pleegzorguitkering

Pleegzorgverlof

jurisprudentie

op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO). UWV betaalt 4 weken 100% salaris bij pleegkind- of adoptieverlof.

https://www.pleegzorg.nl/pleegzorginstellingen/

INSTELLINGEN VOOR PLEEGZORG
Als pleegzorg de beste oplossing voor het kind is, komt een instelling voor pleegzorg in actie.
Pleegzorg is in Nederland regionaal georganiseerd. Iedere instelling:
• is verantwoordelijk voor de opvang van kinderen bij pleegouders
• biedt verschillende vormen van opvang, zoals weekendopvang, vakantieopvang, dagopvang, crisisopvang en opvang voor korte of voor langere duur
• geeft voorlichting op scholen en aan pleegkinderen, pleegouders en ouders
• werft nieuwe pleegouders en bereidt hen voor op het pleegouderschap


https://www.pleegzorg.nl/informatiepakket-aanvragen/

INFORMATIEPAKKET AANVRAGEN
Lees en hoor alles over pleegzorg
De eerste stap naar het pleegouderschap is goede voorlichting. In het informatiepakket vind je een magazine met interviews, achtergrondverhalen en weetjes. Wil je meer weten, ga dan naar de voorlichtingsavond van de pleegzorginstelling in de buurt. In het informatiepakket vind je daarover meer informatie.
Het magazine
Interviews met pleegouders, achter- grondverhalen en weetjes.
De voorlichtings- avond
Veel informatie en de mogelijkheid om je persoonlijke vragen te stellen.
...en daarna?
Je ontvangt van de pleegzorginstelling in de buurt het informatiepakket. Je maakt hierna een afspraak en gaat alleen, of samen met je partner naar een informatieavond waar je persoonlijke vragen kunt stellen en kunt registreren.

http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/pleegzorg/vraag-en-antwoord/krijg-ik-een-vergoeding-voor-pleegzorg.html

Vraag en antwoord
Krijg ik een vergoeding voor pleegzorg?
Als pleegouder kunt u een vergoeding krijgen voor de kosten die u moet maken voor de verzorging en opvoeding van uw pleegkind. U vraagt de pleegvergoeding aan bij de instantie die het kind bij u plaatst. Deze instantie keert de pleegvergoeding ook uit.
• Pleegvergoeding
• Hoogte pleegvergoeding basisbedrag
• Toeslag extra kosten
• Pleegvergoeding is geen inkomen
• Verhuizen naar het buitenland
Pleegvergoeding
De pleegvergoeding is een basisbedrag en wordt jaarlijks vastgesteld door de overheid. De hoogte van het basisbedrag is afhankelijk van de leeftijd van uw pleegkind. Sommige pleegouders kunnen een toeslag krijgen op het basisbedrag.
Pleegkinderen zijn jongens en meisjes van 0 tot 18 jaar. Sommige pleegkinderen hebben na hun achttiende jaar nog behoefte aan ondersteuning en begeleiding. Ze kunnen dan tot hun 23e jaar een beroep doen op voortgezette hulpverlening. Deze is altijd vrijwillig. Voor de voortgezette hulpverlening is een indicatie nodig van Bureau Jeugdzorg. Zolang er sprake is van voortgezette hulpverlening voor een pleegkind, zorgt de instelling voor pleegzorg voor een pleegvergoeding voor de pleegouders. Voor pleegkinderen met eigen inkomsten geldt een eigen bijdrage regeling.
Hoogte pleegvergoeding basisbedrag
Hieronder vindt u de basisbedragen van de pleegvergoeding per kind. Deze bedragen gelden per 1 januari 2011.
Tabel: Basisbedragen pleegvergoeding per kind 2011 (geïndexeerd)
leeftijdscategorie bedrag per maand bedrag per dag
0 t/m 8 jaar € 491,00 € 16,15
9 t/m 11 jaar € 497,00 € 16,35
12 t/m 15 jaar € 541,00 € 17,79
16 t/m 17 jaar € 598,00 € 19,67
18 jaar en ouder € 604,00 € 19,87
Toeslag extra kosten

Naast de pleegvergoeding kunt u als pleegouders een toeslag krijgen als u:
• extra onkosten maakt bij crisisopvang; of
• zorgt voor een pleegkind met een handicap; of
• voor 3 of meer pleegkinderen zorgt. In dit geval geldt de toelage voor het derde en volgende pleegkind.
De extra toelage is maximaal € 3,22 per kind per dag in 2011. U moet voldoen aan ten minste 1 van de voorwaarden om de extra toeslag te krijgen. Daarnaast wordt de extra toeslag alleen gegeven als de kosten noodzakelijk zijn, als u de extra kosten aantoonbaar niet uit de basisvergoeding kunt betalen, en als er geen andere regeling is voor deze kosten.
Pleegvergoeding is geen inkomen
De pleegvergoeding is in principe geen inkomen en heeft geen invloed op een eventuele uitkering of persoonsgebonden budget (pgb). Ook hoeft u de vergoeding niet op te geven bij het aanvragen van huurtoeslag. Voor de eerste 3 pleegkinderen in een gezin is de vergoeding belastingvrij. Zijn er meer kinderen in een pleeggezin, dan bepaalt de Belastingdienst of de vergoeding belastbaar is.

Adres Pleegzorg Nederland
Pleegzorg Nederland
Antwoordnummer 9880
3500 ZJ Utrecht
Tel: 0800 - 022 34 32 (gratis)
Via dit nummer wordt u doorverbonden naar de pleegzorginstelling in uw regio.
E-mail: info@pleegzorg.nl
Internet: www.pleegzorg.nl

Taakomschrijving
Het Bureau Landelijke Voorlichting Pleegzorg richt zich op de algemene beeldvorming over pleegzorg. Dit bureau is onderdeel van de Maatschappelijke Ondernemersgroep (MOgroep), de werkgeversorganisatie voor onder andere de jeugdzorg. De voorlichting van het bureau is er op gericht een reëel en positief beeld van de diverse vormen van pleegzorg te schetsen en de bekendheid rond pleegzorg te vergroten.

Het Bureau Landelijke Voorlichting Pleegzorg biedt daarnaast ondersteuning bij de werving van pleegouders en richt zich op de profilering van de pleegzorg binnen de jeugdzorg. Het ontwikkelt algemeen voorlichtingsmateriaal en onderhoudt contacten met landelijke media.


Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 december 2010, nr. JZ/GJ-3034406, houdende wijziging van de Regeling pleegzorg in verband met indexering van de pleegvergoeding 2011


De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
Gelet op artikel 23 van de Wet op de jeugdzorg;
Besluit:
ARTIKEL I
Bijlage 4 bij de Regeling Pleegzorg komt te luiden:
BIJLAGE 4. BASISBEDRAGEN EN MAXIMALE TOESLAG VAN DE PLEEGVERGOEDING PER JEUGDIGE 2010
Basisbedrag ex artikel 4 per leeftijdscategorie
Leeftijdscategorie Bedrag per maand/per dag (in euro)
0 t/m 8 jaar € 491/ 16,15
9 t/m 11 jaar € 497/ 16,35
12 t/m 15 jaar € 541/ 17,79
16 t/m 17 jaar € 598/ 19,67
18 jaar en ouder € 604/ 19,87
De toeslag, bedoeld in artikel 5, bedraagt € 3,22.
ARTIKEL II
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2011.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
M.L.L.E. Veldhuijzen van Zanten-Hyllner.
TOELICHTING
De basisbedragen voor de pleegvergoeding en de toeslag worden ieder jaar vooraf verhoogd met het procentuele verschil tussen de consumentenprijsindex 'Alle huishoudens' over de julimaanden van de twee direct aan het betreffende jaar voorafgaande jaren, zoals deze gepubliceerd zijn in het Statistisch bulletin van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Voor 2011 bedraagt dat verschil 1,6 % (juli 2010 ten opzichte van juli 2009). Dat betekent dat de basisbedragen voor de pleeggezinnen over het jaar 2011 worden verhoogd met een percentage van 1,6.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
M.L.L.E. Veldhuijzen van Zanten-Hyllner.

