Enkele volledige uitspraken (inloggen, docx)
Tromp (inloggen, pdf, docx)
Alternatief jurisprudentie overzicht (inloggen, origineel, aangepast)
Erfbelasting .
Verzoekschrift haflwezenuitkering (inloggen)
Begrafeniskosten
Gerechtigden
Buitenland
Fiscale aspecten
Successierechten en notariskosten
Onderhoud algemeen
Carrière en toekomst ontwikkeling
Bruto / netto
Zwart inkomen
Behoefte en behoeftigheid
IPR
Zelfstandige
Staking onderneming
Financieel onderhoud
Inkomen overledene
Sociale uitkering
Inkomen partner
Bijstand
Kinderen
Inkomen kind
Eindleeftijd kinderen
Onderhoud in natura
Professionele hulp
Zelfwerkzaamheid
Concreet of abstract
Eindleeftijd
Gerechtigden
Gescheiden, zelfstandig vorderingsrecht
Samenwonen zonder ongeval
Hertrouwen en samenwonen m.o.
Ouders
Regresnemers
Berekening
Vaste lasten
Wijziging vaste lasten, hypotheek
Reservering variabele/vaste lasten
Belastinggarantie
Kapitaliseren, rente en sterfte
Alimentatie
Schade
Verzorging voor en door overlijden
BGK
Schadebeperkingsplicht
Rente
Normering
Smartegeld
Affectieschade en shockschade
PTSS
Voordelen
Wegvallen partner
Pleegouders
Levens-, sommenverzekering en pensioenvoorziening, ANW
Overlijdensuitkering
Voordelen en niet vorderbare schade
Gemengde verzekering en, premies
Vererving en vermogen
Rendement vererving en ander voordeel
Smartegeld
Belasting voor- en nadeel
Aansprakelijkheid
Billijkheidscorrectie
Bewijs
Deskundigenbericht
Omkeringsregel
Proportionele aansprakelijkheid
Relativiteit
Geboorteschade
Verjaring
Overeenkomst, exoneratie
Asbest
Schaderegeling
Levenssfeer
Voorschot
Matiging
Dwaling
1. Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is overlijdt, is die ander verplicht tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud:
a. aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner en de minderjarige kinderen van de overledene, tot ten minste het bedrag van het hun krachtens de wet verschuldigde levensonderhoud; (BW art. 1:81, hulp tussen echtgenoten, 245 lid 2ouderlijk gezag, 392-394, onderhoudsplichtigen, 395a onderhoud tot 21 jaar, 404 lid 1 verplichting naar draagkracht)
b. aan andere bloed- of aanverwanten van de overledene, mits deze reeds ten tijde van het overlijden geheel of ten dele in hun levensonderhoud voorzag of daartoe krachtens rechterlijke uitspraak verplicht was; (BW art. 1:392, 395, 396)
c. aan degenen die reeds vóór de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, met de overledene in gezinsverband samenwoonden en in wier levensonderhoud hij geheel of voor een groot deel voorzag, voor zover aannemelijk is dat een en ander zonder het overlijden zou zijn voortgezet en zij redelijkerwijze niet voldoende in hun levensonderhoud kunnen voorzien;
d. aan degene die met de overledene in gezinsverband samenwoonde en in wiens levensonderhoud de overledene bijdroeg door het doen van de gemeenschappelijke huishouding, voor zover hij schade lijdt doordat na het overlijden op andere wijze in de gang van deze huishouding moet worden voorzien. (BW 1406 (oud))
2. Bovendien is de aansprakelijke verplicht aan degene te wiens laste de kosten van lijkbezorging zijn gekomen, deze kosten te vergoeden, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene.
3. Hij die krachtens de vorige leden tot schadevergoeding wordt aangesproken, kan hetzelfde verweer voeren, dat hem tegenover de overledene zou hebben ten dienste gestaan. (Ontw. 6.1.9.12)
De rechtbank is van oordeel dat de vaste lasten concreet moeten worden berekend. Dat dat een belasting is betekent geen reden om de vaste lasten abstract te waarderen.
Met de uitkeringen uit ongevallen- en reisverzekering dient – als behoeftigheidsverminderend – rekening te worden gehouden.
Rekenrente: 2,5%.
Begrafeniskosten toegewezen; (reis)kosten naar Turkije voor jaarlijkse herdenking vallen niet onder kosten van art. 6:108 lid 2 BW.
De kosten van een grafmonument en de kosten van de grafakte van juni 1993 hangen zozeer samen met de lijkbezorging dat deze tot een redelijk bedrag voor vergoeding door London in aanmerking komen.
Indien het inkomen van de moeder is gestegen doordat zij rendement verkrijgt uit de aan haar uitgekeerde levensverzekeringen levert dat een verminderde behoefte aan levensonderhoud aan de zijde van het kind. De stelling van gedaagde dat de sommenverzekering ook strekt ter dekking van de begrafeniskosten onvoldoende onderbouwd en wordt gepasseerd.
Uitgaven als hulp en bijstand door familie/naaste vrienden bij de opbaring in huis van een dochter, houden rechtstreeks verband met het overlijden of de begrafenis.
3.3.3 Een gedenksteen van ongeveer een gemiddelde prijs moet in overeenstemming worden geacht met de omstandigheden waarin overledene geleefd heeft en dat daaraan niet afdoet dat die, gelet op haar inkomen, bovengemiddeld waren geweest, terwijl evenmin onbegrijpelijk is het oordeel dat een gedenksteen van gemiddelde prijs in 1998 op € 2.000,-- kon worden begroot, nu de gemiddelde prijs van een grafsteen in 2002, naar 's hofs vaststelling, € 1.942,-- bedroeg en de door [eiser] opgegeven gemiddelde prijs van € 2.500,-- kennelijk betrekking had op informatie uit 2003.
Niet goed valt in te zien hoe een begrafenis zou kunnen worden verzorgd zonder kosten te maken voor graf en begraafrechten. Uit art. 6:108 BW kan niet worden afgeleid dat de betwiste kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Dit onderdeel van de vordering wordt toegewezen.
Het hof wijst op de discussie die naar aanleiding van art. 6.1.9.12 NBW in de Tweede Kamer is gevoerd, waarbij een voorstel om vooruitlopend op de invoering van het NBW bij art. 1406 (oud) een bepaling op te nemen krachtens welke de begrafeniskosten door de veroorzaker c.q. aansprakelijke persoon dienden te worden vergoed, niet werd overgenomen (PG Boek 6, blz. 1313).
Zoon is eiser. Nota begrafeniskosten op naam van de echtgenote afgewezen omdat de zoon die schade niet geleden heeft.
Regres werkgever na uitkeringen wegens dodelijk letsel werknemer.
Vordering kosten van lijkbezorging f 15.000,- aan onder meer vliegtickets naar Marokko en rituele kleding. Ondanks het grotendeels ontbreken van bewijsstukken, acht het Hof deze kosten niet onredelijk hoog. Het Hof wijst een bedrag van f 13.200,- toe.
Als gevolg van misdrijf overlijdt slachtoffer. Vordering nabestaanden van begrafeniskosten in Marokko, waaronder kosten van begeleiding van twee familieleden naar Marokko, condoleancekosten en langdurig verblijf in Marokko wegens rouw, toegewezen.
Nabestaanden vorderen kosten begrafenis in Italië ex art. 6:108 BW. Tekst noch totstandkomingsgeschiedenis van art. 6:108 lid 2 BW wijzen erop dat onder vergoedingsplicht niet vallen kosten van overbrenging van lichaam overledene naar tand van herkomst. Dat Nederlandse uitvaartverzekeringen begrafeniskosten tot lager bedrag zouden vergoeden, is zonder meer geen grond voor matiging gevorderde schade.
Bij de vaststelling van de vergoeding begrafeniskosten moet rekening worden gehouden met eventuele fiscale voordelen.
Bij de bepaling van de omvang van de vergoedingsplicht moet rekening worden gehouden met eventuele fiscale voordelen voor de nabestaande in verband met fiscale aftrekbaarheid van de kosten van lijkbezorging, maar het inkomen geeft daarvoor geen reden.
De stelling van gedaagde de moeder de begrafeniskosten als bijzondere ziektekosten heeft afgetrokken van de belasting onvoldoende onderbouwd en wordt gepasseerd.
Uitgaven van belanghebbende, gedaan ter zake van hulp en bijstand door familie/naaste vrienden bij de opbaring in eigen huis van een overleden dochter, houden rechtstreeks verband met het overlijden of de begrafenis.
De betaalde successiebelasting moet worden aangemerkt als schade, die moet worden verrekend met het opgekomen voordeel uit de ongevallenverzekeringen.
Kosten notaris voor afwikkeling boedel zijn geen kosten in de zin van art. 6:108 lid 2. Deze kosten zijn te verrekenen met een opkomend voordeel, namelijk de rente over de erfenis.
De bijdrage aan zorgtaken was beperkt. Vervangende hulp was niet noodzakelijk. Uitgegaan wordt van één uur per week (à EUR 20,- = EUR 1.040,- per jaar) tot september 2007, tot het jongste kind is gaan studeren.
Nabestaanden hebben in beginsel recht op een vergoeding waarmee zij kunnen blijven leven in de stand waarin zij gewend waren te leven en waarin zij vermoedelijk zouden hebben geleefd in de hypothetische situatie zonder ongeval.
Vastgesteld moet worden wat de hypothetische bijdrage van de overledene zou zijn geweest in het aantal uren opvoeding.
Gemengd karakter. Enerzijds de plicht tot volledige schadevergoeding. Bepaling bijdrage van de overleden echtgenoot in het levensonderhoud van de achterblijvende partij. Dat vergeleken met de positie waarin de nabestaande door het overlijden is komen te verkeren, de gehele financiële positie van de nabestaande in aanmerking genomen (HR 4 februari 2000, nr. R98/138, NJ 2000, 600). De wijzigingen dienen te worden verdisconteerd, zowel wat betreft de omvang van de bijdrage van de overledene, als van de behoefte van de nabestaande die op het moment van overlijden redelijkerwijs waren te verwachten (MVA II bij art. 6:108, Parl. Geschiedenis. Boek 6, blz. 397). Anderzijds heeft deze verplichting mede een alimentatierechtelijk karakter. Hieruit volgt onder meer dat de nabestaande aan art. 6:108 slechts een vordering kan ontlenen voor zover bij deze sprake is van behoeftigheid, gerelateerd aan de specifieke situatie van de huishouding waarvan de overledene en de nabestaande deel uitmaakten (HR 16 december 2005, nr. CO4/276, NJ 2008, 186).” Onder "hetgeen de overledene aan de nabestaande feitelijk placht te verstrekken" moeten niet uitsluitend financiële bijdragen worden begrepen, maar ook bijdragen kunnen vallen van andere aard, zoals het verrichten van huishoudelijke taken en het leveren van een bijdrage aan de opvoeding van de minderjarige kinderen.Het komt vaak voor dat beide ouers zowel door het verrichten van zorgtaken, een bijdrage leveren aan de gemeenschappelijke huishouding. Valt deze bijdrage van een van de echtelieden weg door diens overlijden, dan lijdt de achterblijvende echtgenoot daardoor schade. De gehele inkomensschade die deze daardoor lijdt, dient te worden betrokken bij de berekening van de omvang van de in art. 6:108 bedoelde schadevergoedingsplicht.
Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 11 juli 2008, nr. C07/010, LJN BC9365, heeft geoordeeld, geldt de in de aanhef van art. 6:108 BW besloten beperking dat geen aanspraak op schadevergoeding bestaat voor zover de nabestaande, kort gezegd, gelet op alle omstandigheden van het geval ondanks zijn schade niet als behoeftig kan worden aangemerkt, ook voor het in lid 1, onder d, omschreven geval waarin de overledene in het levensonderhoud bijdroeg door het doen van de gemeenschappelijke huishouding. Zie ook HR 16 december 2008 NJ 2008, 186
Ook als overledene in de periode dat hij in Nederland woonachtig was, een uitkering genoot moet worden bekeken welk inkomensniveau hij had kunnen bereiken. Echter, voor de bepaling van het gestelde hypothetische inkomensniveau heeft benadeelde onvoldoende aanknopingspunten geboden.
Het enkele gegeven dat veel (en steeds meer) vrouwen hun werkzaamheden bij het ouder worden van hun kinderen uitbreiden, brengt nog niet mee dat dit ook voor [eiseres] geldt; in het bijzonder is niet duidelijk of de algemene statistische gegevens in dit opzicht een juiste afspiegeling zijn van de groep waartoe [eiseres] behoort c.q. van de situatie waarin zij zich bevindt.
Aanvaarding van het door eiseres geschetste toekomstperspectief (uiteindelijk bevordering tot adjunct-onderofficier, de gestelde carrièrestappen wijken niet af van wat binnen de desbetreffende werkkring gangbaar is.
De omvang van de schadevergoeding waarop de nabestaanden aanspraak hebben, wordt dus bepaald aan de hand van de behoeftigheid van de nabestaanden.
dat het (....) aankomt op de waarschijnlijke bijdrage aan levensonderhoud die van hen door hun verzorger nog zou zijn genoten, indien deze niet ware gedood.
"dat het voor de beoordeling of er schade is geleden die te vergoeden valt, en voor de vaststelling van het bedrag der schadevergoeding aankomt op de waarschijnlijke bijdrage aan levensonderhoud die van hen door hun verzorger nog zou zijn genoten, indien deze niet ware gedood. Dat deze afhangt niet alleen van de omstandigheden zoals deze bij het overlijden van de verzorger waren, maar ook van de omstandigheden, zoals deze, indien hij ware blijven leven, naar een redelijke verwachting, in de naaste of verdere toekomst, waarschijnlijk zouden zijn gewijzigd."
Een uitkering ter aflossing van de hypotheek leidt tot lagere vaste lasten en daarmee tot een verminderde behoefte aan levensonderhoud aan de zijde van de nabestaanden. De sommenverzekering is een zogenaamde gemengde verzekering, die ook in de situatie zonder ongeval op enig moment tot uitkering zou zijn gekomen. Van voordeel ten opzichte van de situatie zonder ongeval kan vanaf dat moment niet meer worden gesproken: ook in de situatie zonder ongeval zou het gezin vanaf dat moment immers meer te besteden hebben gehad. Dit dient in de schade-berekening tot uitdrukking te worden gebracht. De variabele behoeften vanaf het moment dat de verzekering zonder ongeval zou hebben uitgekeerd dienen te worden vermeerderd met het bedrag waarmee de vaste lasten (door besparing van hypotheeklasten) worden verminderd.
Ontvankelijkheid cassatieberoep: niet appellabel vonnis eerste aanleg; geen ambtshalve cassatie Hoge Raad. Verhaalsrecht werkgever voor doorbetaald loon (art. 6:107a BW) beperkt tot netto loonkosten.
Het cassatieberoep is ontvankelijk nu in cassatie niet is aangevoerd dat de Rechtbank thans eiseres tot cassatie ambtshalve in haar hoger beroep niet ontvankelijk had dienen te verklaren gezien de niet-appellabiliteit van het vonnis van de Kantonrechter en de Hoge Raad niet bevoegd is het door de Rechtbank gewezen vonnis ambtshalve te casseren.
Tegen de achtergrond van de voor de toepassing van de Verhaalswet Ongevallen Ambtenaren geldende regel dat - in het belang van de hanteerbaarheid van de wet en een zo eenvoudig mogelijke toepassing daarvan in de praktijk - geen verhaal kan worden gezocht voor eventuele inkomstenbelasting en premies voor sociale verzekeringswetten, een regel die geldt zowel bij overlijden van de verzekerde als bij letselschade, moet art. 6:107a BW (verhaalsrecht werkgever voor doorbetaald loon) dienovereenkomstig worden uitgelegd en geldt deze uitleg mede voor doorbetalingen van loon waardoor het in deze bepaling bedoelde civiele plafond nog niet wordt overschreden.
Hoogte civiel plafond bij verhaalsaktie o.g.v. VOA Schadevergoeding ex art. 1406 BW onbelast.
In de toekomst te lijden schade moet worden begroot na afweging van de goede en kwade kansen. Bij de begroting van de omvang van de schade als de onderhavige, te weten schade door arbeidsongeschiktheid wegens gemist overwerk en gemiste nevenwerkzaamheden, zal de rechter aan de hand van de beschikbare gegevens moeten vaststellen en eventueel moeten schatten welk netto-inkomen de gelaedeerde zou hebben genoten of zou hebben kunnen genieten indien ter zake van de beloning zou zijn overeengekomen dat belasting en premie zou worden ingehouden. Er is slechts voldoende grond om bij de begroting van de schade uit te gaan van een bruto-vergoeding indien en voorzover aannemelijk is dat degene voor wie de gelaedeerde "zwart" werkte, bereid was geweest c.q. zou zijn gebleven (alsnog) de verschuldigde belasting en premie volledig voor zijn rekening te nemen.
De rechtbank is van oordeel dat de vaste lasten concreet moeten worden berekend. Dat dat een belasting is betekent geen reden om de vaste lasten abstract te waarderen.
Met de uitkeringen uit ongevallen- en reisverzekering dient – als behoeftigheidsverminderend – rekening te worden gehouden.
Rekenrente: 2,5%.
Begrafeniskosten toegewezen; (reis)kosten naar Turkije voor jaarlijkse herdenking vallen niet onder kosten van art. 6:108 lid 2 BW
3.5.2 “(…) Opgemerkt wordt nog dat in geval van schadevergoeding bij overlijden (art. 6:108 BW) een genoten voordeel als regel steeds in aanmerking zal moeten worden genomen, gelet op de in dat voorschrift besloten liggende behoeftigheidsmaatstaf.”
“3.3 Middel I komt tegen deze overweging op. Voor zover het middel klaagt dat het hof heeft miskend dat een vordering tot vergoeding van een schadepost als hier aan de orde slechts toewijsbaar is in geval van behoeftigheid van de eisende partij, is het gegrond. Immers, zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 11-07-2008, nr. C07/010, LJN BC9365, heeft geoordeeld, geldt de in de aanhef van art. 6:108 BW besloten beperking dat geen aanspraak op schadevergoeding bestaat voor zover de nabestaande, kort gezegd, gelet op alle omstandigheden van het geval ondanks zijn schade niet als behoeftig kan worden aangemerkt, ook voor het in lid 1, onder d, omschreven geval waarin de overledene in het levensonderhoud bijdroeg door het doen van de gemeenschappelijke huishouding. De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.”
