt opgelegd en dat die boete bij verminderde verwijtbaarheid wordt verlaagd tot ƒ 50,-. Deze boete geldt ook voor benadelingshandelingen in het verleden waarvoor nog geen boete werd opgelegd alsmede voor lopende bezwaar- en beroepsprocedures.

Opname termijnen bij terugvordering
In de uitspraak van 21 september 1999, AA8514 (USZ 1999/348, AB 1999, 464, RSV 2000/86), was een terugvorderingsbesluit in geding, waarin geen termijnen van invordering waren opgenomen. Gelet op de wetsgeschiedenis en de tekst van artikel 36, derde lid, van de WW was de Raad van oordeel dat, zo dat niet reeds eerder bij primair besluit is gedaan, in de beslissing op bezwaar alsnog uitsluitsel moet worden gegeven omtrent de wijze van invordering, tenzij een betalingsregeling is overeengekomen, dan wel de betrokkene er uitdrukkelijk mee instemt dat nog niet omtrent de invordering wordt beslist.

Herzien uitkering WW met terugwerkende kracht

Sedert de inwerkingtreding van de Wet Boeten is in de WW een expliciete bepaling opgenomen (artikel 22a) betreffende het met terugwerkende kracht herzien en intrekken van de uitkering. In de uitspraak van 10 augustus 1999, AA8559 (RSV 1999/271 en USZ 1999/328), kwam de Raad tot het oordeel dat de intrekking met terugwerkende kracht van de WW-uitkering in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel.

ZW

Benadelingshandeling, accoord ontslag
Op 2 december 1998, AA8998 , RSV 1999/51 met noot, USZ 1999/42, AB 1999, 157 en RAwb 1999, 92, heeft de Raad een uitspraak gedaan over de reikwijdte van artikel 45, eerste lid, sub j, van de ZW (de zogenaamde benadelingshandeling). Uit de wetsgeschiedenis heeft de Raad afgeleid dat de wetgever met de benadelingshandeling in het kader van deze bepaling in het bijzonder het oog heeft gehad op situaties waarin de werknemer zijn recht op loon prijsgeeft op een moment dat het ongeschiktheidsrisico reeds is ingetreden. In overeenstemming hiermee is in de uitspraak van 10 maart 1999, AA3972 RSV 1999/133, USZ 1999/195, aangenomen dat een werknemer die akkoord ging met zijn ontslag nadat hij arbeidsongeschikt was geworden, een benadelingshandeling in de zin van voormelde bepaling pleegde.

Opschorting uitkering ZW

In de uitspraak van 8 april 1998, AA8803 (RSV 1998/199, AB 1998, 364, USZ 1998/131), was de vraag aan de orde of het uitvoeringsorgaan bij gebreke van een wettelijke bepaling wel een bevoegdheid tot schorsing of opschorting van ziekengelduitkering had. Er was in dit geval ernstige twijfel gerezen of wel sprake was van een dienstbetrekking en daarmee was er een gegrond vermoeden dat betrokkene geen recht had op ziekengeld. Naar het oordeel van de Raad verzetten de bepalingen van de ZW zich er niet tegen dat in een dergelijk geval, in afwachting van nader onderzoek, de betaling van het ziekengeld wordt geschorst of opgeschort. Dit standpunt bleek in de lijn met het nadien bij de Veegwet ingevoerde en op 31 december 1997 in werking getreden schorsingsartikel 47a van de ZW.

Anonieme fraudemelding
In de uitspraak van de Raad van 30 december 1998, AA8614 (USZ 1999/85), betreffende de terugvordering van ziekengeld, heeft de Raad een anonieme fraudemelding niet aangemerkt als een signaal als bedoeld in de zogenaamde zes-maandenjurisprudentie waarop het uitvoeringsorgaan had moeten reageren, omdat sprake was van een weinig gerichte en niet voldoende geconcretiseerde melding waarbij niet aanstonds duidelijk was dat ten onrechte uitkering werd betaald.

Tijdige ziekmelding
De Raad heeft in 1999 verschillende uitspraken gedaan in zaken, waarin de werkgever werd verweten dat hij de werknemer niet tijdig had ziek gemeld dan wel hersteld gemeld, zoals voorgeschreven in artikel 38 van de ZW. Het betrof hier zaken uit de tijd van vóór de inwerkingtreding van de Wet Boeten. In een uitspraak van 11 augustus 1999 AA8677 (USZ 1999/246) was aan de orde een ziekmelding door de werkgever die 12 weken te laat was. Het uitvoeringsorgaan mocht dit als "extreem te laat" in de zin van het vóór 1 augustus 1996 gevoerde sanctiebeleid aanmerken, zodat een hoog sanctiepercentage gerechtvaardigd was.

Sanctiebeleid
In twee uitspraken van 8 september 1999, AA8746 en AA8742 (USZ 1999/296) stond centraal een wijziging in voor de verzekerde gunstige zin van het sanctiebeleid na de data in geding. Deze wijziging was mede van toepassing verklaard op nog lopende beroepszaken. Dit bijgestelde sanctiebeleid kon de toetsing van de Raad doorstaan.
In een uitspraak van 15 september 1999 AA8544 (USZ 1999/297) heeft de Raad nogmaals gewezen op het belang van het tijdig kunnen vaststellen van de ongeschiktheid tot werken.

Boete dient in overeenstemming met verwijtbaarheid te zijn
Op grond van art. 71a WAO jo 38 ZW moet de werkgever uiterlijk op de eerste dag nadat de ongeschiktheid van die werknemer dertien weken heeft geduurd, een door hem in overleg met de werknemer opgesteld adequaat reïntegratieplan aan het LISV overleggen (05-06-2002 CRvB AE6184).
Deze verplichting is voldoende duidelijke en ondubbelzinnig (CRvB 27 april 2000 RSV 2000, 143).
Art. 71 lid 4 WAO voorziet in een boeteoplegging bij verzaking van die verplichting. Het daarop afgestemde Boetebesluit is onvoldoende afgestemd op de mate van verwijtbaarheid CRvB 6 november 2001 USZ 2002, 19.
De op het besluit gebaseerde boete kan niet opgelegd worden.