 

Verhouding kinderbijslag / pleegzorguitkering

Gevonden via www.stichtingkog.info

Voor   pleeg (groot) ouders

Als u uw kleinkind als pleegkind verzorgd, zijn er vier mogelijkheden van het gezag over uw kleinkind (eren ):

1)     u hebt niet het gezag: het gezag berust bij de ouders of bureau jeugdzorg

2)     een van u beiden heeft het gezag

3)     u heeft samen het gezag

4)     u alleen heeft het gezag  omdat u geen partner ( meer ) hebt.

Misschien zult u het gezag willen hebben als bureau jeugdzorg dat nu heeft: u wilt wel van inmenging af. Maar u moet rekenen voordat u het gezag vraagt bij de kinderrechter:

1)     zolang het gezag niet bij een van u tweeën berust, krijgt u geen kinderbijslag, maar wel de basisvergoeding pleegzorg, en hebt u recht op bijzondere vergoedingen ( schoolgeld, leermiddelen, reiskosten voor onderwijs en bijzondere medische kosten, verzekeringen, etc. ).

2)     als u één van u beiden het gezag heeft gekregen, krijgt u géén kinderbijslag, wel de basisvergoeding pleegzorg, maar u heeft geen recht meer op bijzondere vergoedingen.

3)     als u samen het gezag heeft gekregen, krijgt u alleen nog kinderbijslag.

4)     als u alleenstaand bent, krijgt u met gezag alleen nog kinderbijslag.

5)   als u alleenstaande pleeggrootouder bent, die geen gezag heeft, is er recht              

      op de basisvergoeding.

 

Dagvaarding en uitspraken

In deze zaak is een toevoeging aangevraagd bij de Raad voor Rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch.

Heden, de tweeduizendzeven

Heb ik,

TEN VERZOEKE VAN:

Wilhelmina Frederika Carolina Marie Lindeman-Meijer, verder te noemen "Lindeman", wonende te Almere in deze zaak woonplaats kiezende op het kantoor van de advocaat en procureur mr. R.E.J.P.M. Rutten, kantoorhoudende te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, aan de Rijksweg Noord 59 (6162 AC), alsmede ten kantore van mr. …………

 

GEDAGVAARD:

de stichting Stichting Bureau Jeugdzorg Flevoland, gevestigd te Lelystad, aan de Maerlant 16b( 8224 AC), gemeente Lelystad;

Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Utrecht, aan de Fentener van Vlissingenkade 1 (3521 AA), gemeente Utrecht;

Voorziening voor Pleegzorg Flevoland, gevestigd te Lelystad, aan de Kamp 40-30 (8225 HK), gemeente Lelystad;

 

OM:

 

Op woensdag 19-08-tweeduizendzeven,

des voormiddags om 10:00 uur, niet in persoon doch vertegenwoordigd door een procureur te verschijnen ter openbare terechtzitting van de Rechtbank Zwolle, die alsdan en aldaar zal worden gehouden aan de Luttenbergstraat 5 te Zwolle;

 

MET AANZEGGING:

I. dat indien de gedaagde niet in persoon verschijnt of geen procureur stelt, indien de voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen en de Voorzieningenrechter van oordeel is dat de vordering niet onrechtmatig of ongegrond is, de Voorzieningenrechter tegen gedaagde verstek zal verlenen en de vordering zal toewijzen, tenzij gedaagde voor de uitspraak alsnog rechtsgeldig in het geding verschijnt;

II. wanneer tenminste één van de gedaagden in het geding is verschenen dan wordt, indien ten aanzien van de niet verschenen gedaagde de voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen tegen deze verstek verleend, tussen de eiser en verschenen gedaagde voort geprocedeerd en zal er tussen partijen één vonnis worden gewezen dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.

FEITEN:

1. Lindeman is de grootmoeder van de minderjarige kinderen xxxxxxx(geboren te Almere op 18 oktober 2000), roepnaam "Emin" en Emmely xxxxxxx (geboren te Den Haag op 26 juli 2002). De dochter van mevrouw Lindeman en moeder van voornoemde kinderen is Wendy xxxxxxxx, verder te noemen Wendy. Wendy is een drugsverslaafde en niet in staat om voor beide kinderen te zorgen. Sinds 2003 voeden Lindeman en haar echtgenoot R.E.P. Lindeman de kinderen op.

Lindeman is bij beschikking van 14 juli 2006 benoemd tot tijdelijke voogdes over Emin en Emmely.

2. Wendy leeft sinds 1998 regelmatig op straat. Aangezien zij op dat moment 15 jaar was, was haar situatie bekend bij Bureau Jeugdzorg Rotterdam. Lindeman en haar echtgenoot zijn enkele malen op het kantoor van Bureau Jeugdzorg te Rotterdam geweest. Wendy was veel te vinden in het Rotterdamse drugsmilieu. Op haar 15e kreeg zij een relatie met een Marokkaanse man uit Rotterdam. Op haar 17e raakte ze zwanger van deze man. Toen zij meer dan 14 weken zwanger heeft ze Lindeman en haar echtgenoot op de hoogte gebracht dat ze zwanger was. Vervolgens hebben Lindeman en haar echtgenoot niets meer van Wendy vernomen tot ongeveer twee weken voor de daadwerkelijke bevalling. Haar Marokkaanse vriend zat op dat moment in de gevangenis vanwege drugshandel en hun relatie was beëindigd.

3. In het Flevoziekenhuis te Almere werd op 18 oktober 2000 Emin geboren. Daar Wendy bij Bureau Jeugdzorg bekend was en zij als minderjarige geboorte gaf aan een kind, was Emin ook al bekend bij Bureau Jeugdzorg. Bureau Jeugdzorg heeft zelfs voor Emin vanaf zijn geboorte een verzekering bij VGZ afgesloten. Emin staat daar onder klantnummer 8119996 geregistreerd. Hiervan zijn Lindeman en haar echtgenoot door VGZ in 2006 op de hoogte gebracht../. Vide productie 1

4. Vanaf de geboorte had Wendy geen moedergevoelens jegens Emin. De dagelijkse verzorging van Emin werd door Lindeman en haar echtgenoot verricht. Na drie maanden bij Lindeman gewoond te hebben wilde Wendy haar vrijheid terug. Ze is toen bij Lindeman weggegaan en heeft Emin achtergelaten. Ze wilde niet voor hem zorgen en had geen binding met hem.