Het hof tekent aan dat vast staat dat het gemiddelde winstaandeel van ouders na het overlijden in elk geval niet is verminderd en dat de familie de voornaamste omzet (kweek van tulpen) op peil heeft weten te houden.
3.4.1. De in de aanhef van art. 6:108 BW ("schade door het derven van levensonderhoud") besloten liggende beperking dat geen aanspraak op schadevergoeding bestaat voor zover de nabestaande, gelet op alle omstandigheden van het geval, ondanks zijn schade niet als behoeftig kan worden aangemerkt, geldt - evenzeer als het geval is voor de in lid 1, onder a tot en met c, omschreven gevallen waarin de overledene in het levensonderhoud bijdroeg door het verschaffen van materiële voorzieningen zoals kleding, voedsel of financiële bijdragen (vgl. HR 4 februari 2000, nr. R98/132, NJ 2000, 600) - ook voor het in lid 1, onder d, omschreven geval waarin de overledene in het levensonderhoud bijdroeg door het doen van de gemeenschappelijke huishouding.
3.3.1. het gaat om de vraag naar de behoeften van de langstlevende in de betekenis die aan die term ook in art. 1:397 lid 1 BW toekomt. Het hof heeft dus, door te oordelen dat voor het hier toepasselijke art. 6:108 lid 1, aanhef en onder c, de eis geldt dat bij de nabestaande sprake is van behoeftigheid die niet is gerelateerd aan de specifieke situatie van de huishouding waarvan de overledene en de nabestaande deel uitmaakten, maar van behoeftigheid 'in algemene zin', blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
Zie voor Hof: Hof: 15 juni 2004 rolnr. C0300327/RO
Het hof oordeelt dat de man alleen recht heeft op vergoeding van schade wegens het derven van levensonderhoud, indien hij redelijkerwijs niet voldoende in zijn levensonderhoud kan voorzien en de de overledenen bovendien geheel of voor een groot deel in zijn levensonderhoud voorzag.
De vordering uit art 6:108 lid 1 d kent geen behoeftigheidsvereiste
Een vrouw overlijdt door een ongeval. Voordien verzorgde zij de gemeenschappelijke huishouding van haar en haar man. De man vordert na het overlijden de kosten van een huishoudelijke hulp. De verzekeraar stelt dat bij het bepalen van de behoefte van de man zijn gehele financiële positie in aanmerking genomen dient te worden en dat sprake is van een overschot. De rechtbank oordeelt dat het gaat om kosten van vervangende hulp die bepaald worden door de behoefte aan zodanige hulp en niet door de behoefte aan levensonderhoud in het algemeen. Voor de hoogte van de aan de man toekomende schadevergoeding zijn doorslaggevend de daadwerkelijke uitgaven voor vervangende huishoudelijke hulp en niet de financiële behoefte aan de zijde van de man, aldus de rechtbank. Ook de aan de man gedane uitkeringen uit hoofde van levensverzekeringen, spelen in dit verband geen rol.
Onvoldoende onderbouwd dat eiseres na verloop van tijd in haar eigen onderhoud zal voorzien; statistisch materiaal daarvoor niet toereikend.
Het enkele gegeven dat veel (en steeds meer) vrouwen hun werkzaamheden bij het ouder worden van hun kinderen uitbreiden, brengt nog niet mee dat dit ook voor [eiseres] geldt; in het bijzonder is niet duidelijk of de algemene statistische gegevens in dit opzicht een juiste afspiegeling zijn van de groep waartoe [eiseres] behoort c.q. van de situatie waarin zij zich bevindt.
Een uitkering ter aflossing van de hypotheek leidt tot lagere vaste lasten en daarmee tot een verminderde behoefte aan levensonderhoud aan de zijde van de nabestaanden. De sommenverzekering is een zogenaamde gemengde verzekering, die ook in de situatie zonder ongeval op enig moment tot uitkering zou zijn gekomen. Van voordeel ten opzichte van de situatie zonder ongeval kan vanaf dat moment niet meer worden gesproken: ook in de situatie zonder ongeval zou het gezin vanaf dat moment immers meer te besteden hebben gehad. Dit dient in de schade-berekening tot uitdrukking te worden gebracht. De variabele behoeften vanaf het moment dat de verzekering zonder ongeval zou hebben uitgekeerd dienen te worden vermeerderd met het bedrag waarmee de vaste lasten (door besparing van hypotheeklasten) worden verminderd.
Maatgevend is de schade die de nabestaande lijdt door het derven van levensonderhoud dat hij van de overledene ontving. Het recht op schadevergoeding is in zoverre beperkt dat geen recht op schadevergoeding bestaat, voorzover de nabestaande, gezien zijn financiële omstandigheden en de stand waarin hij leeft, ondanks deze schade als niet-behoeftig kan worden aangemerkt.
Met alle gunstige financiële omstqndigheden moet bij de schadevergoeding rekening worden gehouden.
De omvang van de schadevergoeding waarop de nabestaanden aanspraak hebben, wordt bepaald aan de hand van de behoeftigheid van de nabestaanden.
Er bestaat slechts recht op schadevergoeding voor zover en zolang de nabestaanden zo'n vergoeding, gezien hun financiële omstandigheden en de stand waarin zij leven, behoeven. Door hertrouwen van de overblijvende echtgenoot vervalt de aanspraak die hij krachtens art. 6:108 BW heeft, voor eens en voor altijd, omdat er dan tussen hem en de nieuwe echtgenoot burgerrechtelijke betrekkingen ontstaan. Een weduwe is na hertrouwen niet langer vorderingsgerechtigd. Hoogte civiel plafond bij verhaalsaktie o.g.v. VOA Schadevergoeding ex art. 1406 BW onbelast. Invloed hertrouwen en later concubinaat weduwe.
“Subonderdeel a3 gaat er terecht vanuit dat de in art. 1406 BW genoemde personen slechts een recht wordt toegekend op vergoeding van de schade die zij lijden door het derven van levensonderhoud tengevolge van de dood van degene door wiens arbeid zij werden onderhouden, voorzover en zolang zij die vergoeding, gezien hun financiële omstandigheden en de stand waarin zij leven, behoeven.”
stand en fortuin in verband met art- 1406 BW
Beoordeeld moet worden of de onderhoudskosten geheel of ten dele uit de arbeidsinkomsten van de overledene werden bestreden.
Nederlands recht is van toepassing op de vordering. Aan Irakees (alimentatie)recht komt geen betekenis toe.
Bij het bepalen van de draagkracht in de hypothetische situatie dat betrokkene niet zou zijn overleden, moet als uitgangspunt worden genomen het inkomen ten tijde van zijn overlijden. Daarnaast moet rekening worden gehouden met waarschijnlijk relevante ontwikkelingen. Het is speculatief dat beide broers de ondernemingen tot grote bloei hadden weten te brengen. Voldoende progressie aangenomen.
Uitgangspunt hypothetische situatie dat onderneming jaarlijks resultaat vanaf 2002 zou genereren gelijk aan gemiddelde concernresultaat in jaren 1999 t/m 2001 + algemene inflatiecijfers CBS.
Volgens vaste rechtspraak geeft artikel 6:108 BW een beperkt recht op schadevergoeding in die zin dat geen recht op schadevergoeding bestaat, voor zover de nabestaande, gezien zijn financiële omstandigheden en de stand waarin hij leeft, ondanks deze schade als niet behoeftig kan worden aangemerkt. De cijfers van de maatschap geven geen aanleiding tot behoeftigheid omdat hun winstaandeel niet is verminderd. Van behoeftigheid blijkt niet omdat geen inzage in de totale inkomenspostie van vader en moeder wordt gegeven.
Schade die de onderneming lijdt door het overlijden komt niet voor vergoeding in aanmerking.
Arbeidsongeschikte vader die door met hem in maatschap samenwerkende zoon werd onderhouden. Toerekening winst aan arbeid. Invloed eigendom bedrijf op behoeftigheid. Omvang schadevergoeding ex art. 7A:1638x BW.
De vordering inzake de kosten wegens de beëindiging van de bedrijfsvoering betreffen kosten die niet op grond van art. 6:108 BW voor vergoeding in aanmerking komen.
Het ziekenhuis had met enige tussentijd twee kunstfouten gemaakt. Door de eerste fout was betrokkene in de WAO terechtgekomen. De schade ter zake is met een vaststellingsovereenkomst geregeld. Door de tweede causaal losstaande kunstfout overleed de betrokkene.
Als uitgangspunt voor het onderhoud dat betrokkenen verschafte moet worden genomen het inkomen dat de overledene had ten tijde van zijn overlijden, derhalve de WAO-uitkering, verhoogd met het deel van de vergoeding voor de eerste kunstfout dat toegerekend kan worden als inkomen over de periode voorafgaand aan het overlijden.
Beoordeeld moet worden of de onderhoudskosten geheel of ten dele uit de arbeidsinkomsten van de overledene werden bestreden.
Het ziekenhuis had met enige tussentijd twee kunstfouten gemaakt. Door de eerste fout was betrokkene in de WAO terechtgekomen. De schade ter zake is met een vaststellingsovereenkomst geregeld. Door de tweede causaal losstaande kunstfout overleed de betrokkene.
Als uitgangspunt voor het onderhoud dat betrokkenen verschafte moet worden genomen het inkomen dat de overledene had ten tijde van zijn overlijden, derhalve de WAO-uitkering, verhoogd met het deel van de vergoeding voor de eerste kunstfout dat toegerekend kan worden als inkomen over de periode voorafgaand aan het overlijden.
Ook als overledene in de periode dat hij in Nederland woonachtig was, een uitkering genoot moet worden bekeken welk inkomensniveau hij had kunnen bereiken. Echter, voor de bepaling van het gestelde hypothetische inkomensniveau heeft benadeelde onvoldoende aanknopingspunten geboden.
Bij de schadeberekening moet in de omstandigheden van dit geval ervan uit worden gegaan, dat [D] zonder de mishandeling op zijn 65ste een AOW-uitkering voor gehuwden met volledige toeslag zou hebben ontvangen.
Een 58-jarige, werkloze man overlijdt na mishandeling. Gederfd levensonderhoud: geen redelijke verwachting vinden betaald werk; wel weggevallen AOW na 65 jaar. Vanwege hoge vaste lasten alleen aftrek wegens wegvallen levensonderhoud man (variabele laste) alleen op AOW-uitkering, niet op inkomsten uit verhuur en vermogen.
Vader voorzag kennelijk net als de overledene in het onderhoud van het gezin. Bij de berekening van de schade dient de vader dan een deel van zijn inkomen ook aan de andere leden van zijn gezin toe te rekenen. Ook een uitkering uit sommenverzekering dient hij niet uitsluitend aan zichzelf toe te rekenen. Dat vloeit voort uit de aard van de verzekering, waarvan niet vaststaat dat de premies uitsluitend door en ten behoeve van hemzelf zijn voldaan.
2.3 In de eerste plaats heeft RVS aangegeven dat (vader) in deze nieuwe berekening ten onrechte en in afwijking van zijn eerdere stellingneming zijn inkomen uit onderneming heeft toegerekend aan zichzelf in persoon (en dus niet aan het gezin). Met RVS is de rechtbank van oordeel dat voor een dergelijke verwerking van (vader)' ondernemersinkomsten geen deugdelijke grondslag is aan te wijzen. Daaruit vloeit voort dat deze inkomsten aan het gezin, en dus mede aan (dochter), moeten worden toegerekend, hetgeen tot een lagere schade aan de kant van (dochter) leidt.
Conform het arrest van het Hof te Arnhem van 28 november 1978, NJ 1980/130 dient de uitkering krachtens de ABW buiten beschouwing te blijven.
De hertrouwkans van de overblijvende echtgenoot dient te worden ingecalculeerd, mits dat hertrouwen 'naar een redelijke verwachting zo waarschijnlijk is te achten, dat daarvan (…) valt uit te gaan'. Anders dan het hof - op het voetspoor van de rechtbank - heeft geoordeeld brengt de strekking van art. 1406 (oud) BW in verband met de reeds vóór 1 jan. 1992 bestaande rechtsopvattingen mee aan te nemen dat ook onder het toen geldende recht stiefkinderen die tot het gezin van de 'nedergeslagene' behoorden en door hem plachten te worden onderhouden, deel uitmaakten van de 'nauwe kring van nabestaanden' die - ingevolge genoemde wetsbepaling - gerechtigd was tot schadevergoeding jegens degene die wegens de dood van de nedergeslagene aansprakelijk is. In dat verband is - tegen de achtergrond van de reeds in 1953 door de Tweede Kamer aanvaarde conclusie dat evenbedoelde 'kring van nabestaanden' ware uit te breiden 'tot allen die tegen de overledene een recht op levensonderhoud hadden' (Parl. Gesch. Alg. Deel, p. 110; idem Boek 6, p. 390-392) - van doorslaggevend gewicht dat sedert 1 jan. 1970 geldt dat stiefouders gedurende hun huwelijk jegens minderjarige, tot hun gezin behorende stiefkinderen (wettige of natuurlijke kinderen van hun echtgenoot) onderhoudsplichtig zijn (art. 1:392 en 395 BW). Sedertdien bestaat geen rechtvaardiging voor het in het kader van art. 1406 maken van onderscheid tussen eigen kinderen van de 'nedergeslagene' en diens stiefkinderen: dat de onderhoudslast van de kinderen op de aansprakelijke persoon wordt gelegd, is in beide gevallen tegenover alle betrokkenen gewettigd (vgl. HR 28 febr. 1986, NJ 1987, 100).
'De strekking van art. 1406 - voor zover hier van belang - is om de aansprakelijkheid wegens het veroorzaken van de dood van een ander te beperken tot een nauwe kring van nabestaanden, waaronder de kinderen van de overledene, (…). Daarmee strookt dat deze aansprakelijkheid eindigt als het kind naderhand wordt geadopteerd en het aldus de staat van wettig kind van de adoptief ouders verkrijgt, terwijl de familierechtelijke betrekkingen met zijn overleden ouder ophouden te bestaan.'
HR 10-02-1961 NJ 1961, 184 ; VR 1961, 50 (Vos/NEN) Postuum kind is vorderingsgerechtigd ex art. 1406 BW
De rechtbank acht het, mede gelet op de gemaakte keuze met betrekking tot de looptijd, niet redelijk om rekening te houden met bijverdiensten tijdens de studie.
Bij de berekening van het verlies van levensonderhoud met de inkomsten uit kinderbijslag en studiefinanciering rekening moet worden gehouden.
Het weglaten van de kinderbijslag uit de berekeningen heeft geen gevolg voor de hoogte van de schade (CV Rb is verkeerd geïnstrueerd).
Het komt de rechtbank voor dat studeren tot het 23e levensjaar in deze zaak een redelijk uitgangspunt is. In dit verband is van belang dat beide ouders van [X] gestudeerd hebben en dat in het kader van de schadeberekening het uitgangspunt is dat [X] enig kind is. Het is een feit van algemene bekendheid dat kinderen uit een milieu als het milieu waaruit [X] afkomstig is in het algemeen door hun ouders plegen te worden gestimuleerd om een zo hoog mogelijk niveau van scholing te bereiken.
De bijdrage aan zorgtaken was beperkt. Vervangende hulp was niet noodzakelijk. Uitgegaan wordt van één uur per week (à EUR 20,- = EUR 1.040,- per jaar) tot september 2007, tot het jongste kind is gaan studeren.
Nu dochter toen zij 18,5 jr oud was in de horeca ging werken en geen inzicht heeft verschaft in de hoogte van haar inkomsten in die periode kan niet worden vastgesteld in hoeverre mogelijk sprake is geweest van een ‘tekort’ en dus van behoeftigheid aan haar zijde.
Het is redelijk om ten aanzien van gederfd levensonderhoud het 21e levensjaar als uitgangspunt te nemen, aangezien ouders krachtens familierechtelijke bepalingen normaliter ook tot dit levensjaar tot betaling van alimentatie zouden kunnen worden gehouden (indien het kind schoolgaand is).
Aansluiting zoekend bij fiscale en andere wettelijke vergoedingsregelingen die op het punt van kinderopvang gelden, is het maken van oppaskosten gedurende de basisschool-periode redelijk. Aangezien de overstap naar het voortgezet onderwijs doorgaans in het 12e levensjaar plaatsvindt en er geen aanwijzingen zijn dat dit voor [minderjarige 2] anders zal zijn, is het in casu redelijk om uit te gaan van opvangkosten tot september 2011.
Het is redelijk om uit te gaan van de periode waarin ouders krachtens familierechtelijke bepalingen normaliter tot betaling van alimentaire bijdragen kunnen worden gehouden, te weten tot het 21e levensjaar. Door partijen zijn geen bijzondere feiten of omstandigheden naar voren gebracht, die tot afwijken daarvan nopen.
De Hoge Raad omzeilt - net als het gerechtshof - naar het oordeel van de kantonrechter de dogmatische vraag of de wettekst in artikel 6:108, lid 1 BW inkomensderving van “derden” bij overlijden niet dan wel zeer beperkt voor vergoeding in aanmerking komt. De inkomensschade van de overgebleven partner/ouder die in redelijkheid minder gaat werken om de weggevallen zorg voor het kind en het huishouden op te vangen, is in beginsel volledig vorderbaar. De omvang van de schadevergoedingsverplichting wordt in elk geval gemaximeerd tot de bespaarde kosten aan professionele hulp, die gegeven de omstandigheden redelijkerwijs zou kunnen zijn ingeschakeld, ware het niet dat eiseres ervoor heeft gekozen deze zorgtaken zelf uit te voeren. Voorkomen moet worden dat niet dubbel wordt vergoed door zowel de werkelijke oppaskosten te vergoeden als ook de verminderde inkomsten van de overblijvende ouder.