5. Ongeveer 10 maanden na de geboorte is Emin door Wendy uit het huis van Lindeman meegenomen. Ze had een nieuwe Nederlandse vriend genaamd Wim Pieterse. Deze man had tegen Wendy gezegd dat zij Emin moest gaan ophalen. Lindeman en haar echtgenoot hebben nog getracht middels het AMK (Alarm Meldpunt Kindermishandeling) te Den Haag Emin terug te halen. De betrokken instanties gaven er echter de voorkeur aan dat Emin bij zijn biologische moeder moest blijven.

6. Twee jaar later, in 2003, heeft Wendy weer contact gezocht met Lindeman. Lindeman en haar echtgenoot zijn op een zondagmiddag naar Den Haag gereden waar zij Wendy en haar twee kinderen zagen. Wendy had van haar toenmalige vriend W. Pieterse inmiddels een tweede kind gekregen, Emmely genaamd. Beide kinderen hadden inmiddels de achternaam van de heer Pieterse gekregen.

7. De heer Pieterse bleek ook een drugsgebruiker te zijn. Al zijn geld ging op aan de drugsverslaving van hem en Wendy. Wendy was net zo verslaafd als de heer Pieterse. De kinderen verbleven in een smerige en zeer onhygiënische woning. De kinderen waren ernstig verwaarloosd. De kinderen liepen rond in pyjama’s die zij al dagenlang aanhadden zonder te worden verschoond. Ze zaten onder het vuil en etensresten. Ze kregen nauwelijks wat te eten. Ze sliepen niet in een bed, doch op matrassen. Deze matrassen waren soms nat van de urine en werden niet schoongemaakt. Ook verbleven er regelmatig andere junkies in het huis. Om aan geld te geraken om hun verslaving te bekostigen, waren Wendy en de heer Pieterse in de criminaliteit beland.

8. Daar de leefomstandigheden waarin de kinderen verbleven dermate schrijnend waren, hebben Lindeman en haar echtgenoot melding hiervan gedaan bij het AMK van Bureau Jeugdzorg te Den Haag. Het AMK, Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming waren aldus toen al van de situatie van de kinderen op de hoogte. Eind oktober 2003 nam Wendy weer contact op met Lindeman en haar man met het verzoek om de kinderen bij Lindeman en haar echtgenoot achter te laten. Wendy wilde en kon niet langer voor de kinderen zorgen. Wendy heeft een schriftelijke verklaring opgesteld en ondertekend tot overdracht van de voogdij van de kinderen aan Lindeman.

9. Vanaf begin november 2003 wonen de kinderen bij Lindeman en haar echtgenoot in Almere. De kinderen staan vanaf dat moment ingeschreven bij de gemeente Almere. Dit is gebeurd in overleg en met toestemming van de Raad voor de Kinderbescherming, Bureau Jeugdzorg Den Haag en het AMK te Den Haag. Door de Raad voor Kinderbescherming is Marja Wolters van het consultatiebureau te Almere als toeziend voogd aangesteld. Lindeman en haar echtgenoot hebben mevrouw Wolters enkele malen ontmoet. Ook is mevrouw Wolters bij Lindeman thuis geweest. Alle betrokken instanties waren er dus van op de hoogte dat de kinderen bij Lindeman en haar echtgenoot in Almere woonden.

10. Bij schrijven van 15 juli 2004 is aan Lindeman door de Raad voor Kinderbescherming Vestiging Lelystad medegedeeld dat het opvoedingsonderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming vestiging Den Haag is overgenomen door de vestiging Lelystad../. Vide productie 2

11. Bij schrijven van 1 september 2004 is door de Raad voor Kinderbescherming aan Lindeman medegedeeld dat het opvoedingsonderzoek door raadsonderzoeker A. Schilstra zal worden verricht../. Vide productie 3

12. Op 18 november 2004 is het rapport raadsonderzoek civiele zaken gepresenteerd omtrent opvoedingsproblemen met betrekking tot Emin en Emmely../. Vide productie 4

13. Wendy was op dat moment alleen belast met het gezag. Voor iedere ingrijpende beslissing die Lindeman ten aanzien van de kinderen zou moeten nemen, zou zij toestemming moeten vragen aan Wendy. Daar Wendy op dat moment geen vaste woon- en verblijfplaats meer had en door Nederland zwierf, was dat praktisch niet mogelijk. De relatie tussen Wendy en de heer Pieterse was inmiddels beëindigd. De heer Pieterse was zijn huis kwijtgeraakt en in de gevangenis van Scheveningen beland. Wendy leidde een zwervend bestaan. Lindeman kon haar niet bereiken. Af en toe nam Wendy zelf contact op.

14. Begin 2006 heeft Lindeman getracht om Wendy te laten opnemen in de Jellinek kliniek te Amsterdam. Wendy wilde een nieuwe start maken. Daar er een wachtlijst was voor de urgentieopname hield ze het na drie dagen voor gezien. Zonder haar koffer met kleren is ze vertrokken. Vervolgens hebben Lindeman en haar echtgenoot vernomen dat Wendy in de vrouwengevangenis van Nieuwenhuis zat.

15. De voormalige advocate van Lindeman, mr. L. Lesmeister, heeft toen namens Lindeman een verzoekschrift strekkende tot voorziening in de tijdelijke voogdij over beide kinderen ingediend bij de rechtbank. Lindeman is bij beschikking van 14 juli 2006 benoemd tot tijdelijke voogdes over beide kinderen. De Raad voor Kinderbescherming te Lelystad heeft tijdens de procedure geen bezwaren ingebracht tegen de benoeming van Lindeman als tijdelijke voogdes../. Vide productie 5

16. In de zomer van 2006 is Lindeman door een familielid benaderd vanwege het feit dat een andere dochter van Lindeman, Brenda genaamd, ook haar drie kinderen ernstig zou verwaarlozen. Brenda was woonachtig in de Belgische plaats Luik. Brenda stond echter nog ingeschreven bij de gemeente Rotterdam. Bij het AMK te Rotterdam is toen melding gedaan van ernstige verwaarlozing. Het AMK heeft toen contact opgenomen met desbetreffende instantie in Luik. Lindeman heeft te kennen gegeven bij Bureau Jeugdzorg in België dat indien de drie kinderen bij Brenda weggehaald zouden worden, Lindeman en haar echtgenoot bereid waren voor de kinderen te zorgen.

17. Op 4 augustus 2006 heeft Lindeman contact opgenomen met Pleegzorg Flevoland te Lelystad. Lindeman heeft toen gesproken met mevrouw H. Timmerman. Gedurende dit gesprek heeft Lindeman gevraagd om een financiële tegemoetkoming indien de drie kinderen van Brenda aan Lindeman zouden worden toegewezen. Mevrouw Timmerman heeft toen aan Lindeman medegedeeld dat Lindeman in aanmerking zou komen voor financiële steun daar het gezin van Lindeman kon worden aangemerkt als een netwerkpleeggezin. Dit gold ook voor Emin en Emmely.

18. Lindeman was niet op de hoogte van het feit dat zij als pleeggrootouder in aanmerking kwam voor financiële overheidssteun. Zij heeft dan ook aan mevrouw Timmerman medegedeeld dat zij geen enkele financiële tegemoetkoming ontving voor de zorg en opvoeding van Emin en Emmely. Door geen enkele betrokken instantie was Lindeman hiervan op de hoogte gesteld. Mevrouw Timmerman heeft te kennen gegeven dat Lindeman bij Bureau Jeugdzorg te Almere om een indicatie moest verzoeken. Deze indicatie zou dan worden door gestuurd aan Pleegzorg Flevoland. Door Pleegzorg Flevoland zou dan het gezin van Lindeman worden aangemerkt als netwerkpleegoudergezin. Vervolgens zou Lindeman per maand per kind een financiële vergoeding ontvangen.

19. Op maandag 7 augustus 2006 heeft Lindeman telefonisch contact opgenomen met Bureau Jeugdzorg te Almere. Tijdens dit gesprek is er een afspraak gemaakt voor een eerste screening op 16 oktober 2006. Bij schrijven van 23 augustus 2006 is deze afspraak naar donderdag 21 september 2006 vervroegd. ./. Vide productie 6

20. Op 11 augustus 2006 heeft Lindeman opnieuw telefonisch contact opgenomen met mevrouw Timmermans van Pleegzorg Flevoland te Lelystad. Daarbij heeft Lindeman te kennen gegeven dat zij conform het advies van mevrouw Timmermans contact had opgenomen met Bureau Jeugdzorg te Almere.

21. Op 21 september 2006 heeft er een eerste bespreking met plaatsgevonden met mevrouw S. Geerking van Bureau Jeugdzorg te Almere. Zij zou als contactpersoon binnen Bureau Jeugdzorg gaan fungeren. Gedurende dit gesprek is de voorgeschiedenis van de kinderen besproken. Tevens heeft Lindeman een tweetal hulpvragen gesteld die betrekking hadden op de opvoeding van Emin en Emmely. Dit betrof ten eerste het verzoek om hulp en begeleiding indien Wendy contact zou willen met de kinderen. De tweede vraag betrof de Marokkaanse achtergrond van Emin. Hij zou door andere Marokkaanse jongetjes op zijn Marokkaanse komaf gewezen zijn. Lindeman en haar echtgenoot hebben tot nu toe Emin hiervan nog niet op de hoogte gesteld omdat ze bang zijn dat hij gediscrimineerd zal worden. Zij hebben mevrouw Geerking gevraagd hoe in deze hierin te handelen. In de vergadering bij Bureau Jeugdzorg zou dit worden besproken.

22. Op 29 september 2006 is mevrouw Geerking bij Lindeman op huisbezoek geweest. Lindeman en haar echtgenoot kregen te horen dat er vermoedelijk geen indicatie voor pleegzorg door Bureau Jeugdzorg zou worden verstrekt. Mevrouw Geerking heeft toen aan Lindeman en haar echtgenoot gevraagd of zij het verzoek om een indicatie wensten door te zetten. Lindeman en haar echtgenoot hebben toen aan mevrouw Geerking medegedeeld het verzoek te handhaven.

23. Het indicatieverzoek zou worden besproken bij de eerst volgende vergadering binnen Bureau Jeugdzorg die in de week van 2 tot en met 6 oktober 2006 zou plaatsvinden. Er is toen afgesproken dat mevrouw Geerking Lindeman na afloop van de vergadering zou bellen om mede te delen of zij in aanmerking kwamen voor een indicatie. Op 5 of 6 oktober 2006 heeft mevrouw Geerking telefonisch medegedeeld dat Lindeman geen indicatie van Bureau Jeugdzorg zou ontvangen. Lindeman heeft zich toen tot haar voormalige advocaat mevr. Mr. L. Lesmeister gewend daar zij het oneens was met het besluit van Bureau Jeugdzorg.

24. Bij schrijven van 11 oktober 2006 is aan Bureau Jeugdzorg Flevoland bericht dat Lindeman aanspraak wenste te maken op een (netwerk)vergoeding op grond van de Regeling Pleegzorg. ./. Vide productie 6

25. Mr. Lesmeister heeft vervolgens contact gehad met de heer H. Hendriks, teamleider van Bureau Jeugdzorg te Almere en hoofd AMK van Bureau Jeugdzorg Almere. De heer Hendriks heeft te kennen gegeven dat er ten behoeve van de kinderen geen indicatiebesluit is afgegeven waarbij Lindeman als netwerkpleegouder is aangewezen. De heer Hendriks beweerde dat de kinderen vóór 2006 niet in de administratie van Bureau Jeugdzorg voorkwamen. De heer Hendriks zou contact opnemen met Bureau Pleegzorg om te bezien of er uitzonderingen mogelijk waren.

26. In reactie op de uiteenzetting van de heer Hendriks heeft mr. Lesmeister jegens de heer Hendriks het verhaal onder punt 1 tot en met punt 23 uiteengezet. Bij schrijven van 22 november 2006 heeft de heer Hendriks te kennen gegeven dat gelet op het verhaal van Lindeman het onduidelijk is waarom de kinderen niet bij Bureau Jeugdzorg bekend zijn. De heer Hendriks heeft het navolgende voorstel aan mr. Lesmeister gedaan. Voor zover Hendriks heeft kunnen achterhalen is het mogelijk om Lindeman een indicatie voor netwerkpleeggezin te geven. Dit kan omdat Lindeman de voogdij tijdelijk heeft. Bureau Jeugdzorg kan die indicatie ook afgegeven indien Lindeman naast de geldelijke vergoeding ook vragen heeft voor hulp of ondersteuning bij de opvoeding van de kinderen. De gebruikelijke procedure is hierbij dat iemand een gedurende een bespreking met een van de medewerkers bekijkt wat de vragen zijn en welke vorm van begeleiding daar het beste bij past. De heer Hendriks heeft vervolgens te kennen gegeven dat hij verwacht dat de indicatie vervolgens door de Voorziening voor Pleegzorg wordt geaccepteerd../. Vide productie 7

27. Bij schrijven van 23 november 2006 deelt de heer Hendriks mede dat er voor Lindeman een indicatie voor netwerkpleeggezin met bijbehorende begeleiding en financiering zal worden opgesteld. Deze indicatie zou dan door mevrouw S. Geerking worden opgesteld. De indicatie zou vervolgens aan Lindeman worden voorgelegd voor akkoord waarna deze door Bureau Jeugdzorg zal worden goedgekeurd. Opnieuw wordt medegedeeld dat er bij Bureau Jeugdzorg Flevoland vóór 2006 geen dossier of gegevens van Emin en Emmely bekend zijn. Voor het afgeven van de indicatie is dat echter geen probleem zo wordt door de heer Hendriks medegedeeld../. Vide productie 8

28. Op vrijdag 1 december 2006 heeft er een bespreking plaatsgevonden bij Bureau Jeugdzorg te Almere tussen Lindeman, haar echtgenoot en mevrouw Geerking. De indicatie lag in concept klaar. Lindeman en haar echtgenoot zijn akkoord gegaan met de inhoud van deze indicatiestelling en deze is dan ook door hun ondertekend. De indicatiestelling zou nog diezelfde dag worden verzonden aan Pleegzorg Flevoland. Dat is echter niet gebeurd.