Gemengd karakter. Enerzijds de plicht tot volledige schadevergoeding. Bepaling bijdrage van de overleden echtgenoot in het levensonderhoud van de achterblijvende partij. Dat vergeleken met de positie waarin de nabestaande door het overlijden is komen te verkeren, de gehele financiële positie van de nabestaande in aanmerking genomen (HR 4 februari 2000, nr. R98/138, NJ 2000, 600). De wijzigingen dienen te worden verdisconteerd, zowel wat betreft de omvang van de bijdrage van de overledene, als van de behoefte van de nabestaande die op het moment van overlijden redelijkerwijs waren te verwachten (MVA II bij art. 6:108, Parl. Geschiedenis. Boek 6, blz. 397). Anderzijds heeft deze verplichting mede een alimentatierechtelijk karakter. Hieruit volgt onder meer dat de nabestaande aan art. 6:108 slechts een vordering kan ontlenen voor zover bij deze sprake is van behoeftigheid, gerelateerd aan de specifieke situatie van de huishouding waarvan de overledene en de nabestaande deel uitmaakten (HR 16 december 2005, nr. CO4/276, NJ 2008, 186).” Onder "hetgeen de overledene aan de nabestaande feitelijk placht te verstrekken" moeten niet uitsluitend financiële bijdragen worden begrepen, maar ook bijdragen kunnen vallen van andere aard, zoals het verrichten van huishoudelijke taken en het leveren van een bijdrage aan de opvoeding van de minderjarige kinderen.Het komt vaak voor dat beide ouers zowel door het verrichten van zorgtaken, een bijdrage leveren aan de gemeenschappelijke huishouding. Valt deze bijdrage van een van de echtelieden weg door diens overlijden, dan lijdt de achterblijvende echtgenoot daardoor schade. De gehele inkomensschade die deze daardoor lijdt, dient te worden betrokken bij de berekening van de omvang van de in art. 6:108 bedoelde schadevergoedingsplicht.
“3.3 Middel I komt tegen deze overweging op. Voor zover het middel klaagt dat het hof heeft miskend dat een vordering tot vergoeding van een schadepost als hier aan de orde slechts toewijsbaar is in geval van behoeftigheid van de eisende partij, is het gegrond. Immers, zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 11-07-2008, nr. C07/010, LJN BC9365, heeft geoordeeld, geldt de in de aanhef van art. 6:108 BW besloten beperking dat geen aanspraak op schadevergoeding bestaat voor zover de nabestaande, kort gezegd, gelet op alle omstandigheden van het geval ondanks zijn schade niet als behoeftig kan worden aangemerkt, ook voor het in lid 1, onder d, omschreven geval waarin de overledene in het levensonderhoud bijdroeg door het doen van de gemeenschappelijke huishouding. De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.”
Een vrouw overlijdt door een ongeval. Voordien verzorgde zij de gemeenschappelijke huishouding van haar en haar man. De man vordert na het overlijden de kosten van een huishoudelijke hulp. De verzekeraar stelt dat bij het bepalen van de behoefte van de man zijn gehele financiële positie in aanmerking genomen dient te worden en dat sprake is van een overschot. De rechtbank oordeelt dat het gaat om kosten van vervangende hulp die bepaald worden door de behoefte aan zodanige hulp en niet door de behoefte aan levensonderhoud in het algemeen. Voor de hoogte van de aan de man toekomende schadevergoeding zijn doorslaggevend de daadwerkelijke uitgaven voor vervangende huishoudelijke hulp en niet de financiële behoefte aan de zijde van de man, aldus de rechtbank. Ook de aan de man gedane uitkeringen uit hoofde van levensverzekeringen, spelen in dit verband geen rol.
3.4 Tegen deze achtergrond spitst de beoordeling van het middel zich erop toe of onder "hetgeen de overledene aan de nabestaande feitelijk placht te verstrekken" als hiervoor in 3.3.2 bedoeld, uitsluitend financiële bijdragen moeten worden begrepen, of ook bijdragen kunnen vallen van andere aard, zoals het verrichten van huishoudelijke taken en het leveren van een bijdrage aan de opvoeding van de minderjarige kinderen. Zoals al ligt besloten in het hiervoor in 3.3.2 aangehaalde arrest van 16 december 2005, is deze laatste opvatting de juiste. De andere, in deze zaak door Philip Morris verdedigde, opvatting miskent dat het vaak voorkomt - en onbetwist ook bij [verweerster] en haar overleden echtgenoot het geval was - dat beide echtelieden zowel in financiële zin als door het verrichten van zorgtaken, een bijdrage leveren aan de gemeenschappelijke huishouding, en daardoor mede aan elkaars levensonderhoud. Valt deze bijdrage van een van de echtelieden weg door diens overlijden, dan lijdt de achterblijvende echtgenoot daardoor schade. Is dat overlijden veroorzaakt door een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, en beperkt de achterblijvende echtgenoot deze schade door minder te gaan werken om zelf die zorgtaken te gaan verrichten, dan dient in beginsel de gehele inkomensschade die deze daardoor lijdt, te worden betrokken bij de berekening van de omvang van de in art. 6:108 bedoelde schadevergoedingsplicht.
Een 58-jarige, werkloze man overlijdt na mishandeling. Gederfd levensonderhoud: geen redelijke verwachting vinden betaald werk; wel weggevallen AOW na 65 jaar. Vanwege hoge vaste lasten alleen aftrek wegens wegvallen levensonderhoud man (variabele laste) alleen op AOW-uitkering, niet op inkomsten uit verhuur en vermogen. De rechtbank volgt stelling van weduwe dat man als huisman het leeuwendeel van het huishouden deed en kondigt een deskundigenbericht door een arbeidsdeskundige aan. Verweer dat schadepost concreet berekend moet wordt afgewezen. Gestelde waardeverlies van levensverzekeringen en pensioenen niet toewijsbaar; wel nadelig verschil tussen zonder overlijden uit te keren bedragen en daadwerkelijk uitgekeerde bedragen. Rekenrente: schadeposten met een lange looptijd: 3%, kortere looptijden 2%. De rechtbank kent aan de weduwe tevens € 10.000,- wegens shockschade toe.
Vordering van de weduwe terecht afgewezen, aangezien het in dit geval gaat om een situatie waarin het inschakelen van professionele hulp niet normaal en gebruikelijk is. Juiste opvatting om te toetsen aan arrest van 28 mei 1999, nr. 16850, NJ 1999, 564, mbt een vergoeding voor de tijd die ouders hebben besteed aan verpleging en verzorging kind.
Onder arbeid van de overledene mag tevens worden begrepen de inbreng van werkkracht van de omgekomen ouder bij de dagelijkse opvoeding en verzorging van de kinderen. Uitgaven die nodig zijn door het wegvallen van die werkkracht en inbreng, komen in beginsel voor vergoeding in aanmerking. De wijze waarop de overblijvende ouder aan de op deze rustende onderhoudsverplichtingen jegens de kinderen voldoet, behoort buiten beschouwing te blijven bij het vaststellen van de schade. (Een vordering uit aansprakelijkheidsrecht gaat voor die uit familierecht CV).
De Hoge Raad omzeilt - net als het gerechtshof - naar het oordeel van de kantonrechter de dogmatische vraag of de wettekst in artikel 6:108, lid 1 BW inkomensderving van “derden” bij overlijden niet dan wel zeer beperkt voor vergoeding in aanmerking komt. De inkomensschade van de overgebleven partner/ouder die in redelijkheid minder gaat werken om de weggevallen zorg voor het kind en het huishouden op te vangen, is in beginsel volledig vorderbaar. De omvang van de schadevergoedingsverplichting wordt in elk geval gemaximeerd tot de bespaarde kosten aan professionele hulp, die gegeven de omstandigheden redelijkerwijs zou kunnen zijn ingeschakeld, ware het niet dat eiseres ervoor heeft gekozen deze zorgtaken zelf uit te voeren. Voorkomen moet worden dat niet dubbel wordt vergoed door zowel de werkelijke oppaskosten te vergoeden als ook de verminderde inkomsten van de overblijvende ouder.
Aanvaard moet worden dat in geval van letselschade de kosten van huishoudelijke hulp door de aansprakelijke persoon aan de benadeelde moeten worden vergoed indien deze ten gevolge van het letsel niet langer in staat is de desbetreffende werkzaamheden zelf te verrichten, voor zover het gaat om werkzaamheden waarvan het in de situatie waarin het slachtoffer verkeert normaal en gebruikelijk is dat zij worden verricht door professionele, voor hun diensten gehonoreerde hulpverleners. Dit is niet anders indien die werkzaamheden in feite worden verricht door personen die daarvoor geen kosten in rekening (kunnen) brengen. In een geval waarin de ouders van een ernstig gewond kind, die dit kind thuis hadden verzorgd en verpleegd in plaats van deze taken aan professionele, voor hun diensten gehonoreerde, hulpverleners toe te vertrouwen, werd de vordering van de ouders tot schadevergoeding toewijsbaar geacht, hoewel zij niet daadwerkelijk kosten hadden gemaakt of inkomsten hadden gederfd (HR 28 mei 1999, nr. C 97/329, NJ 1999, 564). In een geval waarin een vrouw haar man gedurende diens laatste ziekte had verzorgd, oordeelde de Hoge Raad echter dat voor vergoeding van deze kosten geen plaats is indien het inschakelen van professionele hulp niet normaal en gebruikelijk is (HR 6 juni 2003, nr. C02/062, NJ 2003, 504).
3.4 Niet bepalend is of daadwerkelijk kosten worden gemaakt voor huishoudelijke hulp (vgl. HR 16 december 2005, nr. C04/276, NJ 2008, 186). Dit geldt vooral bij kinderen, omdat het wegvallen van de huishoudelijke arbeid vaak wordt voorzien - naast extra inzet van de overblijvende ouder (3.6 naast hetgeen redelijkerwijs van de vader aan extra inspanningen kan worden gevergd) - door vrijwillige (kosteloze) hulp van familie, vrienden of bekenden, ook omdat geld voor professionele hulp ontbreekt. Voor een deels objectieve benadering bestaat te meer aanleiding omdat het hier gaat om de begroting van nog niet ingetreden schade (art. 6:105 BW). Bij de vaststelling van de behoefte van de kinderen aan vervangende huishoudelijke hulp ligt voor de hand uit te gaan van de na het ongeval bekende concrete omstandigheden waarin zij tot aan hun meerderjarigheid zullen verkeren zonder rekening ermee te houden of reeds is voorzien in professionele huishoudelijke hulp dan wel of de mogelijkheid bestaat dat de overblijvende ouder in de toekomst gaat trouwen of samenwonen met een nieuwe partner die huishoudelijke taken in het gezin kan gaan verrichten.(AG gaat in op professionele hulp, voor Hof 7-08-2006 zie NJF 2007/32, geen rekening houden met partnerinkomen).
Professionele hulp is door Thuiszorg verleend. Onweersproken was dit eerst eenmaal per dag, later twee maal per dag en tenslotte in de laatste dagen voor het overlijden in de vorm van nachtverpleging. Gelet daarop hebben Appelanten naar het oordeel van het hof onvoldoende gesteld om te oordelen dat zij – naast de voormelde door Thuiszorg verleende zorg – zorg hebben verleend die beantwoordt aan het criterium "verzorging waarvan normaal en gebruikelijk is dat daarvoor professionele hulp wordt ingeschakeld".
Als de nieuwe echtgenote van de partner voorziet in de opvang van de kinderen bestaat geen vorderingsrecht voor een abstract daarvoor te berekenen schade, alleen bestaat dat als professionele hulp daarvoor werd ingeschakeld. Gezinsleden staan elkaar over en weer bij. Een stiefmoeder is niet gelijk te stellen met een betaalde hulp.
Vordering van de weduwe terecht afgewezen, aangezien het in dit geval gaat om een situatie waarin het inschakelen van professionele hulp niet normaal en gebruikelijk is. Juiste opvatting om te toetsen aan arrest van 28 mei 1999, nr. 16850, NJ 1999, 564, mbt een vergoeding voor de tijd die ouders hebben besteed aan verpleging en verzorging kind.
Bij arrest van 28 mei 1999, NJ 1999/564, heeft de Hoge Raad een oordeel gegeven over - onder meer - de vraag het verlies aan vakantiedagen. Niet aannemelijk is dat professionele betaalde hulpverleners worden ingeschakeld voor ziekenhuisbezoek ingeval de ouders niet in de gelegenheid zijn zelf het kind te bezoeken.
Opvolging Letselschaderichtlijn zelfwerkzaamheid tot 70 jaar.
Door opname van een bedrag wegens zelfwerkzaamheid heeft de deskundige zich buiten de opdracht van de rechtbank begeven.
De rechtbank is van oordeel dat de vaste lasten concreet moeten worden berekend. Dat dat een belasting is betekent geen reden om de vaste lasten abstract te waarderen.
Met de uitkeringen uit ongevallen- en reisverzekering dient – als behoeftigheidsverminderend – rekening te worden gehouden.
Rekenrente: 2,5%.
Begrafeniskosten toegewezen; (reis)kosten naar Turkije voor jaarlijkse herdenking vallen niet onder kosten van art. 6:108 lid 2 BW
De inkomensschade moet concreet worden berekend. Hieraan doet niet af dat de begroting van de schade abstracte karaktertrekken vertoont omdat de schade voor een groot deel pas in de toekomst ontstaat en rekening moet worden gehouden met aannames over de inkomensontwikkeling van [A] en onzekere toekomstige gebeurtenissen aan de zijde van [eisers] c.s.
Aanvaard moet worden dat in geval van letselschade de kosten van huishoudelijke hulp door de aansprakelijke persoon aan de benadeelde moeten worden vergoed indien deze ten gevolge van het letsel niet langer in staat is de desbetreffende werkzaamheden zelf te verrichten, voor zover het gaat om werkzaamheden waarvan het in de situatie waarin het slachtoffer verkeert normaal en gebruikelijk is dat zij worden verricht door professionele, voor hun diensten gehonoreerde hulpverleners. Dit is niet anders indien die werkzaamheden in feite worden verricht door personen die daarvoor geen kosten in rekening (kunnen) brengen. In een geval waarin de ouders van een ernstig gewond kind, die dit kind thuis hadden verzorgd en verpleegd in plaats van deze taken aan professionele, voor hun diensten gehonoreerde, hulpverleners toe te vertrouwen, werd de vordering van de ouders tot schadevergoeding toewijsbaar geacht, hoewel zij niet daadwerkelijk kosten hadden gemaakt of inkomsten hadden gederfd (HR 28 mei 1999, nr. C 97/329, NJ 1999, 564). In een geval waarin een vrouw haar man gedurende diens laatste ziekte had verzorgd, oordeelde de Hoge Raad echter dat voor vergoeding van deze kosten geen plaats is indien het inschakelen van professionele hulp niet normaal en gebruikelijk is (HR 6 juni 2003, nr. C02/062, NJ 2003, 504).
3.4 Niet bepalend is of daadwerkelijk kosten worden gemaakt voor huishoudelijke hulp (vgl. HR 16 december 2005, nr. C04/276, NJ 2008, 186). Dit geldt vooral bij kinderen, omdat het wegvallen van de huishoudelijke arbeid vaak wordt voorzien - naast extra inzet van de overblijvende ouder (3.6 naast hetgeen redelijkerwijs van de vader aan extra inspanningen kan worden gevergd) - door vrijwillige (kosteloze) hulp van familie, vrienden of bekenden, ook omdat geld voor professionele hulp ontbreekt. Voor een deels objectieve benadering bestaat te meer aanleiding omdat het hier gaat om de begroting van nog niet ingetreden schade (art. 6:105 BW). Bij de vaststelling van de behoefte van de kinderen aan vervangende huishoudelijke hulp ligt voor de hand uit te gaan van de na het ongeval bekende concrete omstandigheden waarin zij tot aan hun meerderjarigheid zullen verkeren zonder rekening ermee te houden of reeds is voorzien in professionele huishoudelijke hulp dan wel of de mogelijkheid bestaat dat de overblijvende ouder in de toekomst gaat trouwen of samenwonen met een nieuwe partner die huishoudelijke taken in het gezin kan gaan verrichten.
Tengevolge van een bedrijfsongeval bij Philip Morris is op 15-01-1998 de heer X overleden. Hij laat een echtgenote en een dochter na. De weduwe had ten tijde van het ongeval een functie voor 28 uur per week met het voornemen dit urenaantal met drie uur uit te breiden. Dit heeft zij niet kunnen realiseren. Uit de uitspraak blijkt dat mevrouw na het overlijden van haar echtgenoot in verschillende functies bij een andere werkgever werkzaam was. Per 1-06-2006 werkt zij 16 uur per week. De weduwe neemt voor de vaststelling van haar schade kennelijk als uitgangspunt de feitelijke ontwikkeling van haar inkomen na het overlijden van haar echtgenoot. Voor de hypothetische situatie gaat zij kennelijk uit van het inkomen zoals zij dat had kunnen genieten indien haar echtgenoot niet was overleden. De vraag die zich hier voordeed was op welke wijze het inkomen van de achterblijvende partner in de vaststelling van de overlijdensschade moet worden betrokken. De kantonrechter is in zijn vonnis van 21-12-2005 van mening dat het door de weduwe toegepaste uitgangspunt bij de schadeberekening tot een oprekking van het systeem van overlijdensschade-begroting leidt.
De weduwe gaat in hoger beroep: er moet worden uitgegaan van haar concrete inkomen en de wijziging die dit inkomen heeft doorgemaakt tengevolge van het overlijden van haar echtgenoot en nog zal doormaken in de toekomst. Zij is niet in staat om haar werk voor 28 uur voort te zetten en/of uit te breiden. Zij dient meer tijd te besteden aan de opvoeding en verzorging van de dochter vanwege het gemis van opvang door de vader. Bovendien heeft de dochter extra aandacht nodig nu zij verlatingsangst heeft ontwikkeld.
Philip Morris vindt dat in de schadeberekening het inkomen van de weduwe in de situatie zonder en met ongeval hetzelfde moet zijn en er geen rekening moet worden gehouden met de wijziging die het inkomen na het overlijden heeft ondergaan. Volgens het hof dient, gelet op alle omstandigheden van het geval, te worden beoordeeld of de weduwe thans in redelijkheid slechts 16 uur werkzaam kan zijn. Zowel het feitelijk als het hypothetisch inkomen zonder ongeval (met de uitbreiding van 3 uur), als het inkomen na ongeval, kan niet zonder meer als vertrekpunt worden genomen. In dit verband is betreffende de vraag naar het inkomen dat de weduwe na het overlijden van haar echtgenoot in redelijkheid zou dienen te verwerven, een toetsing van alle omstandigheden vereist.