29. Bij schrijven van 7 december 2006 heeft de heer Hendriks te kennen gegeven dat de indicatie wordt gecontroleerd door een GZ psycholoog van Bureau Jeugdzorg op rechtmatigheid. De GZ psycholoog heeft de indicatie op 5 december 2006 goedgekeurd, hetgeen betekent dat de indicatie vanaf 6 december 2006 geldig is. ./. Vide productie 9

30. Lindeman heeft vervolgens contact opgenomen met Pleegzorg Flevoland. Pleegzorg Flevoland zou echter geen indicatie van Bureau Jeugdzorg hebben ontvangen. Op 12 december 2006 heeft Lindeman mevrouw Geerking schriftelijk verzocht om de indicatie te komen ophalen daar deze niet door Pleegzorg Flevoland was ontvangen. ./. Vide productie 10

31. Bij schrijven van 12 december 2006 heeft mevrouw Geerking medegedeeld dat de indicatie op vrijdag 8 december naar de Voorziening voor Pleegzorg Flevoland en naar Lindeman is gestuurd. Nog diezelfde dag werd Lindeman door mevrouw E. Doorman van de Voorziening voor Pleegzorg gebeld met de mededeling dat de indicatie van Bureau Jeugdzorg wel was ontvangen. De contactpersoon binnen de Voorziening voor Pleegzorg was mevrouw P. Wilbrink. ./. Vide productie 11

32. Op 13 december 2006 heeft mevrouw Wilbrink telefonisch contact opgenomen met Lindeman. Nogmaals werd aan Lindeman medegedeeld dat de indicatie binnen was. Lindeman heeft daarbij gevraagd of zij daadwerkelijk zou worden geholpen met betrekking tot de hulpvragen. In een vergadering zou in eerste instantie bekeken worden of de Voorziening voor Pleegzorg voldoende informatie tot haar beschikking had. Met betrekking tot de financiële vergoeding zou deze worden toegekend vanaf het moment dat de indicatie geldig was. De vergoeding zou daarmee vanaf 6 december 2006 aan Lindeman worden uitbetaald. De betalingen voor december waren echter de deur uit. Op het verzoek van Lindeman om een nabetaling werd haar door Wilbrink medegedeeld dat dit in de vergadering van dinsdag 16 december 2006 zou worden besproken. Op dinsdagmiddag zou Lindeman door mevrouw Wilbrink worden teruggebeld. Dit is niet gebeurd.

33. Lindeman heeft nog diverse malen getracht telefonisch contact te krijgen met mevrouw Wilbrink, doch zonder resultaat. Uiteindelijk werd Lindeman op 22 december 2006 door mevrouw Wilbrink gebeld met de mededeling dat het verzoek om te worden aangemerkt als netwerkpleegouder door Voorziening voor Pleegzorg Flevoland was afgewezen. Uiteindelijk heeft Lindeman, na diverse malen hieromtrent te hebben verzocht, een schriftelijke afwijzing d.d. 10 januari 2007 ontvangen. Lindeman heeft hiertegen een bezwaarschrift ingediend bij de Voorziening voor Pleegzorg Flevoland.

34. Bij schrijven van 10 januari 2007 geeft de heer Hendriks van Bureau Jeugdzorg te kennen dat er formeel geen sprake kan zijn van een pleegzorg voogd regeling. Hiervan kan volgens Hendriks alleen een indicatie worden afgegeven als voorafgaand daaraan Lindeman een indicatie voor netwerkpleeggezin heeft gehad en/of er sprake was van een maatregel in het kader van een ondertoezichtstelling../. Vide productie 12

35. Op donderdag 1 februari 2007 heeft er een bespreking plaatsgevonden waarbij mr. Lesmeister, Bureau Jeugdzorg te Almere alsmede de Voorziening voor Pleegzorg zijn vertegenwoordigd. Tijdens het gesprek is aangegeven dat de Raad voor Kinderbescherming Lindeman niet heeft aangemeld als pleegouder en heeft nagelaten te zorgen voor een pleegcontract alvorens de voorlopige voogdij ter sprake te brengen. De Voorziening voor Pleegzorg Flevoland baseert zich op een uitspraak van de Raad van State van 2000. In dat geval had Lindeman volgens de heer Cambier van Bureau Jeugdzorg recht op pleegvergoeding. Het indicatiebesluit wordt door en de Voorziening voor Pleegzorg niet als rechtsgeldig bestempeld, omdat de daarin aangegeven rechten niet stroken met de huidige situatie van Lindeman als tijdelijk voogd.

36. Lindeman is van mening dat haar gezin met terugwerkende kracht vanaf 1 november 2003 als netwerkpleeggezin dient te worden aangemerkt en de daarbij horende pleegvergoeding eveneens met terugwerkende kracht aan dient te worden toegekend.

 

WEERLEGGING WEREN GEDAAGDEN

Indien gedaagden in verweer komen, zullen de weren naar opvatting van Lindeman niet slagen om navolgende redenen.

37. Lindeman is de mening toegedaan dat zij samen met haar echtgenoot ten onrechte niet door gedaagden als netwerkpleegouders zijn aangemeld. Netwerkpleegzorg is immers een vorm van pleegzorg waarin een gezin binnen de familie of het sociale netwerk een kind opneemt. De ouders en het kind kiezen voor een pleeggezin in de eigen omgeving. Lindeman en haar echtgenoot hebben de pleegzorg van hun twee kleinkinderen op zich genomen, omdat de dochter van Lindeman en haar voormalige partner niet in staat bleken voor de kinderen te kunnen zorgen. Lindeman en haar echtgenoot zijn de mening toegedaan dat zij wel degelijk netwerkpleegzorg verlenen. Reeds vanaf november 2003 hebben de kinderen bij Lindeman en haar echtgenoot hun woon- en verblijfplaats en worden zij door Lindeman en haar echtgenoot verzorgd en opgevoed.

38. Lindeman en haar echtgenoot leven beiden van een uitkering. Deze financiële situatie was ook bij Bureau Jeugdzorg en de Raad voor Kinderbescherming in 2003 bekend. Doordat het gezin niet is aangemerkt als (netwerk)pleeggezin heeft Lindeman geen enkele (pleeg)vergoeding ontvangen. Lindeman en haar echtgenoot moeten rondkomen van een minimum inkomen en dat terwijl het opvoeden van twee kinderen hoge kosten met zich meebrengt.

39. Lindeman benadrukt dat Bureau Jeugdzorg c.q. de Raad voor Kinderbescherming Lindeman en haar echtgenoot erop hadden moeten wijzen dat zij en de kinderen voor inschrijving als netwerkpleeggezin in aanmerking kwamen en hun hadden moeten aanmelden. Lindeman wijst erop dat zij altijd heeft gehandeld conform het advies van de Raad voor Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg. Lindeman is door geen enkele instantie op de hoogte gesteld dat zij pleegvergoeding kon ontvangen. Indien de Raad voor Kinderbescherming c.q. Bureau Jeugdzorg hierop wel hadden gewezen hadden Lindeman en haar echtgenoot een aanvraag voor netwerkpleegzorg kunnen indienen bij Bureau Jeugdzorg en deze had de aanmeldingsgegevens samen de indicatie kunnen doorsturen aan de Voorziening voor Pleegzorg. In dat geval hadden de kinderen en het gezin op dat moment kunnen worden ingeschreven voor netwerkpleegzorg. Een pleeggezin krijgt vanaf die dag pleegzorgvergoeding en een tijdelijk contract.