Als de nieuwe echtgenote van de partner voorziet in de opvang van de kinderen bestaat geen vorderingsrecht voor een abstract daarvoor te berekenen schade, alleen bestaat dat als professionele hulp daarvoor werd ingeschakeld. Gezinsleden staan elkaar over en weer bij. Een stiefmoeder is niet gelijk te stellen met een betaalde hulp.
Als de nieuwe echtgenote van de partner voorziet in de opvang van de kinderen bestaat geen vorderingsrecht voor een abstract daarvoor te berekenen schade, alleen bestaat dat als professionele hulp daarvoor werd ingeschakeld. Gezinsleden staan elkaar over en weer bij. Een stiefmoeder is niet gelijk te stellen met een betaalde hulp.
Een 58-jarige, werkloze man overlijdt na mishandeling. Gederfd levensonderhoud: geen redelijke verwachting vinden betaald werk; wel weggevallen AOW na 65 jaar. Vanwege hoge vaste lasten alleen aftrek wegens wegvallen levensonderhoud man (variabele laste) alleen op AOW-uitkering, niet op inkomsten uit verhuur en vermogen. De rechtbank volgt stelling van weduwe dat man als huisman het leeuwendeel van het huishouden deed en kondigt een deskundigenbericht door een arbeidsdeskundige aan. Verweer dat schadepost concreet berekend moet wordt afgewezen. Gestelde waardeverlies van levensverzekeringen en pensioenen niet toewijsbaar; wel nadelig verschil tussen zonder overlijden uit te keren bedragen en daadwerkelijk uitgekeerde bedragen. Rekenrente: schadeposten met een lange looptijd: 3%, kortere looptijden 2%. De rechtbank kent aan de weduwe tevens € 10.000,- wegens shockschade toe.
Tussen de nabestaanden bedoeld in art. 6:108 lid 1 BW onder a en b enerzijds en die onder c anderzijds moet geen onderscheid worden gemaakt voor de vraag of zij aanspraak hebben op schadevergoeding wegens als gevolg van het overlijden van hun partner gederfd levensonderhoud; in alle gevallen gaat het om de vraag naar de behoeften van de langstlevende in de betekenis die aan die term ook in art. 1:397 lid 1 BW toekomt. Bij de eis van art. 6:108 lid 1 onder c dat de overledene geheel of voor een groot deel in het levensonderhoud van de langstlevende voorzag, komt het aan op de vraag of de behoefte aan levensonderhoud van de nabestaande door het overlijden van de partner is toegenomen. De tekst van art. 6:108 lid 1 onder d dwingt niet tot een lezing die de aanspraak van een nabestaande beperkt tot situaties waarin de overledene de gehele zorg van het huishouden voor zijn/haar rekening nam; voor de vraag of de nabestaande schade lijdt is niet beslissend of deze ten tijde van de beslissing van de rechter daadwerkelijk kosten maakt vor het uitvoeren van de huishoudelijke taken.
Het hof heeft door te oordelen dat voor het hier toepasselijke art. 6:108 lid 1, aanhef en onder c, de eis geldt dat bij de nabestaande sprake is van behoeftigheid die niet is gerelateerd aan de specifieke situatie van de huishouding waarvan de overledene en de nabestaande deel uitmaakten, maar van behoeftigheid 'in algemene zin', blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
Naast concrete schadeberekening is in het onderhavige geval ook plaats voor abstracte schadeberekening zie. HR 28 mei 1999, NJ 1999, 564). De WAM-verzekeraar is gehouden voor de hulp van familieleden een redelijke vergoeding te betalen.
De moeizame verwerking van het verdriet om de dood van X blijkt veeleer verband te houden met andere omstandigheden dan juist de aanwezigheid van eiseres bij het stervensproces. Geen shockschade.
Concrete of abstracte schadeberekening ex art. 1406 BW na overlijden van moeder/huisvrouw.
Voor hypothetisch inkomen aanknoping bij inkomen broer tot 65 jaar. Opvolging Letselschaderichtlijn zelfwerkzaamheid tot 70 jaar.
VOA-verhaal na dodelijk verkeersongeval. Civiel plafond. 'Statistische eindleeftijd' evenmin van invloed op het verhaal. Geen verhaal voor de buitengerechtelijke kosten van verhaal.
Het komt vaak voor dat beide echtelieden zowel in financiële zin als door het verrichten van zorgtaken, een bijdrage leveren aan de gemeenschappelijke huishouding, en daardoor mede aan elkaars levensonderhoud.
Valt deze bijdrage van een van de echtelieden weg door diens overlijden, dan lijdt de achterblijvende echtgenoot daardoor schade. Is dat overlijden veroorzaakt door een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, en beperkt de achterblijvende echtgenoot deze schade door minder te gaan werken om zelf die zorgtaken te gaan verrichten, dan dient in beginsel de gehele inkomensschade die deze daardoor lijdt, te worden betrokken bij de berekening van de omvang van de in art. 6:108 bedoelde schadevergoedingsplicht.
Indien het inkomen van de moeder is gestegen doordat zij rendement verkrijgt uit de aan haar uitgekeerde levensverzekeringen levert dat een verminderde behoefte aan levensonderhoud aan de zijde van het kind. De stelling van gedaagde dat de sommenverzekering ook strekt ter dekking van de begrafeniskosten onvoldoende onderbouwd en wordt gepasseerd.
In tegenstelling tot het ‘gewone’ schadevergoedingsrecht hebben bij overlijdensschade anderen dan degene tegenover wie onrechtmatig is gehandeld een eigen recht op schadevergoeding. In geval er jegens de overledene aansprakelijkheid zou hebben bestaan kunnen nabestaanden uit eigen hoofde aanspraak hebben op schadevergoeding.
De eventuele besparing bij de overlevende ouder door het wegvallen van de kosten van de overledene mag niet op de schade van de kinderen in mindering worden gebracht. De toegenomen draagkracht van de partner kan niet gelijk gesteld worden aan inkomen van de kinderen, zoals wezenpensioen.
Ook een uitkering uit sommenverzekering dient hij niet uitsluitend aan zichzelf toe te rekenen. Gezien de aard van deze verzekeringen en het feit dat (vader) niet gesteld heeft dat de premies daarvan niet uit en ten behoeve van de gezinspot maar uitsluitend door en ten behoeve van hemzelf zijn voldaan, dienen deze uitkeringen op de totale schade in mindering te worden gebracht.
Krachtens art. 1406 BW heeft ieder van de nabestaanden een zelfstandige vordering tot vergoeding van de schade die hij zelf lijdt door het derven van levensonderhoud tengevolge van de dood van degene door wiens arbeid hij werd onderhouden, voor zover hij deze vergoeding, gezien de financiële omstandigheden en de stand waarin hij leeft, behoeft. In zijn arrest van HR 24 -03-1961, NJ 1961-238, VR 1961-51 nt. P, besliste de Hoge Raad, dat wanneer een niet behoeftige nabestaande recht heeft op een (sommen)verzekeringsuitkering, dit op zichzelf geen beperking inhoudt van hetgeen de andere nabestaanden kunnen vorderen.
“, ongeacht in welke situatie deze kinderen na het overlijden van hun moeder overigens komen te verkeren dankzij de wijze waarop de vader aan zijn verplichtingen jegens hen voldoet"
Gelijk als bij uitkeringen krachtens het sociale zekerheidsstelsel kan een uitkering uit een sommenverzekering slechts de behoefte en dus de schadevergoeding verminderen van de nabestaande aan wie zij ten goede komt.
Met art. 6:108, lid 3 BW wordt bepaald, dat de vergoedingsplichtige de verweermiddelen die hij aan overledene had kunnen tegenwerpen, ook aan de nabestaanden kan tegenwerpen, in tegenstelling tot dit arrest. exoneratie bindt de vorderingsgerechtigden ex art. 1406 BW niet.
Eiseres woonde ten tijde van het overlijden niet in gezinsverband met overledene samen. Vergelijkbaar met een LAT-relatie was nog sprake van een bepaalde mate van zelfstandigheid van [eiseres] enerzijds en [overledene] anderzijds. Het feit dat [eiseres] en [overledene] de wens en de intentie hadden om hun zelfstandigheid (weer) op te geven en dat zij - kort gezegd - weer veel samen deden, is de rechtbank overtuigd. Dit is onvoldoende voor de rechtbank om te komen tot de conclusie dat er sprake is van samenwonen in gezinsverband.
Bij latrelatie woonde de niet erkende zoon van eiseres en overledene bij moeder geen sprake van samenwonen in gezinsverband. Brachten wel alle dagen samen door. Partners hadden een eigen woning.
3.3.1 Zoals blijkt uit de in de conclusie van de Procureur-Generaal onder 16-17 en 19-21 geciteerde passages uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 6:108, heeft de wetgever niet beoogd voor de vraag of zij aanspraak hebben op schadevergoeding wegens als gevolg van het overlijden van hun partner gederfd levensonderhoud onderscheid te maken tussen de nabestaanden, bedoeld in het eerste lid onder a en b enerzijds en die onder c anderzijds. Niet is vereist dat de overledene het grootste aandeel had in de kosten van het levensonderhoud
Niet is vereist dat de overledene het grootste aandeel had in de kosten van het levensonderhoud.
De schadevergoeding dient een zodanige omvang te hebben dat [X] daardoor in een situatie wordt gebracht dat hij ondanks het overlijden van zijn vader in materiële zin tot het moment van zijn financiële zelfstandigheid het leven zal kunnen leiden dat hij naar redelijke verwachting zou hebben geleid indien zijn vader niet vroegtijdig was overleden. De keuzes die de overblijvende partner maakt met betrekking tot de gezins- en leefomstandigheden kunnen invloed hebben op de eventuele vergoedingsplicht van de aansprakelijke partij jegens die overblijvende partner, maar zij hebben geen invloed op de vergoedingsplicht van de aansprakelijke partij jegens het kind. Het is niet zo dat de behoefte van het kind minder wordt doordat er later in een nieuw gevormd gezin waarvan hij dan inmiddels deel uitmaakt een halfzusje of een halfbroertje wordt geboren.
Het is onjuist eventuele toekomstige ontwikkelingen in de persoonlijke sfeer ten aanzien van het nieuwe gezin waarvan die kinderen door dat overlijden deel gaan uitmaken af te wachten.
Het feit, dat de partner is hertrouwd is niet relevant voor de beoordeling van de vordering van de dochter. (HR 11 juli 2008, Bakkum/Achmea NJ 2009, 385, met noot van mr. J.B.M. Vranken en HR 28 februari 1986, NJ 87, 100).
De omstandigheid dat de overblijvende ouder met een nieuwe partner trouwt of gaat samenleven, mag niet in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van hetgeen de kinderen behoeven, omdat zulks tot het onredelijke resultaat zou leiden dat de onderhoudslast van de kinderen in zoverre wordt gelegd op die nieuwe partner in plaats van op de aansprakelijke persoon."
Bij de vaststelling van hetgeen het kind behoeft dient geen rekening te worden gehouden met het onderhoud dat aan hem wordt verschaft door de nieuwe echtgenoot van de moeder. Een ander oordeel zou immers impliceren dat de onderhoudslast in plaats van op gedaagde wordt gelegd op de nieuwe echtgenoot van de moeder, hetgeen de rechtbank niet redelijk acht.
Gezinsleden staan elkaar over en weer bij. Een stiefmoeder is niet gelijk te stellen met een betaalde hulp. Bij de berekening van het verlies van levensonderhoud met de inkomsten uit kinderbijslag en studiefinanciering rekening moet worden gehouden.
Matiging van de schadevergoeding vindt plaats tot ten hoogste het vermogen van gedaagde, bestaande uit spaartegoeden en de overwaarde van zijn woning (rov. 2.46-2.48).
De kans op hertrouwen of samenwonen mag alleen in de schadebegroting worden betrokken, indien dat zo waarschijnlijk is te achten dat daarvan bij de berekening moet worden uitgegaan; bij het vaststellen van de redelijke verwachtingen op dit punt moet een zekere mate van terughoudendheid in acht worden genomen (zie HR 29-04-1994, NJ 1995, 609).
De kans op hertrouwen of samenwonen mag alleen in de schadebegroting worden betrokken, indien dat zo waarschijnlijk is te achten dat daarvan bij de berekening moet worden uitgegaan; bij het vaststellen van de redelijke verwachtingen op dit punt moet een zekere mate van terughoudendheid in acht worden genomen (zie HR 29 april 1994, NJ 1995/609). De rechtbank acht het enkele feit dat [eiseres] een nieuwe relatie heeft, onvoldoende om er bij de schadebegroting vanuit te gaan dat zij op enig moment zal hertrouwen of gaan samenwonen.
De rechtbank acht het, gezien de jonge leeftijd van (nabestaande) ten tijde van het ongeval en de daarmee gepaard gaande verwachting dat hij op enige moment wederom zijn leven en daarmee ook zijn huishouden met iemand zal gaan delen, redelijk de looptijd van deze schadepost te beperken tot maximaal 10 jaar.
Ambtenaar (De Vries) komt bij verkeersongeval om het leven. ABP zoekt verhaal voor het weduwen- en wezenpensioen dat aan de nagelaten betrekkingen van De Vries wordt uitgekeerd. In cassatie is onder meer aan de orde of bij de berekening van het civiele plafond (vergelijk aant. 87 op art. 108) rekening dient te worden gehouden met de eventuele hertrouwkansen van de weduwe van De Vries.
Hoge Raad: Het hof heeft niet miskend dat, nu de aansprakelijkheid op grond van art. 1406 (oud) BW eindigt op het tijdstip waarop de weduwe hertrouwt (HR 13 dec. 1985, NJ 1986, 246 onder 3.4), in een geval als het onderhavige in het kader van de berekening van het civiele plafond de vraag moet worden beantwoord of zodanig hertrouwen, naar een redelijke verwachting zo waarschijnlijk is te achten dat daarvan voor die berekening valt uit te gaan.
De hertrouwkans van de overblijvende echtgenoot dient te worden ingecalculeerd, mits dat hertrouwen 'naar een redelijke verwachting zo waarschijnlijk is te achten, dat daarvan dat daarvan door die berekening valt uit te gaan'. stiefkinderen van overledene zijn vorderingsgerechtigd.
De hertrouwkans van de overblijvende echtgenoot dient te worden ingecalculeerd, mits dat hertrouwen 'naar een redelijke verwachting zo waarschijnlijk is te achten, dat daarvan (…) valt uit te gaan'. Anders dan het hof - op het voetspoor van de rechtbank - heeft geoordeeld brengt de strekking van art. 1406 (oud) BW in verband met de reeds vóór 1 jan. 1992 bestaande rechtsopvattingen mee aan te nemen dat ook onder het toen geldende recht stiefkinderen die tot het gezin van de 'nedergeslagene' behoorden en door hem plachten te worden onderhouden, deel uitmaakten van de 'nauwe kring van nabestaanden' die - ingevolge genoemde wetsbepaling - gerechtigd was tot schadevergoeding jegens degene die wegens de dood van de nedergeslagene aansprakelijk is. In dat verband is - tegen de achtergrond van de reeds in 1953 door de Tweede Kamer aanvaarde conclusie dat evenbedoelde 'kring van nabestaanden' ware uit te breiden 'tot allen die tegen de overledene een recht op levensonderhoud hadden' (Parl. Gesch. Alg. Deel, p. 110; idem Boek 6, p. 390-392) - van doorslaggevend gewicht dat sedert 1 jan. 1970 geldt dat stiefouders gedurende hun huwelijk jegens minderjarige, tot hun gezin behorende stiefkinderen (wettige of natuurlijke kinderen van hun echtgenoot) onderhoudsplichtig zijn (art. 1:392 en 395 BW). Sedertdien bestaat geen rechtvaardiging voor het in het kader van art. 1406 maken van onderscheid tussen eigen kinderen van de 'nedergeslagene' en diens stiefkinderen: dat de onderhoudslast van de kinderen op de aansprakelijke persoon wordt gelegd, is in beide gevallen tegenover alle betrokkenen gewettigd (vgl. HR 28 febr. 1986, NJ 1987, 100).
Er bestaat slechts recht op schadevergoeding voor zover en zolang de nabestaanden zo'n vergoeding, gezien hun financiële omstandigheden en de stand waarin zij leven, behoeven. Door hertrouwen van de overblijvende echtgenoot vervalt de aanspraak die hij krachtens art. 6:108 BW heeft, voor eens en voor altijd, omdat er dan tussen hem en de nieuwe echtgenoot burgerrechtelijke betrekkingen ontstaan. Een weduwe is na hertrouwen niet langer vorderingsgerechtigd. Hoogte civiel plafond bij verhaalsaktie o.g.v. VOA Schadevergoeding ex art. 1406 BW onbelast. Invloed hertrouwen en later concubinaat weduwe.
Vordering van wezen o.g.v. 1406 BW wordt niet verminderd o.g.v. de door hun moeder ontvangen gezinstoeslag ex art. 19 lid 2 AWW. Bij de vaststelling van de aan de nabestaanden toekomende schadevergoeding moeten uitkeringen die zij op grond van het sociale zekerheidsstelsel ontvangen, volledig in aanmerking worden genomen (AKW, ANW en AOW). Daarbij geldt dat de uitkeringen slechts de behoefte en daarmee de schadevergoeding verminderen van de nabestaande aan wie de uitkering toekomt. BW. Hertrouwen of concubinaat van de vrouw heeft geen invloed op de aan de kinderen te betalen schadevergoeding. AWW-gezinstoeslag wordt toegerekend aan de weduwe, niet aan de kinderen. Een uitkering uit levensverzekering voor de aflossing van de hypotheek vermindert niet rechtstreeks de behoefte aan levensonderhoud van de nabestaanden. Wel wordt de behoefte van het achterblijvende gezin verminderd in de vaste lasten.