40. Dat Lindeman en haar echtgenoot als netwerkpleeggezin reeds in oktober 2003 hadden moeten worden aangemerkt en de daarbij behorende pleegvergoeding hadden moeten ontvangen, blijkt te meer uit het feit dat op 6 december 2006 door Bureau Jeugdzorg Flevoland een indicatiebesluit is afgegeven met betrekking tot beide kinderen. De gezinssituatie waarop het indicatiebesluit is gebaseerd, onderscheidt zich niet van de gezinssituatie zoals die bestond in november 2003. Dat Lindeman sinds 14 juli 2006 tot tijdelijk voogd van beide kinderen is benoemd doet hier niets aan af. Zulks is immers ook door de heer Hendriks van Bureau Jeugdzorg bevestigd. Lindeman vindt het dan ook onbegrijpelijk dat er vanaf 2003 een dergelijke indicatie niet door Bureau Jeugdzorg is verstrekt.

41. Zoals reeds eerder naar voren is gebracht, is vanaf 1998 Bureau Jeugdzorg al op de hoogte van het wel en wee van de moeder van de kinderen. Daardoor is de leefsituatie van de kinderen ook vanaf de geboorte van de kinderen bij Bureau Jeugdzorg en de Raad voor Kinderbescherming bekend. Door Bureau Jeugdzorg wordt dan ook ten onrechte beweerd dat de kinderen niet in bij hun bekend zijn vóór 2006. Immers heeft Bureau Jeugdzorg er voor gezorgd dat Emin vanaf zijn geboorte in 2002 verzekerd was bij zorgverzekeraar VGZ. Tevens heeft Lindeman zelf melding gedaan in 2003 bij het AMK – hetwelk een onderdeel is van Bureau Jeugdzorg – van ernstige kindverwaarlozing door Wendy en haar voormalige partner.

42. Ten aanzien van de Raad voor Kinderbescheming wenst Lindeman op te merken dat er in de herfst van 2004 een uitgebreid onderzoek heeft plaatsgevonden door de Raad voor Kinderbescherming Vestiging Lelystad naar de opvoedingssituatie van de kinderen op basis waarvan op 18 november 2004 het rapport raadsonderzoek civiele zaken met betrekking tot beide kinderen is uitgebracht. De Raad voor Kinderbescherming is van oordeel dat het belangrijk is dat de kinderen bij Lindeman en haar echtgenoot kunnen blijven, omdat zij voor regelmaat, duidelijkheid en rust zorgen. Het Ouder- en Kind Zorg te Almere, verder te noemen OZK, is daarbij verzocht om toezicht te blijven houden op de leefomstandigheden van de kinderen. De Raad voor Kinderbescherming heeft daarmee te kennen gegeven dat Lindeman en haar echtgenoot toch enige vorm van ondersteuning behoeven bij de opvoeding en zorg van de kinderen.

43. Ten tijde van voornoemd onderzoek door de Raad voor Kinderbescherming is Lindeman op geen enkele wijze gewezen op de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor pleegvergoeding. In de zomer van 2006 heeft Lindeman een verzoekschrift ingediend om te worden benoemd tot tijdelijk voogd. De Raad voor Kinderbescherming heeft in de procedure geen bezwaren ingebracht tegen de benoeming van Lindeman tot tijdelijk voogd. Opnieuw heeft de Raad voor Kinderbescherming nagelaten Lindeman te informeren omtrent de mogelijkheden om als (netwerk)pleeggezin te worden aangemerkt.

44. Ondanks het feit dat sinds 6 december 2006 een indicatiebesluit is afgegeven door Bureau Jeugdzorg erkent de Voorziening voor Pleegzorg zulks niet als een rechtsgeldig besluit, waardoor Lindeman en haar echtgenoot niet worden aangemerkt als pleegouders en de daarbij behorende vergoeding nog altijd niet ontvangen. De onrechtmatige situatie blijft aldus voortbestaan.

45. Voor een goede lichamelijke, geestelijke en sociale ontwikkeling van de kinderen is het van belang dat er door de Staat aan Lindeman voldoende middelen moet worden geven om een passende verzorging en opvoeding van de kinderen mogelijk te maken. Handhaving van de onderhavige situatie is dan ook in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

46. Lindeman is van mening dat uit artikel 8 EVRM voortvloeit dat als de Staat in het kader van een kinderbeschermingsmaatregel een kind in een (pleeg)gezin dient te worden opgenomen, aan die persoon (voor wie geen onderhoudsplicht geldt) voldoende middelen moet geven om een passende verzorging en opvoeding van het kind mogelijk te maken en te garanderen.

47. Gedaagden zijn als uitvoeringsinstanties van de Staat in financieel opzicht verantwoordelijk voor een adequate verzorging en opvoeding van kinderen die pleegzorg behoeven. In dit verband wenst Lindeman te wijzen op artikel 27 IVKR. De Staten die partij zijn, waaronder Nederland, erkennen het recht van ieder kind op een levensstandaard die toereikend is voor een goede lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke en sociale ontwikkeling van het kind. De Staten die partij zijn, nemen, in overeenstemming met de nationale omstandigheden en met de middelen die hun ten dienste staan, passende maatregelen om ouders en anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind te helpen dit recht te verwezenlijken, en voorzien, indien de behoefte daaraan bestaat, in programma's voor materiële bijstand en ondersteuning, met name wat betreft voeding, kleding en huisvesting. Lindeman is van mening dat gedaagden door hun huidig handelen niet de belangen van de kinderen voorop stellen en zich aan hun verantwoordelijkheden onttrekken. De zorgplicht die gedaagden in deze situatie hebben, is door hun dan ook op ernstige wijze geschonden.

48. De overheid pompt veel geld in dure campagnes om pleeggezinnen te werven. Zo staat op de website van Pleegzorg Nederland vermeld dat "Duizend kinderen wachten op een pleeggezin" Met de wervingscampagne ‘Wij zoeken nog een hart met wat ruimte’ vraagt Pleegzorg Nederland aandacht voor het belang van pleegzorg met als doel de werving van nieuwe pleegouders een forse impuls te geven. Deze geworven gezinnen komen wel voor pleegvergoeding in aanmerking. Voor Emin en Emmely is deze campagne niet nodig geweest. Lindeman en haar echtgenoot hebben zich meteen bereid verklaard de opvoeding en verzorging van de kinderen op zich te nemen. Doch de financiële ondersteuning in het belang van de kinderen ontbreekt. Lindeman is dan ook van mening dat hier sprake is van rechtsongelijkheid. Door Lindeman en haar echtgenoot wordt immers dezelfde zorg aan de kinderen geboden als de pleeggezinnen die zich aanmelden via Pleegzorg Nederland en wel pleegvergoeding ontvangen.

49. Lindeman is van mening dat het handelen van gedaagden gekwalificeerd dient te worden als een ernstige tekortkoming in de zorgverplichting die voortvloeit uit 8 EVRM en artikel 27 IVRK jegens de kinderen waarvan Lindeman en haar echtgenoot de zorg en opvoeding op zich nemen, subsidiair in ieder geval als onrechtmatig handelen zodat op grond van de redelijkheid en billijkheid aan de Lindeman schadevergoeding dient te worden toegekend.

50. Lindeman en haar echtgenoot zijn dan ook van mening dat zij met terugwerkende kracht vanaf 1 november 2003 dienen te worden aangemeld als pleegouder en dienovereenkomstig de daarbij behorende pleegvergoeding met terugwerkende kracht dienen te ontvangen.