Er bestaat slechts recht op schadevergoeding voor zover en zolang de nabestaanden zo'n vergoeding, gezien hun financiële omstandigheden en de stand waarin zij leven, behoeven. Door hertrouwen van de overblijvende echtgenoot vervalt de aanspraak die hij krachtens art. 6:108 BW heeft, voor eens en voor altijd, omdat er dan tussen hem en de nieuwe echtgenoot burgerrechtelijke betrekkingen ontstaan. Een weduwe is na hertrouwen niet langer vorderingsgerechtigd. Hoogte civiel plafond bij verhaalsaktie o.g.v. VOA Schadevergoeding ex art. 1406 BW onbelast. Invloed hertrouwen en later concubinaat weduwe.
Onder arbeid van de overledene mag tevens worden begrepen de inbreng van werkkracht van de omgekomen ouder bij de dagelijkse opvoeding en verzorging van de kinderen. Uitgaven die nodig zijn door het wegvallen van die werkkracht en inbreng, komen in beginsel voor vergoeding in aanmerking. De wijze waarop de overblijvende ouder aan de op deze rustende onderhoudsverplichtingen jegens de kinderen voldoet, behoort buiten beschouwing te blijven bij het vaststellen van de schade. (Een vordering uit aansprakelijkheidsrecht gaat voor die uit familierecht CV).
Volgens vaste rechtspraak geeft artikel 6:108 BW een beperkt recht op schadevergoeding in die zin dat geen recht op schadevergoeding bestaat, voor zover de nabestaande, gezien zijn financiële omstandigheden en de stand waarin hij leeft, ondanks deze schade als niet behoeftig kan worden aangemerkt. De cijfers van de maatschap geven geen aanleiding tot behoeftigheid omdat hun winstaandeel niet is verminderd. Van behoeftigheid blijkt niet omdat geen inzage in de totale inkomenspositie van vader en moeder wordt gegeven.
Zie ook bruto netto
Ingevolge art. 6 lid 3 Wet schadefonds geweldsmisdrijven treedt het fonds voor het uitgekeerde bedrag in de rechten die dezeheeft. Daaruit volgt dat niet eiseres maar het fonds een vordering op gedaagde tot vergoeding van het bedrag van EUR 4.085 begrafeniskosten heeft.
VOA-verhaal na dodelijk verkeersongeval. Civiel plafond. 'Statistische eindleeftijd' evenmin van invloed op het verhaal. Geen verhaal voor de buitengerechtelijke kosten van verhaal.
Vordering van wezen o.g.v. 1406 BW wordt niet verminderd o.g.v. de door hun moeder ontvangen gezinstoeslag ex art. 19 lid 2 AWW. Bij de vaststelling van de aan de nabestaanden toekomende schadevergoeding moeten uitkeringen die zij op grond van het sociale zekerheidsstelsel ontvangen, volledig in aanmerking worden genomen (AKW, ANW en AOW). Daarbij geldt dat de uitkeringen slechts de behoefte en daarmee de schadevergoeding verminderen van de nabestaande aan wie de uitkering toekomt. BW. Hertrouwen of concubinaat van de vrouw heeft geen invloed op de aan de kinderen te betalen schadevergoeding. AWW-gezinstoeslag wordt toegerekend aan de weduwe, niet aan de kinderen. Een uitkering uit levensverzekering voor de aflossing van de hypotheek vermindert niet rechtstreeks de behoefte aan levensonderhoud van de nabestaanden. Wel wordt de behoefte van het achterblijvende gezin verminderd in de vaste lasten.
De privaatrechtelijke verzekeraar die naar aanleiding van het overlijden aan een nabestaande uit hoofde van een sommenverzekering een uitkering doet, heeft geen verhaalsrecht tegenover de voor dat overlijden aansprakelijke laedens. Er vindt immers geen subrogatie op grond van art. 284 WvK plaats.
Een overlijdensschade is afgewikkeld door een expertisebureau dat is ingeschakeld door de verzekeraar van het aansprakelijke ziekenhuis. Het ziekenhuis stelt -in een vrijwaringsprocedure – het expertisebureau aansprakelijk, omdat deze een onjuiste Audalet-berekening heeft gemaakt, waardoor de schade te hoog is vastgesteld. De fout (inkomen partner na ongeval niet in gezinspot, maar persoonlijk inkomen) is erkend. De rechtbank oordeelt dat de aan het expertisebureau toe te rekenen fouten (fout in berekening, geen controle) voor 50% aan de schade hebben bijgedragend; het niet ontdekken van de fout door de medegedagvaarde vennoot voor 25%. Het achterwege laten van controle door de verzekeraar van het ziekenhuis leidt tot 25% eigen schuld aan de kant van het ziekenhuis.
De rechtbank is van oordeel dat de vaste lasten concreet moeten worden berekend. Dat dat een belasting is betekent geen reden om de vaste lasten abstract te waarderen.
Met de uitkeringen uit ongevallen- en reisverzekering dient – als behoeftigheidsverminderend – rekening te worden gehouden.
Rekenrente: 2,5%.
Begrafeniskosten toegewezen; (reis)kosten naar Turkije voor jaarlijkse herdenking vallen niet onder kosten van art. 6:108 lid 2 BW
Als vaste lasten worden aangemerkt de niet direct van het aantal gezinsleden afhankelijke kosten die onafhankelijk van het weggevallen zijn van de overledene gemaakt moeten worden om de levensstandaard te (blijven) voeren zoals die ten tijde van het overlijden was en zoals die zich naar redelijke verwachting verder zou hebben ontwikkeld indien het overlijden niet had plaatsgevonden.
Onderhoudskosten met betrekking tot het binnenwerk van een huis, onderhoud van een tuin en vervangingskosten van meubilair zijn vaste lasten
Ter nuancering van het vorenstaande verdient opmerking dat veel vaste kosten niet geheel onafhankelijk zijn van het aantal gezinsleden en daarom een enigszins gemengd karakter hebben. Indien het vaste element overheerst in die zin dat door het overlijden geen (wezenlijke) besparing van die lasten optreedt, dienen zij echter als vaste lasten te worden aangemerkt, zodat zij volledig worden verdisconteerd bij de berekening van de behoefte(n) van de na het overlijden achterblijvende gezinsleden. Vaste lasten ontwikkelen zich in de toekomst en kunnen daarom in een percentage van het inkomen worden uitgedrukt.
Indien in een gezin echter reeds meerdere auto's aanwezig zijn, ligt het in de rede om aan te nemen dat de totale vervoerskosten ten dele een vast, maar voor een belangrijk deel ook een variabel karakter hebben. De kosten van het bezit en gebruik van één auto kan grotendeels onafhankelijk zijn van het aantal gezinsleden. Indien echter twee auto's aanwezig zijn in een gezin bestaande uit twee volwassenen en een kind, is aannemelijk dat de totale aan het bezit en gebruik van die auto's verbonden vervoerskosten in de situatie zonder ongeval in belangrijke mate samenhangen met het aantal gezinsleden. Indien een van de partners overlijdt, zal er in het gezin nog slechts behoefte zal zijn aan één auto.
De rechtbank kan niet beoordelen of het redelijk is uit te gaan van de NIBUD-cijfers ter zake van het percentage vaste lasten.
Indien de vaste (woon)lasten zijn gedaald doordat de hypotheek is afgelost, levert dat een verminderde behoefte aan levensonderhoud aan de zijde van het kind.
De schade bestaat uit de bijdrage van de overledene in de kosten van levensonderhoud van de kinderen. 35% van haar inkomen evenals dat van de partner droeg bij aan de vaste lasten, en 65% aan de variabele lasten van alle gezinsleden.
Bij de stukken bevindt zich een uitvoerige vaste lasten-specificatie. Deze bedragen, ook indien rekening wordt gehouden met de daarop geuite kritiek, ruim 40% van het netto besteedbaar gezinsinkomen. De rechtbank acht het percentage van 40 dan ook niet onredelijk.
Een uitkering ter aflossing van de hypotheek leidt tot lagere vaste lasten en daarmee tot een verminderde behoefte aan levensonderhoud aan de zijde van de nabestaanden. De sommenverzekering is een zogenaamde gemengde verzekering, die ook in de situatie zonder ongeval op enig moment tot uitkering zou zijn gekomen. Van voordeel ten opzichte van de situatie zonder ongeval kan vanaf dat moment niet meer worden gesproken: ook in de situatie zonder ongeval zou het gezin vanaf dat moment immers meer te besteden hebben gehad. Dit dient in de schade-berekening tot uitdrukking te worden gebracht. De variabele behoeften vanaf het moment dat de verzekering zonder ongeval zou hebben uitgekeerd dienen te worden vermeerderd met het bedrag waarmee de vaste lasten (door besparing van hypotheeklasten) worden verminderd.
Het gederfde levensonderhoud bestaat uit de variabele lasten (eten, kleding en dergelijke) onder aftrek van het eigen aandeel van de overledene daarin en voorts uit de vaste lasten (woonlasten, energiekosten en dergelijke) zonder aftrek, aangezien deze lasten slechts in geringe mate een wijziging ondergaan door het wegvallen van de overledene.
Het verschaffen van de voorzieningen waarop vaste lasten als de onderhavige betrekking hebben, behoort tot het gederfde levensonderhoud. Vaste lasten moeten na overlijden niet alleen aan de overblijvende ouder, maar ook aan de kinderen worden toegerekend ouder : kind = 2:1
De rechtbank acht het niet redelijk de aan de moeder uitgekeerde sommenverzekeringen volledig te verrekenen. Bij het bepalen van de behoefte van het kind spelen het inkomen van de moeder en de vaste lasten een rol. Indien het inkomen van de moeder is gestegen doordat zij rendement verkrijgt uit de levensverzekeringen en indien de vaste lasten zijn gedaald doordat de hypotheek is afgelost, levert dat een verminderde behoefte aan levensonderhoud aan de zijde van het kind.
Benadeelde heeft de afschrijvingen (op de inboedel een bedrag van f 3.755,-- per jaar en op de Mercedes Benz een bedrag van f 6.500,-- per jaar) (benadeelde) niet aannemelijk gemaakt dat zij en haar echtgenoot in het verleden in die mate jaarlijks pleegden te reserveren voor vervanging van inboedel en auto. Ook een jaarlijkse reservering voor onderhoud aan de woning ad f7.000,— is aan de hoge kant. De schilderwerkzaamheden aan de buitenkant van de woning plegen in de regel immers eens in de vijfjaar te geschieden, terwijl binnenschilderwerk doorgaans minder frequent aan de orde is. Een bedrag van f 500,-- per maand voor alle drie voormelde posten komt als een meer realistischer maandelijkse reservering voor.
De gevorderde betaling van "eventueel verschuldigde" heffingen inkomstenbelastingen volksverzekeringen zal worden afgewezen, aangezien [eiseres] haar stelplicht heeft verzaakt door dit punt in het petitum van haar dagvaarding op te nemen maar niet te onderbouwen in het lichaam van haar dagvaarding. Overigens ligt heffing van de bedoelde belasting en premies bij vergoedingen als waar hier sprake van is niet voor de hand.
De rechtbank is van oordeel dat de vaste lasten concreet moeten worden berekend. Dat dat een belasting is betekent geen reden om de vaste lasten abstract te waarderen.
Met de uitkeringen uit ongevallen- en reisverzekering dient – als behoeftigheidsverminderend – rekening te worden gehouden.
Rekenrente: 2,5%.
Begrafeniskosten toegewezen; (reis)kosten naar Turkije voor jaarlijkse herdenking vallen niet onder kosten van art. 6:108 lid 2 BW
Weliswaar is in de huidige economische situatie het saldo tussen rendement en inflatie lager - hetgeen over kortlopende schades het hanteren van een lagere rekenrente (en dus een hogere contante waarde) rechtvaardigt - maar over langere periodes bezien biedt een rekenrente van 3% een goed gemiddelde.
Voor schadeposten met een lange looptijd moet de gebruikelijke rekenrente van 3% worden gehanteerd, die is gebaseerd op gemiddelden over lange termijnen. Voor kortere looptijden kan gelet op de lage rente van de laatste jaren en de verwachtingen voor de korte termijn een rekenrente van 2% worden toegepast.
Eiseres betwist dat de hartafwijking en de diabetes een lagere levensverwachting opleverden. Nu gedaagde volstaat met een veronderstelling en met name geen bewijsstukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat iemand met diabetes en een dergelijke hartafwijking een aanzienlijk lagere levensverwachting heeft dan de gemiddelde man, ziet de rechtbank geen reden om de op statistische gegevens gebaseerde sterftekanscorrectie voor de echtgenoot aan te passen.
Bij berekening van overlijdensschade moet zowel met sterfte van de man als van de vrouw rekening worden gehouden .
Volgens art. 4 ANW wordt onder nabestaande mede wordt verstaan de gewezen echtgenote indien o.a. de overleden verzekerde onmiddellijk voorafgaand aan het overlijden verplicht is krachtens rechterlijke uitspraak of overeenkomst, vastgelegd in een notariële akte of een akte mede ondertekend door een advocaat, levensonderhoud te verschaffen aan de gewezen echtgenoot op grond van Boek I BW. Daaraan wordt niet voldaan als vrijwillig alimentatie wordt betaald. De Raad acht zich niet bevoegd af te wijken van de wet.
Een vordering terzake waardeverlies van polissen is niet toewijsbaar in het kader van art. 6:108 BW.
In het voetspoor van HR 28-04-1989, NJ 1990, 703 is de Rb van oordeel dat uitkeringen uit een sommenverzekering van invloed kunnen zijn op de behoefte van de gelaedeerde. Dat betekent niet dat deze geheel dienen te worden afgetrokken. Art. 1406 BW ziet slechts toe op de derving van onderhoud, niet op vergoeding van alle schadeelementen. Eerst dient rekening te worden gehouden met die andere schadeelementen zoals immateriële schade. Die is reeds hoger dan de uitkeringen van f 250.000 zodat geen voordeel voor verrekening in aanmerking komt. Het is een feit van algemene bekendheid dat slechts een beperkt aantal leraren in staat blijkt te zijn, althans te willen blijven doorwerken tot zij 65 jaar zijn geworden. Op gronden van redelijkheid en billijkheid gaat de rechtbank ervan uit dat de overledene zijn werkzaamheden zou hebben voortgezet tot de maand waarin hij 62 jaar zou zijn geworden, het moment waarop hij aanspraak zou hebben gehad op een loondervingsuitkering.
Professionele hulp is door Thuiszorg verleend. Onweersproken was dit eerst eenmaal per dag, later twee maal per dag en tenslotte in de laatste dagen voor het overlijden in de vorm van nachtverpleging. Onvoldoende gesteld om te oordelen dat naast de voormelde door Thuiszorg verleende zorg eisers zorg hebben verleend die beantwoordt aan het criterium "verzorging waarvan normaal en gebruikelijk is dat daarvoor professionele hulp wordt ingeschakeld".
De weduwe van een asbestslachtoffer vordert onder meer verzorgingskosten voor de zorg die zij haar man heeft gegeven in zijn laatste levensfase. De Rechtbank had deze kosten afgewezen. De Rechtbank had hierbij getoest aan het arrest van de Hoge Raad van 28-05-1999, waarin verzorgingskosten van een ernstig ziek kind wel werden toegewezen, omdat de ouders de zorg voor het kind zelf op zich hadden genomen in plaats van professionele hulp in te schakelen. De Hoge Raad oordeelt dat de Rechtbank de vordering van de weduwe terecht heeft afgewezen, aangezien het in dit geval gaat om een situatie waarin het inschakelen van professionele hulp niet normaal en gebruikelijk is.
Bij arrest van 28 mei 1999, NJ 1999/564, heeft de Hoge Raad een oordeel gegeven over - onder meer - de vraag het verlies aan vakantiedagen. Niet aannemelijk is dat professionele betaalde hulpverleners worden ingeschakeld voor ziekenhuisbezoek ingeval de ouders niet in de gelegenheid zijn zelf het kind te bezoeken.
Nu geen sprake is van verhaalbare schade, worden BGK afgewezen met uitzondering van kosten die betrekking hebben op vaststelling aansprakelijkheid toegewezen.
Met tuchtprocedure samenhangende kosten afgewezen.
De kosten van de procedures bij de Klachtencommissie en het Regionaal Tuchtcollege kunnen niet worden beschouwd als redelijke kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid, conform het door de Hoge Raad in twee recente arresten (HR 03-06-2005, NJ 2005, 324 en HR 10-01-2003, NJ 2003,537) als algemeen, voor alle tuchtprocedures geldende, geformuleerde uitgangspunt. De kosten van het medisch advies, dat ook in de tuchtprocedure gebruikt is, verschieten niet van kleur en zijn vorderbaar.
Dat betrokkene de kosten van de tuchtprocedure heeft betaald, is geen omstandigheid die meebrengt dat zij deze kosten ten laste van de erven kan brengen.
Zelfs al mag worden aangenomen dat de advocaat en de expert hun werkzaamheden zo goed mogelijk hebben verdeeld, dan nog geldt dat een groot deel van de werkzaamheden ook door één van hen verricht had kunnen worden. Door werkzaamheden te verdelen over meerdere belangenbehartigers heeft (vader) er kennelijk voor gekozen ook de kosten van het onderling overleg tussen hen en het lezen van elkaars stukken te willen dragen. Deze extra kosten zijn in redelijkheid echter niet op de voet van art. 6:96 lid 2 onder b BW verhaalbaar op RVS.
Gelet op haar leeftijd kon in de gegeven omstandigheden, met name het overlijden en het feit dat zij achterbleef met twee kinderen van 14 en 15 jaar, niet van haar worden verlangd dat zij ter beperking van haar schade ander werk zou zoeken in plaats van de administratie in de onderneming.
'dat, ook al kan, naar de Rb heeft overwogen, van Timmermans (weduwe; bew.), gelet op de maatschappelijke positie en het inkomen van wijlen haar echtgenoot, niet gevergd worden dat zij geheel of gedeeltelijk door het aanvaarden van een functie in loondienst in haar onderhoud gaat voorzien, hieruit niet meer kan volgen dan dat voor het bepalen van het bedrag dat Timmermans en haar kinderen voor hun levensonderhoud behoeven buiten hetgeen zij uit eigen middelen kunnen voldoen, geen rekening behoort te worden gehouden met hetgeen Timmermans wel zou kunnen, doch in feite niet zal verdienen;
dat echter voor de bepaling van hetgeen Timmermans op grond van art. 1406 kan vorderen wèl rekening moet worden gehouden met hetgeen zij na den dood van haar echtgenoot in feite heeft verdiend terwijl, indien de rechter met zekerheid meent te kunnen aannemen dat zij ook in de toekomst inkomsten uit arbeid zal verwerven, ook deze niet buiten beschouwing mogen blijven, ook al moge van haar tegenover Ruizenaar (aansprakelijke persoon; bew.) van enige gehoudenheid om door arbeid in haar onderhoud te voorzien geen sprake zijn.'