WEREN GEDAAGDEN

51. Bureau Jeugdzorg stelt zich op het standpunt dat de Raad voor Kinderbescherming verantwoordelijk is voor het niet aanmelden van Lindeman en haar gezin als voor netwerkpleegzorg en de daarbij behorende pleegvergoeding. Tevens stelt Bureau Jeugdzorg dat vóór 2006 geen dossier c.q. gegevens van Emin en Emmely bij hun bekend zijn.

52. De Voorzien voor Pleegzorg Flevoland geeft te kennen dat iemand pleegouder voogd kan worden over de pleegkinderen als de kinderen geruime tijd bij een pleegouder verblijven. Volgens de Voorziening voor Pleegzorg Flevoland is gezien het feit dat Lindeman thans de (tijdelijke) voogdij op zich heeft opgenomen terwijl er geen sprake is van pleegzorg. De Regeling Pleegzorg wordt niet van toepassing verklaard op de gezinssituatie van Lindeman.

53. Bureau Jeugdzorg en de Voorziening voor Pleegzorg geven te kennen dat de Raad voor Kinderbescherming Lindeman niet heeft aangemeld als pleegouder en heeft nagelaten te zorgen voor een pleegcontract alvorens de voorlopige voogdij ter sprake te brengen. Lindeman zou dan ook geen recht op pleegvergoeding hebben. Het indicatiebesluit wordt door de Voorziening voor Pleegzorg als niet rechtsgeldig bestempeld, omdat de daarin aangegeven rechten niet stroken met de huidige situatie van Lindeman als tijdelijk voogd.

BEWIJS EN BEWIJSAANBOD

Lindeman verwijst in de eerste plaats naar de producties bij deze dagvaarding. Daarnaast biedt Lindeman bewijs aan van al haar hiervoor gedane stellingen via alle middelen rechtens, ondermeer middels het horen van getuigen, waaronder Lindeman zelf en haar echtgenoot zonder onverplicht enige bewijslast op zich te willen nemen.

MITSDIEN:

Dat het U, Edelachtbare, moge behagen bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor zover de wet zulks toelaat :

1. Gedaagden te bevelen om met onmiddellijke ingang Lindeman en haar gezin met terugwerkende kracht sinds 1 november 2003 aan te merken als (netwerk) pleeggezin conform de Wet op de pleegzorg alsmede de daarbij horende pleegvergoeding met terugwerkende kracht dienen te verstrekken.

2. Gedaagde te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen griffierechten en salaris procureur.

De kosten dezes zijn voor mij, € in debet

 

De deurwaarder voornoemd

De kosten dezes zijn voor mij, € in debet

 

 

LJN: BA6523, Centrale Raad van Beroep , 06/1565 WWB Print uitspraak

Datum uitspraak: 29-05-2007

Datum publicatie: 07-06-2007

Rechtsgebied: Bijstandszaken

Soort procedure: Hoger beroep

Inhoudsindicatie: Toekenning bijstandsuitkering naar alleenstaande norm met toeslag. Alleenstaande ouder? Pleegoudervergoeding.

 

Uitspraak

06/1565 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 31 januari 2006, 05/565 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het Dagelijks Bestuur van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Frysl?n (hierna: Dagelijks Bestuur).

Datum uitspraak: 29 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P. van Bommel, advocaat te Franeker, hoger beroep ingesteld.

Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2007. Voor appellante is verschenen mr. Van Bommel. Het Dagelijks Bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door F.B. Visser, werkzaam bij de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Frysl?n.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante heeft vanaf 27 december 2003 de volledige zorg voor haar kleinzoon [S.] (hierna: [S.]), geboren op 8 augustus 1997. Zij ontving op basis van een pleegcontract een vergoeding voor de verzorging en opvoeding van [S.] overeenkomstig de Regeling Vergoeding Pleeggezinnen (Regeling) van ? 13,77 per dag bij aanvang van het contract.

Bij besluit van 21 september 2004 heeft het Dagelijks Bestuur appellante met ingang van 30 augustus 2004 (aanvullende) bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10%. Bij besluit van 14 oktober 2004 heeft het Dagelijks Bestuur de toeslag verhoogd naar 20% per 12 oktober 2004 in verband met het verkrijgen van zelfstandige woonruimte.

Bij besluit van 3 maart 2005 heeft het Dagelijks Bestuur het bezwaar tegen de besluiten van 21 september 2004 en 14 oktober 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 3 maart 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder b, van de WWB - voor zover hiervan belang - wordt onder alleenstaande ouder verstaan: de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor een of meer tot zijn last komende kinderen.

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder d, van de WWB wordt onder kind verstaan: het in Nederland woonachtige eigen of stiefkind.

Vaststaat dat [S.] geen eigen of stiefkind van appellante is. Appellante kan daarom niet worden aangemerkt als een persoon die op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB voor de toepassing van deze wet als alleenstaande ouder moet worden beschouwd. Het Dagelijks Bestuur heeft dan ook terecht geweigerd om appellante in aanmerking te brengen voor bijstand naar die norm. In zoverre slaagt het hoger beroep niet. Het voorgaande betekent dat [S.] als zelfstandig subject van bijstand moet worden beschouwd.

Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB bepaalt dat geen recht op bijstand heeft degene die jonger is dan 18 jaar.

In artikel 16, eerste lid, van de WWB is bepaald dat het College aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand kan verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Het Dagelijks Bestuur stelt zich op het standpunt dat daarvan geen sprake is.

Aangezien het hier gaat om een minderjarig kind van Nederlandse nationaliteit, dient de beantwoording van de vraag of sprake was van zeer dringende redenen in dit geval te worden bezien in het licht van de artikelen 3, eerste en tweede lid, en 27, derde lid, van het Verdrag inzake de rechten van het kind (Trb. 1990, 170, hierna: IRVK). De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 29 maart 2005, LJN AT3468. Appellante heeft zich op dit verdrag ook beroepen.

Vast staat dat appellante zelf over in aanmerking te nemen middelen beschikte. Daarnaast ontving appellante als pleegouder van Pleegzorg Frysl?n een vergoeding van ? 413,10 per maand ten behoeve van [S.]. Dit betreft een genormeerde vergoeding voor de algemene kosten van verzorging en opvoeding van een jeugdige en varieert met de leeftijd van de jeugdige. Voorts kon op grond van de Regeling een extra vergoeding worden verkregen ten behoeve van de voor de jeugdige noodzakelijk gemaakte kosten. Gebleken is dat vanuit de jeugdzorg aan appellante extra vergoedingen zijn verstrekt voor kleding en zwemlessen van [S.]. Tevens is bijzondere bijstand verstrekt ten behoeve van [S.] voor onder andere de kosten van taxivervoer naar school.

Nu appellante de (extra) kosten van [S.] niet heeft onderbouwd, is, naar het oordeel van de Raad, onvoldoende aannemelijk geworden dat appellante ten tijde hier van belang niet in staat was te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding en andere voor [S.] essenti?le voorzieningen. Alle gegevens in samenhang bezien leiden de Raad tot de slotsom dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat ter zake van [S.] sprake is van zeer dringende redenen in de zin van artikel 16, eerste lid, van de WWB, zoals dat begrip, zoals hierboven is vermeld, in het licht van de van belang zijnde bepalingen van het IVRK moet worden uitgelegd. Ook in zoverre slaagt het hoger beroep niet.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en C. van Viegen en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2007.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) D. Olthof.