Over gekapitaliseerde toekomstschade is rente verschuldigd vanaf de kapitalisatiedatum.
Blijkens het op 23 november 1998 ondertekende convenant zijn de bij dat convenant betrokken partijen overeengekomen dat de wettelijke rente in het schadevergoedingsbedrag van ¦ 90.000,- is inbegrepen, dat dit bedrag vanaf 1 januari 2000 conform de prijsindex van het CBS wordt aangepast en dat additioneel wettelijke rente in rekening wordt gebracht vanaf het moment dat het instituut een advies heeft gegeven en een van de partijen daarmee niet akkoord gaat.
De Centrale Raad van Beroep heeft bepaald, dat slechts in individuele omstandigheden van zeer uitzonderlijk karakter kan worden afgeweken van het standaardbedrag van f 90.000,-, dat in het Convenant Instituut Asbestslachtoffers is vastgelegd.
Het voor het overlijden ontvangen smartegeld was verknocht, het doorschenken daarvan levert ten aanzien van de begunstigden geen grond tot terugvordering op.
Nabestaanden kunnen geen vergoeding van immateriële schade vorderen. Het beroep op Hof Amsterdam van 3 februari 2000, VR 2000,86 gaat niet op wegens het ontbreken van een uitkering uit een sommenverzekering.
Een man loopt door een medische fout een ernstige hersenbeschadiging op. Aan de Hoge Raad wordt de vraag voorgelegd of het recht van de inmiddels overleden patiënt op vergoeding van immateriële schade is overgegaan op diens erven. Het hof oordeelde dat de door de advocaat van de man gestuurde algemene aansprakelijkstelling niet de door art. 6:106 lid 2 BW vereiste adequate mededeling aan het ziekenhuis inhield dat de man op vergoeding van immateriële schade aanspraak maakte. De Hoge Raad acht dit oordeel onbegrijpelijk. De Hoge Raad overweegt hierbij dat het het ziekenhuis bekend was dat de schade door de ernstige hersenbeschadiging in belangrijke mate uit ander nadeel dan vermogensschade bestond. De Hoge Raad overweegt dat het naar de thans in de maatschappij heersende opvattingen algemeen gebruikelijk is om in dergelijke gevallen van ernstige letselschade niet slechts vergoeding van vermogensschade te vorderen. De zaak wordt verwezen naar een ander hof.
Bij de bepaling van de behoefte van de nabestaande telt vermogen mee voor zover daaruit enig rendement, gegenereerd kan worden. De nabestaande behoeft op dat vermogen in beginsel niet in te teren. Vererfd smartengeld behoort tot dat vermogen en het rendement vermindert de behoefte na overlijden. Zonder overlijden verhoogt het rendement uit smartengeld echter de behoefte, waarbij het één tegen het ander wegvalt.
Het arrest van de Hoge Raad over coma en smartengeld wordt zeer verschillend geïnterpreteerd. De schrijver stelt dat voor het recht op smartengeld in elk geval is vereist dat de benadeelde op enig moment heeft beseft dat hij bewusteloos is geweest en dat hij niet meer zijn gewone leven heeft kunnen. In zijn visie bestaat geen recht op smartengeld bij algeheel coma en vervolgens overlijden.
De Centrale Raad van Beroep heeft bepaald, dat slechts in individuele omstandigheden van zeer uitzonderlijk karakter kan worden afgeweken van het standaardbedrag van f 90.000,-, dat in het Convenant Instituut Asbestslachtoffers is vastgelegd.
Blijkens het op 23 november 1998 ondertekende convenant zijn de bij dat convenant betrokken partijen overeengekomen dat de wettelijke rente in het schadevergoedingsbedrag van ¦ 90.000,- is inbegrepen, dat dit bedrag vanaf 1 januari 2000 conform de prijsindex van het CBS wordt aangepast en dat additioneel wettelijke rente in rekening wordt gebracht vanaf het moment dat het instituut een advies heeft gegeven en een van de partijen daarmee niet akkoord gaat.
De Hoge Raad heeft beslist dat ook in het geval dat een benadeelde zich niet bewust is van zijn toestand, recht op smartengeld bestaat. Ook in dat geval is er sprake van gederfde levensvreugde, zo oordeelt de Hoge Raad. Bij de bepaling van de hoogte van het smartengeld mag wel rekening worden gehouden met het beperkte besef van de situatie door de benadeelde.
Terwee-zaak. Vergoeding van immateriële schade (ƒ 60.000) voor moeder van een misbruikt en vermoord vierjarig meisje.
De overledene betaalde maandelijks een vast bedrag ten behoeve van een huurverkoper afgesloten levensverzekering. Na het overlijden behoefde de weduwe geen termijnen meer te betalen, omdat de verzekeraar het gehele bedrag dat nog openstond, aan de huurverkoper had betaald. Het hof had de voordeelstoerekening afgewezen. De Raad oordeelde, dat bij de bepaling van de behoeftigheid rekening moet worden gehouden met de uitkering uit een sommenverzekering. Maar in hoeverre en op welke wijze hangt, volgens de Raad, mede af van de omstandigheden van het geval en de eisen van redelijkheid en billijkheid. Bij het bepalen van de behoefte van de nabestaande behoort in beginsel zijn gehele financiële positie in aanmerking te worden genomen. Uit wetsgeschiedenis blijkt dat rechter bij art. 6:107 BW de vrijheid heeft om bij letsel een sommenverzekering als voordeel toe te rekenen aan gekwetste en daarbij af te wijken van HR 28.11.1969 NJ 1970 nr. 172.De Raad herhaalt de benadering van HR 19-06-1970 NJ 1970, 380 VR 1971, 70 (NBM/Eagle Star)
Vordering smartengeld door erfgenamen van aan mesothelioom overleden werknemer toegewezen. Geen reden voor matiging bedrag van NLG 100.000,00.
In het voetspoor van HR 28-04-1989, NJ 1990, 703 is de Rb van oordeel dat uitkeringen uit een sommenverzekering van invloed kunnen zijn op de behoefte van de gelaedeerde. Dat betekent niet dat deze geheel dienen te worden afgetrokken. Art. 1406 BW ziet slechts toe op de derving van onderhoud, niet op vergoeding van alle schadeelementen. Eerst dient rekening te worden gehouden met die andere schadeelementen zoals immateriële schade. Die is reeds hoger dan de uitkeringen van f 250.000 zodat geen voordeel voor verrekening in aanmerking komt. Het is een feit van algemene bekendheid dat slechts een beperkt aantal leraren in staat blijkt te zijn, althans te willen blijven doorwerken tot zij 65 jaar zijn geworden. Op gronden van redelijkheid en billijkheid gaat de rechtbank ervan uit dat de overledene zijn werkzaamheden zou hebben voortgezet tot de maand waarin hij 62 jaar zou zijn geworden, het moment waarop hij aanspraak zou hebben gehad op een loondervingsuitkering.
Geen vergoeding voor smartengeld bij vordering ex art. 1406 BW.
Dubbele moord op de ouders van benadeelde . Shockschade van benadeelde afgewezen. Benadeelde heeft nagelaten te stellen waar, wanneer en onder welke omstandigheden zij de schietpartij heeft waargenomen, terwijl zij evenmin heeft onderbouwd welk geestelijk letsel zij heeft opgelopen.
Geen shockschade, nu geen sprake is van schending of opzettelijke overtreding van een verkeers- of veiligheidsnorm.
Confrontatie met ontzielde en beschadigde lichaam en bebloede kleding voldoende voor shockschade, indien sprake was van hechte relatie. Bewijs van samenwoning hier ook van belang.
Dat toekomstige wetgeving mogelijk wel voorziet in affectieschade maakt niet dat zoon smartengeld toekomt.
Met art. 6:106 BW is beoogd vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade slechts in beperkte mate mogelijk te maken; voor vergoeding van shockschade is alleen onder strikte voorwaarden plaats (HR 22 februari 2002, Taxibus-arrest NJ 2002, 240).
Vader vordert shockschade van moordenaar. De vader heeft het ernstig verminkte lichaam van zijn dochter gezien. Hier is sprake van directe confrontatie met de ernstige gevolgen van de daad en van een nauwe affectieve relatie, een ernstig verwijt dat dader gemaakt kan worden wegens moord en van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.
Er is sprake van een rechtstreekse confrontatie met de ernstige gevolgen van de moord doordat de ouders via de media en de strafprocedure kennis hebben genomen van de gruwelijke omstandigheden waaronder hun dochter is overleden. Vanwege de bijzondere ernst van de normschending worden er minder hoge eisen aan de rechtstreeksheid van de confrontatie gesteld. Vriendin van de vermoorde dochter, die van de moordplannen afwist maar daarover heeft gezwegen, is niet aansprakelijk voor de shockschade.
De limitatieve regeling in het samenstel van de artikelen 6:107 t/m 6:108 BW voor vorderingsgerechtigden blokkeren een vordering van familieleden.
Een vrouw krijgt een posttraumatische stressstoornis (PTSS) nadat haar baby als gevolg van een tekortkoming van de gynaecoloog tijdens de bevalling overlijdt. De geestelijke stoornis staat in zodanig verband met tekortkomingen in de behandeling van moeder en de baby dat deze aan die tekortkomingen kan worden toegerekend. Deze stoornis is aan te merken als een aantasting van de vrouw in haar persoon (art. 6:106 lid 1 sub b BW). Bij de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding moet de affectieschade buiten beschouwing blijven. € 11.345,- smart.
Een man lijdt aan een posttraumatische stressstoornis (PTSS), nadat zijn dochter is vermoord en hij met haar lichaam is geconfronteerd. Hij vordert smartengeld. In het psychiatrisch deskundigenbericht wordt het PTTS -voor zover mogelijk- gekwantificeerd: PTSS 90% door dood dochter (10% andere oorzaken), waarvan 20% shock door bericht van dood dochter en 80% shock door aanblik vermoorde dochter. De rechtbank oordeelt op basis van het deskundigenrapport dat voldoende is komen vast te staan dat sprake is van geestelijk letsel, als gevolg van de gewelddadige dood van de dochter en de confrontatie met het lichaam. Mocht er al sprake zijn van een zekere geestelijke kwetsbaarheid van benadeelde, dan geldt dat de gevolgen hiervan aan de dader dienen te worden toegerekend. Smartengeld: € 12.000,-. Buitengerechtelijke kosten grotendeels afgewezen.
Een ongeboren kind overlijdt tijdens de bevalling door een tekortkoming van de arts. De vrouw stelt dat de tekortkoming heeft geleid tot een aantasting in haar persoon in de zin van artikel 6:106 lid 1 sub b BW, in het bijzonder tot geestelijke schade in de vorm van een PTSS. De rechtbank overweegt dat de onderhavige situatie, waarin een kind niet levend ter wereld komt, niet op één lijn worden gesteld met de situatie waarin iemand als gevolg van een fout van een ander overlijdt (zoals in het Taxibusarrest, NJ 2002, 240, aan de orde was). Het nog ongeboren kind is op het moment van overlijden nog zozeer met de moeder (eiseres) verbonden, dat het geen zelfstandig bestaan leidt. De rechtbank is van oordeel dat daarom geen sprake is van het overlijden van een 'derde'. Onderscheid schockschade-affectieschade daarom niet aan de orde. Eisers heeft (mits deskundigenonderzoek daartoe aanleiding geeft) recht op vergoeding van eigen schade. Het onderzoek van de deskundige dient zich uitsluitend te richten op de beantwoording van de vraag of bij eiseres een PTSS kan worden vastgesteld.
Het nog ongeboren kind is op het moment van overlijden nog zozeer met de moeder (eiseres) verbonden, dat het geen zelfstandig bestaan leidt. De rechtbank is van oordeel dat daarom geen sprake is van het overlijden van een 'derde'. Onderscheid schockschade-affectieschade daarom niet aan de orde.
Benadeelde raakt arbeidsongeschikt, nadat zij - op dat moment vijf maanden zwanger- getuige is geweest van het overlijden van haar echtgenoot, die plotseling werd getroffen door een omver gereden stoplicht dat zijn schedel doorkliefde. De werkgever vordert in kort geding de loonschade. Het hof leidt uit medische rapportages af dat sprake is van een PTTS, een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Het hof ziet geen aanleiding om over te gaan tot 25% shockschade en 75% affectieschade (die niet voor vergoeding in aanmerking komt), zoals de verzekeraar stelt. Het hof overweegt dat sprake is van een combinatie letsel van shockschade en affectieschade en dat de deskundige aangeeft dat in de psychiatrie geen onderscheid valt te maken tussen beide. Het hof oordeelt dat zelfs indien wel een causale beoordeling zou moeten worden gemaakt, er op gronden van billijkheid aanleiding bestaat niet slechts 25% van het inkomensverlies toe te rekenen aan de geleden shockschade.
De rechtbank wijst shockschade af. De vorderende nabestaanden zijn niet direct geconfronteerd met de ernstige gevolgen van het ongeval. Het verweer dat minder zware eisen moeten worden gesteld aan het confrontatieaspect, omdat sprake is van een opzettelijk begaan feit wijst de rechtbank af.
De vader zag het lichaam van zijn dochter na de moord. Aan de mate van rechtstreeksheid van de confrontatie dienen minder strenge eisen te worden gesteld naarmate de normschending ernstiger is.
Aangezien sprake is van een tekortkoming rechtstreeks jegens de contractuele partij komt shockschade voor vergoeding in aanmerking bij een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.
Hevige emotionele schok toen eiseres werd geconfronteerd met de ernstige gevolgen. Bij thuiskomst trof zij haar echtgenoot stervend aan. Indien daaruit geestelijk letsel is voortgevloeid, moet gedaagde ingevolge art. 6:106 lid 1 onder b BW de immateriële schade vergoeden die eiseres als gevolg van deze aantasting van haar persoon heeft geleden.
Door een fout van de gynaecoloog overlijdt het dochtertje van eisers bij de geboorte. Het regionaal Tuchtcollege heeft de klacht tegen de arts gegrond geacht. De rechtbank overweegt dat de arts jegens de moeder ernstig is tekortgeschoten in zijn verplichtingen die voortvloeien uit de behandelingsovereenkomst. Sprake is van aantasting in de persoon ( 6:106 lid 1 onder b BW) De moeder heeft recht op vergoeding van immateriële schade. De rechtbank acht het reeds betaalde bedrag van € 5000,- redelijk (vordering: € 40.000,-). Geen vergoeding van affectieschade volgens geldend Nederlands recht. De rechtbank oordeelt dat de arts onrechtmatig heeft gehandeld jegens de vader, maar kent geen vergoeding van immateriële schade aan de vader toe, omdat geen van gevallen als bedoeld in art. 6:106 lid 1 BW zich voordoet: er is geen sprake van geestelijk letsel. Het geldende Nederlands recht biedt voor affectieschade geen basis, terwijl het komende recht zich er, wegens de breuk met het huidige systeem, niet voor leent om reeds in dit geschil toegepast te worden.
Negen nabestaanden van drie overleden slachtoffers vorderen van de WAM-verzekeraar vergoeding van affectieschade, dan wel shockschade. De dader heeft de slachtoffers na bedreiging van de weg gedrukt en is strafrechtelijk veroordeeld wegens doodslag. De rechtbank oordeelt dat volgens geldend recht vergoeding van affectieschade niet kan worden toegewezen; geen anticipatie op wetsvoorstel affectieschade. Ook shockschade wijst de rechtbank af. De rechtbank overweegt hierbij dat de vorderende nabestaanden niet direct zijn geconfronteerd met de ernstige gevolgen van het ongeval. Het verweer dat minder zware eisen moeten worden gesteld aan het confrontatieaspect, omdat sprake is van een opzettelijk begaan feit wijst de rechtbank af.
Een arts is aansprakelijk voor het overlijden van een baby tijdens de bevalling. Beide ouders vorderen shockschade. De moeder baseert haar vordering op een tekortkoming in de nakoming van de behandelingsovereenkomst. De rechtbank oordeelt dat, aangezien sprake is van een tekortkoming rechtstreeks jegens de contractuele partij shockschade voor vergoeding in aanmerking komt, mits sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Uit de overgelegde informatie van de psychiater blijkt onvoldoende dat sprake is van een posttraumatisch stresssyndroom, zoals de moeder stelt. Hiertoe is een deskundigenbericht vereist. De vader baseert zijn vordering op hetgeen in de arresten van baby Kelly en het Taxibus-arrest is beslist. De rechtbank oordeelt dat het wettelijk stelsel de rechter geen mogelijkheid biedt de vordering wegens shockschade aan de vader toe te wijzen.
Een jonge vrouw wordt vermoord door haar echtgenoot. Haar vader stelt de dader aansprakelijk voor de opgelopen shockschade. De rechtbank oordeelt dat de dader ook jegens de vader onrechtmatig heeft gehandeld. De rechtbank oordeelt voorts dat aan de door de Hoge Raad genoemde criteria (1.rechtstreekse confrontatie, 2. hevige schok met name bij affectieve band) is voldaan. De rechter weegt hierbij mee dat de vader het lichaam van zijn dochter na de moord heeft aanschouwd. De rechtbank is hierbij van oordeel dat aan de mate van rechtstreeksheid van de confrontatie minder strenge eisen dienen te worden gesteld naarmate de normschending ernstiger is. De rechtbank laat de vader toe te bewijzen door middel van een deskundigenbericht dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.
De psychotherapeut handelde niet onrechtmatig door bepaalde feiten, die hem bekend waren over de tbs-er, niet te melden aan Justitie, aangezien dit onder zijn beroepsgeheim viel. De moord zal zonder twijfel bijzonder veel leed hebben teweeggebracht in de levens van de nabestaanden.
"Het stelsel van de wet brengt immers met zich mee dat nabestaanden in geval iemand met wie zij een nauwe en/of affectieve band hadden, overlijdt ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, geen vorderingsrecht geldend kunnen maken tot vergoeding van nadeel wegens het verdriet dat zij ondervinden als gevolg van dit overlijden ("affectieschade"). De rechter heeft niet de vrijheid om, vooruitlopend op een eventueel door de wetgever door te voeren wijziging van de wet op dit punt, een zodanige vergoeding toe te kennen (Hoge Raad 22 -02-2002, NJ 2002, 240)". (Kindertaxi-arrest) Rechtbank Zwolle 20-07-2005, LJN: AV5225, aanvaardde niet dat een uitkering op het smartegeld in mindering strekte.
Alleen in zeer ernstige gevallen kan schadevergoeding wegens shockschade worden toegekend. Het enkele aantreffen van de overledenen is onvoldoende. Er dienen bijzondere bijkomende omstandigheden gesteld en zonodig bewezen te worden. Dit is door eisers niet gedaan.
In dit geval volgt uit de twee deskundigenrapporten dat het overlijden van (overledene)ook had kunnen gebeuren zonder dat de arts de fout zou hebben gemaakt. Daarom geen toepassing van de omkeringsregel.
In het Tijdschrift voor Personenschade van-07-2003 becommentarieert mr Schoonen het arrest van Hof Leeuwarden van 8-05-2002, waarin een moeder onder meer shockschade vordert na het overlijden van haar dochter. Opmerkelijk in dit arrest vindt de schrijver dat de Hof de 50%-regel van IZA/Vrerink analoog toepast, terwijl het art 185 WVW niet van toepassing acht. Voorts maakt het waardeert het Hof de verdeling tussen schrik- en affectieschade op 50-50. Opmerkelijk is ook dat het Hof de eigen schuld van de dochter toerekent aan de moeder, ook ten aanzien van de claim wegens shockschade waarvoor zij een zelfstandig vorderingsrecht op grond van art 6:162 BW heeft.
Shockschade. Affectieschade. Twee broers zijn getuigen van verongelukken vader door aanrijding met landbouwvoertuig. Vervolg van Rb. Middelburg 20-12-2000, NJKort 2001, 9.
De psychiatrie kent het juridische begrip shockschade niet. De psychiater kan dan ook niet vaststellen in welke verhouding psychisch letsel is ontstaan als gevolg van shockschade en als gevolg van affectieschade. Uit het rapport concludeert de rechtbank dat er sprake is van geestelijk letsel als gevolg van de confrontatie met het ongeluk en dat het geestelijk letsel mede is veroorzaakt door het verdriet om het overlijden van de vader. De rechtbank stelt de shockschade ex aequo et bono op 50%.
De vader van eiser is betrokken geweest bij een ernstig verkeersongeval, hetgeen een ingrijpende persoonsverandering van de vader ten gevolge had. Eiser, toen 9 jaar oud, vordert de WAM-verzekeraar te veroordelen tot betaling van affectieschade. Het hof overweegt dat affectieschade niet voor toewijzing vatbaar is, aangezien hiervoor een grondslag in de wet ontbreekt. Het hof acht het buiten de rechtsvormende taak van de rechter, om vooruit te lopen op een wetsvoorstel, dat - binnen zekere grenzen -vergoeding van affectieschade mogelijk maakt. Het hof overweegt voorts dat voor vergoeding van shockschade geen plaats is, omdat de Hoge Raad heeft bepaald dat in ieder geval vereist is, dat de persoon het ongeval zelf heeft waargenomen en/of direct met de ernstige gevolgen daarvan is geconfronteerd. Daarbij komt dat geen sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.
De pleger van een moord handelt ook onrechtmatig jegens derden die een nauwe affectieve band hadden met de overledene en bij wie door de confrontatie met het feit van de moord een zodanig hevige emotionele schok teweeg is gebracht dat daaruit geestelijk letsel voortvloeit. De immateriële schade die deze derden als gevolg van de aantasting van hun persoon lijden moet dan ingevolge art. 6: 106 lid 1 onder b BW door de pleger van de moord worden vergoed. Geen affectieschade, ivm HR 22 februari 2002 (NJ 2002/240), het stelsel van de wet brengt mee dat nabestaanden geen vordering geldend kunnen maken tot vergoeding van nadeel wegens het verdriet dat zij ondervinden als gevolg van het overlijden van iemand met wie zij een nauwe en/of affectie band hadden, en het gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten om in afwijking van het wettelijk stelsel een vergoeding toe te kennen.
De vaststelling van shockschade is in hoge mate arbitrair. f25.000,- wegens shockschadedochter die bij ongeval aanwezig was.
Degene die door overtreding van een veiligheids- of verkeersnorm een ernstig ongeval veroorzaakt, handelt in een geval als het onderhavige niet alleen onrechtmatig jegens degene die dientengevolge is gedood of gekwetst, maar ook jegens degene bij wie door het waarnemen van het ongeval of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat tot degene die bij het ongeval is gedood of gewond.De daardoor ontstane (im)materiële schade komt voor vergoeding in aanmerking. Zie HR 22 februari 2002, RvdW 2002, 48.
Voor de toekenning van shockschade is niet vereist dat degene die aanspraak maakt op shockschade aanwezig is geweest bij het ongeval. Voldoende is dat een rechtstreeks verband bestaat tussen het gevaarzettend handelen enerzijds en het geestelijk letsel dat een derde door de confrontatie met de gevolgen van dit handelen oploopt anderzijds. Deze confrontatie kan ook plaatsvinden (kort) nadat de gebeurtenis die tot de dood of verwonding van een ander heeft geleid, heeft plaatsgevonden. De aard van deze schade brengt mee dat deze schade in het algemeen slechts voor vergoeding in aanmerking komt indien
(i) de betrokkene rechtstreeks wordt geconfronteerd met de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden en,
(ii) deze confrontatie bij de betrokkene een hevige schok teweeggebracht heeft, hetgeen zich met name kan voordoen indien sprake is van een nauwe (affectieve) band met degene die door het ongeval is gedood of gewond geraakt.
Een 15-jarig invalide meisje steekt in haar electrorolstoel plotseling de weg over; zij wordt aangereden door een auto en overlijdt. Het Hof oordeelt dat electrorolstoel een motorrijtuig is, zodat bescherming van art 31 WVW (thans 185 WVW) niet van toepassing is, maar past vanwege kwetsbare positie van de rolstoelgebruikster wel –analoog aan art 31 WVW- de 50%-regel toe. Het Hof kent de moeder, die het ongeval hoorde gebeuren en snel ter plaatse was, een bedrag van f 20.000,- toe voor immateriële schade. Voorts oordeelt het Hof schattenderwijs dat de materiële (schrik)schade voor 50% vergoed moet worden, aangezien een deel van de schade is veroorzaakt door het verdriet om het overlijden. De 50%-regel van art 31 WVW past het Hof niet toe op de claim van de moeder.
Bij een verkeersongeval raken vader en moeder gewond en worden zij geconfronteerd met het overlijden van hun 3-jarig zoontje. De Rechtbank neemt als feit van algemene bekendheid aan, dat de confrontatie van ouders met hun ter plaatse overleden kind geestelijk letsel oplevert. Een psychiatrisch rapport, waaruit geestelijk letsel blijkt, wordt niet nodig geacht.
Uit het behandeladvies van het Psychotrauma Diagnose Centrum in juli 2008 heeft opgesteld en waarin gesproken wordt over de toename van de PTSS klachten in ernstige mate zijn toegenomen kan niet kan worden afgeleid dat deze toename het gevolg is van het handelen van de politie. De enkele opmerking in dit advies “doordat alles zo ontzettend lang duurde kreeg cliënt steeds meer klachten” is hiertoe onvoldoende. Het advies is niet opgesteld met het oog op het hier vereiste causaal verband zodat aan dit advies slechts beperkte waarde kan worden gehecht bij de beoordeling of het vereiste causaal verband aanwezig is.
De Hoge Raad oordeelt, dat een schadeuitkering in het kader van een schuldsanering buiten de boedel valt voor zover deze uitkering het karakter heeft van smartengeld. Deze uitzonderingspositie geldt echter niet indien de rechthebbende zijn aanspraak op smartengeld heeft geconcretiseerd in een vordering in rechte of (vaststellings)overeenkomstovereenkomst. De Hoge Raad verwijst hierbij naar HR 22-11-2002, NJ 2003, 32, waarin hetzelfde werd geoordeeld ten aanzien faillissement. De Hoge Raad oordeelt dat er geen reden is een uitkering wegens verlies van arbeidsvermogen buiten de boedel laten vallen. In het onderhavige geval moet de gehele schadevergoeding worden meegenomen in de schuldsanering.
3.5.2. Opgemerkt wordt nog dat in geval van schadevergoeding bij overlijden (art. 6:108 BW) een genoten voordeel als regel steeds in aanmerking zal moeten worden genomen, gelet op de in dat voorschrift besloten liggende behoeftigheidsmaatstaf.
1. alleen verrekening indien uitkering ertoe strekt dezelfde schade te vergoeden als die waarvoor aansprakelijkheid bestaat, 2. wel verrekening bij schadeverzekering, 3. geen verrekening bij sommenverzekering, tenzij verrekening niettemin redelijk is, 4. verrekening sommenverzekering mogelijk indien aansprakelijke partij premie betaalde, 5. indien de aansprakelijkheid is gedekt door een verzekering, dan zal verrekening van een uitkering ingevolge een sommenverzekering in het algemeen niet redelijkheid zijn, 6. eerder verrekening bij risicoaansprakelijkheid dan bij schuldaansprakelijkheid.
Geen vergoeding levensonderhoud omdat erven nalieten de successienota en testament in te brengen en geen informatie te geven.
Ingevolge art. 6 lid 3 Wet schadefonds geweldsmisdrijven treedt het fonds voor het uitgekeerde bedrag in de rechten die dezeheeft. Daaruit volgt dat niet eiseres maar het fonds een vordering op gedaagde tot vergoeding van het bedrag van EUR 4.085 begrafeniskosten heeft.
Alleen de bespaarde kosten van levensonderhoud en de financiële voordelen, die de nabestaande niet zou hebben gehad zonder het overlijden, moeten in mindering worden gebracht op de door het overlijden veroorzaakte verlies aan onderhoud.
Met alle gunstige financiële omstandigheden moet bij de schadevergoeding rekening worden gehouden.
Onverplichte afstand van de verzekeringsuitkering maakt geen verschil voor de schuldige, m.a.w. de uitkering is aftrekbaar. De HR gaat in het arrest Buurtvervoer Mij Eagle Star een stap verder door ook bij verplichte verkoop van de vordering tegen de schuldige, de koopsom in mindering te laten komen (HR 19-06-1970 NJ 1970, 380).
De privaatrechtelijke verzekeraar die naar aanleiding van het overlijden aan een nabestaande uit hoofde van een sommenverzekering een uitkering doet, heeft geen verhaalsrecht tegenover de voor dat overlijden aansprakelijke laedens. Er vindt immers geen subrogatie op grond van art. 284 WvK plaats. De sommenverzekeraar behoort niet tot de in art. 6:108, lid 1 BW limitatief opgesomde kring van vorderingsgerechtigden. Verzekeringsuitkeringen in de privaatrechtelijke sfeer die de behoefte van de nabestaanden verminderen, worden volledig in mindering gebracht op de hen toekomende schadevergoeding.
“dat het Hof, aannemende dat voor de weduwe Bergsma — door het overlijden van haar echtgenoot als gevolg van het onderhavige ongeval — krachtens de indertijd door Bergsma gesloten ongevallenverzekering een aanspraak op een uitkering van ƒ 10 000 ontstond tegenover de Stad Rotterdam, deze haar behoeften verminderende omstandigheid terecht in aanmerking heeft genomen als een factor welke mede bepalend was voor de vaststelling van de schadeloosstelling waarop zij ingevolge art. 1406 (…) recht had, ook al was zij niet verplicht die aanspraak te doen gelden en al zou zij die ook in feite niet hebben doen gelden;”
De eventuele besparing bij de overlevende ouder door het wegvallen van de kosten van de overledene mag niet op de schade van de kinderen in mindering worden gebracht. De toegenomen draagkracht van de partner kan niet gelijk gesteld worden aan inkomen van de kinderen, zoals wezenpensioen.
Grootouder is geen ouder daarom geen alleenstaande ouder toeslag, geen bijzondere omstandigheid ivm rechten kind (AT3468) omdat pleegoudersubsidie wordt verstrekt.
(0700138 internet Lindeman, netwerkpleeggezin art. 8 EVRM, 27IVRK oma Rita Boom, www.stichtingkog.info).
C. Visser:
Verzekering
Een gemengde verzekering heeft een risicodeel en een spaardeel. Voor het risicodeel is het een gewone levensverzekering. Voor het spaardeel betreft het geld dat je enige tijd vastlegt.
Het spaardeel is precies hetzelfde als sparen bij een bank, of beleggen. Het verandert je vermogenspositie niet, het is schuiven van de ene vorm van laten renderen naar een andere vorm. Opnemen vormt geen inkomen, premiebetalen vormt geen last.
Je vermogenspositie wijzigt niet bij een uitkering.
Meer in het bijzonder is er geen verschil tussen het spaardeel met een bancaire “lijfrente”. Zo’n lijfrente is niets anders dan het in vastgestelde periodes opnemen van de bankrekening van vaste overeengekomen bedragen die je eerder hebt gestort.
De waarde is niet de premie en ook niet de premie verhoogd met rentederving.
De waarde is de waarde volgens de overeengekomen opbouw, bijvoorbeeld het spaardeel van de premie onder aftrek van kosten van de maatschappij, kosten van het intermediair en verhoogd met het T-rendement. Het T-rendement komt vaak voor, maar ook vaak een bepaald beleggingsfonds en dan zit je vlug in de woekerpolis, omdat het fonds ook kosten berekent; de verzekeraar vangt dubbel.
De enige die met enige zekerheid kan zeggen wat de waarde is dat is de verzekeraar. De verzekeraar geeft dat op aanvraag zeer nauwkeurig op, het komt ook voor dat jaarlijkse opgave van de waarde wordt verstrekt.
Omdat het spaardeel de vermogenspositie niet beïnvloedt - je maakt alleen solvabiliteit tot liquiditeit - bestaat er geen opkomend voordeel voor het spaardeel. Het spaardeel wordt gespaard door de premiebetaler en komt bij gemeenschap van goederen uit de huwelijksgemeenschap. De waarde van de gemengde verzekering valt dan ook in de gemeenschap. De helft vererf je, de andere helft was al je eigendom. In mijn geheugen staat dat uit art. 13 van de Successiewet voortvloeit dat de helft van de waarde met erfbelasting wordt belast, evenals overigens het risicodeel.
Wanneer de partner dan de waarde uitgekeerd krijgt dan had hij de helft al, en de andere helft is vererfd. Die vererfde helft is toerekenbaar voordeel. Ontvangt een kind een spaardeel, dan is dat voor het kind volledig vererving. Hierover is nog niet geprocedeerd.
Het risicodeel is een hard voordeel dat de behoefte direct en volledig vermindert.
Er zit een verschil tussen vererving en uitkering uit een risicoverzekering. De jurisprudentie is geneigd om bij vererving alleen het specifieke rendement daarvan in mindering te brengen en het vererfde zelf niet op te laten souperen. Ik voel daar wel voor met een gewogen rendement van 3%.
De met een hypotheek gekoppelde verzekering komt ten gunste van partner en kinderen door deze te verwerken in de vaste lasten. Dat vloeit niet alleen uit het doel voort, maar ook doordat het ten gunste komt van de bank, waardoor het huis lastenvrij wordt en de vaste lasten afnemen. Als een uitkering door de willekeur van de begunstigde voor een bepaald doel gebruikt wordt, zoals voor aflossing van de woning, terwijl dat ook voor een ander doel kan worden gebruikt, dan is er geen reden om een voordeel aan de niet begunstigde toe te rekenen.
Rb. Zwolle vergist zich mogelijk op 20-07-2006, AV5225 in r.o. 4.10. Er is geen sprake van dat een gezin het ruimer krijgt na uitkering vanhet spaardeel een gemengde verzekering. Als de waarde op de einddatum betaald wordt, dan is dat niets anders dan het verschuiven van bezit in vastgelegde vorm naar vrije vorm. Er is geen sprake van enige bezitsverandering, men krijgt het niet rijker. Er is ook hierbij weer sprake van solvabiliteit naar liquiditeit. Die is vaak zelfs onafhankelijk van de einddatum omdat eerdere afkoop tot de mogelijkheden behoort.
Het ontgaat mij volledig waarom er meer te besteden zou zijn. Er is evenmin meer te besteden als ik op de bank gezet geld van de bank afhaal.
Bij een overlijdenskwestie mag van alle bij de schadeafwikkeling betrokken professionals worden verwacht dat zij zich er maximaal voor inspannen dat de relevante gegevens worden opgevraagd, verstrekt en verwerkt en dat de aan de gerechtigden uit te betalen bedragen spoedig en correct worden vastgesteld en uitbetaald. Het ongeval vond in 2005 plaats. Inmiddels is het 2013. Het wordt tijd voor een constructieve opstelling van alle betrokkenen, gericht op een correcte afwikkeling.
Dat geen smartengeld kan worden toegekend, laat onverlet dat immateriële schade is geleden. Daarmee kan in rechte in zoverre rekening worden gehouden dat een uitkering van bruto € 25.058,00, netto € 13.568,89, geacht kan worden primair ter vergoeding van immateriële schade te strekken. Hetzelfde geldt voor de eventuele eenmalige uitkering na overlijden van de werkgever.
De ANW-uitkering staat - anders dan de genoemde gezinstoeslag - immers wel in direct verband met de behoefte van het kind. Een dergelijke uitkering strekt in mindering op de behoefte van het kind en vermindert daarmee de schadevergoeding die aan het kind toekomt.
Verzekeringsuitkeringen in verband met het overlijden die de hypothecaire schuld verminderen moeten in de vaste lasten worden verdisconteerd
Indien het inkomen van de moeder is gestegen doordat zij rendement verkrijgt uit de aan haar uitgekeerde levensverzekeringen levert dat een verminderde behoefte aan levensonderhoud aan de zijde van het kind. De stelling van gedaagde dat de sommenverzekering ook strekt ter dekking van de begrafeniskosten onvoldoende onderbouwd en wordt gepasseerd.