//

LJN: AZ5168, Raad van State , 200603009/1 Print uitspraak

Datum uitspraak: 27-12-2006

Datum publicatie: 27-12-2006

Rechtsgebied: Bestuursrecht overig

Soort procedure: Hoger beroep

Inhoudsindicatie: Bij besluit van 27 oktober 2004 heeft appellant een aanvraag van [wederpartij] om hem een subsidie te verlenen voor de verzorging en opvoeding van zijn kleindochter afgewezen.

 

Uitspraak

200603009/1.

Datum uitspraak: 27 december 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het Orthopedagogisch Centrum Kennemerland "Het Spalier",

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/3609 van de rechtbank Haarlem van 27 maart 2006 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2004 heeft appellant een aanvraag van [wederpartij] om hem een subsidie te verlenen voor de verzorging en opvoeding van zijn kleindochter afgewezen.

Bij besluit van 29 juni 2005 heeft appellant het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 maart 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit van 29 juni 2005 vernietigd en bepaald dat appellant binnen zes weken na de verzending van haar uitspraak met inachtneming daarvan een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 april 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 13 juli 2006 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 oktober 2006, waar appellant, vertegenwoordigd door W.J. Smits, werkzaam bij appellant, en mr. W.F. Roelink, advocaat te Hoofddorp, en [wederpartij] in persoon, bijgestaan door mr. J.I. Vervest, advocaat te Beverwijk, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet op de jeugdhulpverlening (vervallen; hierna: de Wjhv), zoals de wet luidde ten tijde hier van belang, wordt in deze wet en de daarop rustende bepalingen verstaan onder jeugdhulpverlening: activiteiten gericht op het bij jeugdigen voorkomen, verminderen of opheffen van problemen of stoornissen van lichamelijke, geestelijke, sociale of pedagogische aard die hun ontwikkeling naar volwassenheid ongunstig kunnen beïnvloeden.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wjhv wordt in deze wet en de daarop rustende bepalingen verstaan onder pleeggezin: een gezin van anderen dan de ouders of stiefouder van een jeugdige waarin de jeugdige wordt verzorgd en opgevoed.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wjhv, wordt de jeugdhulpverlening onderscheiden in, onder meer, de volgende typen: pleegzorg: hulpverlening bestaande uit het bieden van opneming in een pleeggezin en de daarmee verband houdende begeleiding van pleegkinderen, pleegouders, ouders en stiefouders.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Wjhv vangt secundaire hulpverlening van een type, genoemd in artikel 1, tweede lid, onder a, b of c, slechts aan en wordt deze slechts hervat als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, 3°, indien een bevoegde plaatsende instantie overeenkomstig deze wet niet langer dan twee maanden tevoren heeft vastgesteld dat die hulpverlening voor de betrokken jeugdige aangewezen is te achten. De hulpverlening geschiedt slechts gedurende de door de plaatsende instantie aangegeven termijn.

Ingevolge artikel 27, derde lid, van de Wjhv zijn als plaatsende instantie erkend:

a. voogdij-instellingen, ten aanzien van jeugdigen, waarover zij de voogdij dan wel de voorlopige voogdij uitoefenen;

b. de raad voor de kinderbescherming ten behoeve van een onderzoek naar de noodzaak van een maatregel tot beperking of ontneming van het ouderlijk gezag of de voogdij;

c. gezinsvoogdij-instellingen, ten aanzien van jeugdigen die onder hun toezicht staan.

Ingevolge artikel 39 van de Wjhv verstrekt een uitvoerder van een voorziening voor pleegzorg overeenkomstig artikel 40, aan een pleeggezin subsidie voor de verzorging en opvoeding van een jeugdige, indien:

a. de jeugdige daadwerkelijk in het pleeggezin wordt verzorgd en opgevoed op basis van een pleegcontract, overeenkomstig een door Onze ministers vast te stellen model;

b. ook overigens wordt voldaan aan het bij of krachtens deze wet bepaalde.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Wjhv bedraagt de subsidie voor elke jeugdige een door Onze ministers vast te stellen basisbedrag, dat voor te onderscheiden leeftijdscategorieën verschillend kan zijn.

2.2. Bij besluit van 27 oktober 2004 heeft appellant een aanvraag van [wederpartij] om hem een subsidie te verlenen voor de verzorging en opvoeding van zijn kleindochter afgewezen. Aan de afwijzing heeft appellant ten grondslag gelegd dat de subsidie op grond van de Wjhv slechts wordt verstrekt aan een pleeggezin, indien een minderjarige in een pleeggezin wordt verzorgd en opgevoed op basis van een pleegcontract en dat [wederpartij], die is belast met de voogdij over zijn kleindochter, niet is gelijk te stellen met een pleegouder. Bij de beslissing op bezwaar van 29 juni 2005 heeft appellant dit besluit gehandhaafd.

2.3. De rechtbank heeft het bij haar bestreden besluit vernietigd. Zij heeft daartoe overwogen dat het verschil tussen pleegouder en voogd geen onderscheid rechtvaardigt ten aanzien van een aanspraak op een subsidie als bedoeld in artikel 39 van de Wjhv. In de Wjhv, noch de totstandkomingsgeschiedenis ervan, zijn volgens de rechtbank aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat voogden, vanwege hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger, niet in aanmerking komen voor een dergelijke subsidie. Daarbij heeft de rechtbank onder meer in aanmerking genomen dat het onderhavige geval materieel dusdanig relevante gelijkenissen vertoont met de situatie van een pleeggezin, dat niet valt in te zien dat [wederpartij] als voogd van zijn kleindochter niet in aanmerking komt voor de gevraagde subsidie.

2.4. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Wjhv geen grondslag biedt aan anderen dan pleegouders pleegzorg - waaronder subsidie als bedoeld in artikel 39 van de Wjhv - te bieden.

2.4.1. Het betoog slaagt. Gelet op artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wjhv is deze wet gericht op het bij jeugdigen voorkomen, verminderen of opheffen van problemen of stoornissen van lichamelijke, geestelijke, sociale of pedagogische aard die hun ontwikkeling naar volwassenheid ongunstig kunnen beïnvloeden. Ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wjhv kunnen in dit kader jeugdigen in een pleeggezin worden geplaatst door - onder meer - voogdij-instellingen, ten aanzien van jeugdigen waarover zij de (voorlopige) voogdij uitoefenen. De plaatsende instantie draagt er onder meer zorg voor dat de hulpverlening die voor de jeugdige aangewezen wordt geacht, wordt gerealiseerd. In het kader van die hulpverlening wordt met pleegouders een pleegcontract gesloten. Voor de verzorging en opvoeding in het kader van hulpverlening kan aan de pleegouders met wie een dergelijk contract is gesloten, subsidie worden verleend om hen tegemoet te komen in de kosten van een dergelijke opvoeding en verzorging die zij aan de jeugdige bieden.

[wederpartij] en zijn vrouw vormen geen pleeggezin bij wie door een plaatsende instantie wegens een hulpverleningsvraag een kind is geplaatst op basis van een met de plaatsende instantie aangegaan pleegcontract. Gelet hierop is geen sprake van hulpverlening als bedoeld in de Wjhv in de vorm van opvoeding en verzorging op grond waarvan appellant aan [wederpartij] een subsidie als bedoeld in artikel 39 van de Wjhv kan verstrekken.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 27 maart 2006 in zaak no. AWB 05/3609;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Groenendijk

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2006