De toegenomen draagkracht van de partner kan niet gelijk gesteld worden aan inkomen van de kinderen, zoals wezenpensioen.
Een uitkering ter aflossing van de hypotheek leidt tot lagere vaste lasten en daarmee tot een verminderde behoefte aan levensonderhoud aan de zijde van de nabestaanden. De sommenverzekering is een zogenaamde gemengde verzekering, die ook in de situatie zonder ongeval op enig moment tot uitkering zou zijn gekomen. Van voordeel ten opzichte van de situatie zonder ongeval kan vanaf dat moment niet meer worden gesproken: ook in de situatie zonder ongeval zou het gezin vanaf dat moment immers meer te besteden hebben gehad. Dit dient in de schade-berekening tot uitdrukking te worden gebracht. De variabele behoeften vanaf het moment dat de verzekering zonder ongeval zou hebben uitgekeerd dienen te worden vermeerderd met het bedrag waarmee de vaste lasten (door besparing van hypotheeklasten) worden verminderd.
Ook een uitkering uit sommenverzekering dient hij niet uitsluitend aan zichzelf toe te rekenen. Gezien de aard van deze verzekeringen en het feit dat (vader) niet gesteld heeft dat de premies daarvan niet uit en ten behoeve van de gezinspot maar uitsluitend door en ten behoeve van hemzelf zijn voldaan, dienen deze uitkeringen op de totale schade in mindering te worden gebracht.
Ongeval in Curacao. Kwidama is voor 75% aansprakelijk, Raphael overleed. Hij had 25% eigen schuld. Ennia keerde NAƒ 43.552,23 uit op bais van een levensverzekering.
Bij het bepalen van de behoefte van de nabestaade behoort in beginsel zijn gehele financiële positie in aanmerking te worden genomen. Hieruit vloeit voort dat alle gunstige financiële omstandigheden de behoefte van de nabestaande kunnen beperken en dat daarmee uit dien hoofde — derhalve anders dan bij wege van voordeelstoerekening — ook bij de hem verschuldigde schadevergoeding rekening moet worden gehouden. Dit geldt ook voor een uitkering uit hoofde van een verzekering als de onderhavige levensverzekering.
Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat
met betrekking tot schadevergoeding ter zake van overlijden geen zelfde stelsel als ten aanzien van schadevergoeding in geval van letsel werd ingevoerd, maar het huidig stelsel ter zake van overlijden wordt gehandhaafd.
Verwijzing volgt om nader te onderzoeken in hoeverre en op welke wijze — gelet op alle omstandigheden van het geval en op hetgeen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband daarmee meebrengen — bij de aan Raphael-Richardson en haar kinderen verschuldigde vergoeding van de geleden inkomensschade met de uitkering uit hoofde van de verzekering rekening moet worden gehouden.
AG Spier: 3.21. Bij een op het concrete geval toegesneden benadering kan m.i. worden gelet op de navolgende factoren:
1) de vraag wie de premie heeft betaald;
2) de omvang van de behoefte en van de verzekeringsuitkering in relatie tot de betaalde premie;
3) de aard van de aansprakelijkheid en de mate van schuld van de laedens;
4) doel en strekking van de verzekering.
Uitkering uit ongevallenverzekering wordt niet als voordeel toegerekend en vormt geen reden tot matiging schadevergoeding.
In het voetspoor van HR 28-04-1989, NJ 1990, 703 is de Rb van oordeel dat uitkeringen uit een sommenverzekering van invloed kunnen zijn op de behoefte van de gelaedeerde. Dat betekent niet dat deze geheel dienen te worden afgetrokken. Art. 1406 BW ziet slechts toe op de derving van onderhoud, niet op vergoeding van alle schadeelementen. Eerst dient rekening te worden gehouden met die andere schadeelementen zoals immateriële schade. Die is reeds hoger dan de uitkeringen van f 250.000 zodat geen voordeel voor verrekening in aanmerking komt. Het is een feit van algemene bekendheid dat slechts een beperkt aantal leraren in staat blijkt te zijn, althans te willen blijven doorwerken tot zij 65 jaar zijn geworden. Op gronden van redelijkheid en billijkheid gaat de rechtbank ervan uit dat de overledene zijn werkzaamheden zou hebben voortgezet tot de maand waarin hij 62 jaar zou zijn geworden, het moment waarop hij aanspraak zou hebben gehad op een loondervingsuitkering.
De privaatrechtelijke verzekeraar die naar aanleiding van het overlijden aan een nabestaande uit hoofde van een sommenverzekering een uitkering doet, heeft geen verhaalsrecht tegenover de voor dat overlijden aansprakelijke laedens. Er vindt immers geen subrogatie op grond van art. 284 WvK plaats. De sommenverzekeraar behoort niet tot de in art. 6:108, lid 1 BW limitatief opgesomde kring van vorderingsgerechtigden. Verzekeringsuitkeringen in de privaatrechtelijke sfeer die de behoefte van de nabestaanden verminderen, worden volledig in mindering gebracht op de hen toekomende schadevergoeding.
Vordering van wezen o.g.v. 1406 BW wordt niet verminderd o.g.v. de door hun moeder ontvangen gezinstoeslag ex art. 19 lid 2 AWW. Bij de vaststelling van de aan de nabestaanden toekomende schadevergoeding moeten uitkeringen die zij op grond van het sociale zekerheidsstelsel ontvangen, volledig in aanmerking worden genomen (AKW, ANW en AOW). Daarbij geldt dat de uitkeringen slechts de behoefte en daarmee de schadevergoeding verminderen van de nabestaande aan wie de uitkering toekomt. BW. Hertrouwen of concubinaat van de vrouw heeft geen invloed op de aan de kinderen te betalen schadevergoeding. AWW-gezinstoeslag wordt toegerekend aan de weduwe, niet aan de kinderen. Een uitkering uit levensverzekering voor de aflossing van de hypotheek vermindert niet rechtstreeks de behoefte aan levensonderhoud van de nabestaanden. Wel wordt de behoefte van het achterblijvende gezin verminderd in de vaste lasten.
In hoeverre een concreet voordeel de behoefte aan onderhoud vermindert en dus in aanmerking moet worden genomen bij de schadebegroting, wordt uiteindelijk door de rechter bepaald. Deze heeft daarbij een zekere vrijheid. Verzekeringsuitkeringen in de privaatrechtelijke sfeer die de behoefte van de nabestaanden verminderen, worden volledig in mindering gebracht op de hen toekomende schadevergoeding.
bij bepalen behoeftigheid in zin van art. 1406 (oud) BW (art. 6:108 BW) dient rekening te worden gehouden met uitkering uit ongevallenverzekering. Het maakt niet uit of het opkomen van behoefteverminderende factoren al dan niet in verband staat met het overlijden. Verzekeringsuitkeringen in de privaatrechtelijke sfeer die de behoefte van de nabestaanden verminderen, worden volledig in mindering gebracht op de hen toekomende schadevergoeding. Het maakt niet uit of het opkomen van behoefteverminderende factoren al dan niet in verband staat met het overlijden.
Bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding bij letselschade kan in een aantal gevallen wel rekening worden gehouden met voordeelstoerekening.
Het BW geeft indicatie dat het gaat om levensonderhoud van nagelaten betrekkingen, over de twee maanden + uitkering wordt vaak gezegd dat die op begrafeniskosten betrekking heeft wat met de BW tekst in strijd lijkt.
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Boek 7. Bijzondere overeenkomsten
Titel 10. Arbeidsovereenkomst
Afdeling 9. Einde van de arbeidsovereenkomst
Artikel 674
1. De arbeidsovereenkomst eindigt door de dood van de werknemer.
2. Niettemin is de werkgever verplicht aan de nagelaten betrekkingen van de werknemer over de periode vanaf de dag na overlijden tot en met één maand na de dag van het overlijden, een uitkering te verlenen ten bedrage van het loon dat de werknemer laatstelijk rechtens toekwam.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder nagelaten betrekkingen verstaan de langstlevende der echtgenoten dan wel geregistreerde partners van wie de werknemer niet duurzaam gescheiden leefde dan wel degene met wie de werknemer ongehuwd samenleefde, bij ontstentenis van deze de minderjarige kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond en bij ontstentenis van dezen degene met wie de werknemer in gezinsverband leefde en in wiens kosten van bestaan hij grotendeels voorzag. Van ongehuwd samenleven als bedoeld in de eerste zin is sprake indien twee ongehuwde personen een gezamenlijke huishouding voeren, met uitzondering van bloedverwanten in de eerste graad. Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in de tweede zin is sprake indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.
4. De overlijdensuitkering, bedoeld in lid 2, kan worden verminderd met het bedrag van de uitkering dat aan de nagelaten betrekkingen ter zake van het overlijden van de werknemer toekomt krachtens een wettelijk voorgeschreven ziekte- of arbeidsongeschiktheidsverzekering en krachtens de Toeslagenwet.
5. Lid 2 geldt niet indien de werknemer onmiddellijk voorafgaande aan het overlijden door toepassing van artikel 629 lid 3, geen aanspraak had op loon als bedoeld in artikel 629 lid 1 of indien ten gevolge van het toedoen van de werknemer geen aanspraak bestaat op een uitkering krachtens een wettelijk voorgeschreven ziekte- of arbeidsongeschiktheidsverzekering.
6. Van dit artikel kan niet ten nadele van de nagelaten betrekkingen worden afgeweken.
Bijzondere regeling eenmalige ongevallenuitkeringen
Voor eenmalige invaliditeits- of overlijdensuitkeringen in verband met een ongeval dat vóór 1 -01-2001 heeft plaatsgevonden, bestaat een bijzondere regeling. Op deze uitkeringen moet u in principe de tabel voor bijzondere beloningen toepassen. De werknemer of nabestaande kan voor deze uitkering echter in de inkomstenbelasting recht hebben op een bijzonder tarief van 20%. U mag met dit bijzondere tarief geen rekening houden. De werknemer of nabestaande kan dan dus eventueel belasting terugkrijgen.
De werknemer of - bij overlijden - de nabestaande komt voor de inkomstenbelasting over het belaste deel van de uitkering in aanmerking voor het bijzondere tarief van 20%:
als de uitkering eenmalig is;
als de uitkering betrekking heeft op overlijden of invaliditeit als gevolg van een ongeval dat plaatsvond vóór 1 -01-2001; en
voorzover het totale inkomen uit werk en woning van de werknemer of nabestaande hoger is dan ongeveer € 28.850.
Bij een overlijdensuitkering maakt het voor toepassing van het bijzondere tarief niet uit of u de uitkering heeft toegerekend aan de overleden werknemer of aan de nabestaanden. U kunt de betreffende werknemers of nabestaanden informeren over het bijzondere tarief en de mogelijkheid van teruggaaf.
Bij een overlijdenskwestie mag van alle bij de schadeafwikkeling betrokken professionals worden verwacht dat zij zich er maximaal voor inspannen dat de relevante gegevens worden opgevraagd, verstrekt en verwerkt en dat de aan de gerechtigden uit te betalen bedragen spoedig en correct worden vastgesteld en uitbetaald. Het ongeval vond in 2005 plaats. Inmiddels is het 2013. Het wordt tijd voor een constructieve opstelling van alle betrokkenen, gericht op een correcte afwikkeling.
Dat geen smartengeld kan worden toegekend, laat onverlet dat immateriële schade is geleden. Daarmee kan in rechte in zoverre rekening worden gehouden dat een uitkering van bruto € 25.058,00, netto € 13.568,89, geacht kan worden primair ter vergoeding van immateriële schade te strekken. Hetzelfde geldt voor de eventuele eenmalige uitkering na overlijden van de werkgever.
Ivm HR 4 februari 2000, NJ 2000/600, moet de gehele positie in aanmerking te worden genomen. Met alle gunstige financiële omstandigheden die de behoefte kunnen beperken moet, anders dan bij wijze van voordeelstoerekening, rekening worden gehouden. Zowel de uitkering van het Hooge Huys als de uitkering van de werkgever moeten volledig worden verrekend.
Na een dodelijk arbeidsongeval heeft de werkgever de begrafeniskosten e.d. betaald en een uitkering ter hoogte van drie maanden loon verstrekt aan de levenspartner van de overledene. Ontkennend antwoord op de vraag of de werkgever hiervoor naar oud-BW regresrecht heeft op de veroorzaker van het bedrijfsongeval. De werkgever behoort niet tot de kring van degenen die ingevolge art. 1406 BW (oud) een vordering kunnen instellen. Voor wat betreft de materiële kosten van de werkgever die rechtstreeks uit het ongeval zelf voortvloeien, heeft de werkgever wel een vorderingsrecht. Verwerping van beroep op eigen schuld.
Het hof wijst op de discussie die naar aanleiding van art. 6.1.9.12 NBW in de Tweede Kamer is gevoerd, waarbij een voorstel om vooruitlopend op de invoering van het NBW bij art. 1406 (oud) een bepaling op te nemen krachtens welke de begrafeniskosten door de veroorzaker c.q. aansprakelijke persoon dienden te worden vergoed, niet werd overgenomen (PG Boek 6, blz. 1313).
Indien en voor zover de eenmalige overlijdensuitkering niet is aangewend voor de kosten van lijkbezorging is zij een de behoeften verminderende omstandigheid.
9 In de tweede grief betoogt de Zwolsche dat de Rb. ten onrechte de loondoorbetaling ex art. 1639l BW niet in mindering heeft gebracht op het door Van der Wal gevorderde bedrag.
10 Het hof is met de Rb. van oordeel dat deze zgn. 'overlijdensuitkering' strekt tot dekking van bijzondere, door het overlijden veroorzaakte kosten, zoals begrafeniskosten, hetgeen ook blijkt uit het feit dat deze kosten, voor zover zij het onbelaste gedeelte van de uitkering niet overschrijden, fiscaal niet als buitengewone lasten in mindering mogen worden gebracht. Derhalve is geen sprake van een uitkering die de behoefte van Van der Wal aan levensonderhoud vermindert, zodat deze uitkering bij de vaststelling van haar schade niet aanmerking dient te worden genomen.
Overlijdensuitkering ex art. 102 ARAR komt voor verhaal in aanmerking. Van beperking op grond van art. 3 VOA kan geen sprake zijn volgens de rechtbank. Immers, dit artikel beoogt te voorkomen dat de vordering tot verhaal op de veroorzaker van het ongeval, wat haar totale bedrag betreft, uitgaat boven hetgeen de terzake aansprakelijke verschuldigd is. Bij de beoordeling dient niet uitsluitend het verhaal van de Staat terzake van het ongeval, doch ook het verhaal van het ABP terzake van datzelfde ongeval in aanmerking te worden genomen.
CV:
Niet vorderbare schade
De HR heeft op 1 oktober 2010 BM7808 over voordeelstoerekening principieel geoordeeld bij letsel. In een overweging ten overvloede heeft de Raad in 3.5.2 de instructie gegeven: Opgemerkt wordt nog dat in geval van schadevergoeding bij overlijden (art. 6:108 BW) een genoten voordeel als regel steeds in aanmerking zal moeten worden genomen, gelet op de in dat voorschrift besloten liggende behoeftigheidsmaatstaf. De Raad heeft daarmee duidelijk bedoeld richting te geven. Daarmee breekt de Raad met de tendens om uitkeringen aan te wenden voor zogenaamde niet vorderbare schade. Er is concrete niet vorderbare schade, erfbelasting en abstractere zoals smartegeld.
Over smart oordeelde Hof Amsterdam dat dat eerst van een uitkering af moet tegen € 10000 per persoon (Hof Amsterdam, 3 -02-2000, VR 2000,86). Rb. Den Bosch veegde daar de vloer mee aan in een ongepubliceerd vonnis dat je op het kennisnet kan vinden (27-10-2004 91040 / HA ZA 03-266). Ook rb Zwolle volgt Amsterdam niet op 20-07-2006 AV5225 in r.o. 4.8. Sap van rb. Utrecht wijst de € 10000 toe. De HR moet daar dus nog een keer over oordelen.
De HR is verder duidelijk. De regel is niet € 10000 van de levensverzekering aftrekken, maar de levensverzekering steeds aftrekken.
Voor zover eventuele uitkeringen uit sommenverzekeringen geacht moeten worden verband te houden met immateriële schade, is er in zoverre geen sprake van inkomen dat de materiële behoeftigheid vermindert.
Alle gunstige financiële omstandigheden die nabestaanden na het overlijden ten deel vallen, waaronder ook uitkeringen uit ongevallenverzekeringen, verminderen in beginsel hun behoeftigheid en daarmee de hen toekomende schadevergoeding.
De betaalde successiebelasting moet worden aangemerkt als schade, die moet worden verrekend met het opgekomen voordeel uit de ongevallenverzekeringen.
Nabestaanden kunnen geen vergoeding van immateriële schade vorderen. Het beroep op Hof Amsterdam van 3 februari 2000, VR 2000,86 gaat niet op wegens het ontbreken van een uitkering uit een sommenverzekering.
Kosten notaris voor afwikkeling boedel zijn geen kosten in de zin van art. 6:108 lid 2. Deze kosten zijn te verrekenen met een opkomend voordeel, namelijk de rente over de erfenis.
Verzekeringen als de onderhavige plegen niet zozeer te worden aangegaan om het immateriële leed van het verlies van een dierbare te stelpen, maar veeleer om nabestaanden zoveel mogelijk in staat te stellen hun leven op dezelfde materiële voet voort te zetten. Dat zulks in het onderhavige geval anders ligt, is niet aannemelijk geworden. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de in de rechtspraak van de Hoge Raad neergelegde lijn (vide HR 4 februari 2000, NJ 2000,600), die er op neerkomt dat dergelijke uitkeringen bij het bepalen van de behoefte in aanmerking moeten worden genomen. (CV: Spier lijkt contrair te redeneren in HR 04-02-2000, VR 2000, 154;NJ 2000, 600
2.6. Uit HR 3 april 1970, NJ 1970, 379 GJS (VR 1971, 69; red. VR) volgt dat het irrelevant is met welk doel de verzekering is gesloten en eveneens welke opofferingen degene die de verzekering is aangegaan zich daarvoor heeft getroost. Dit vloeit volgens de Hoge Raad voort uit de omstandigheid dat door de verzekeringsuitkering de behoeftigheid van de nabestaanden vermindert.
In een overlijdenszaak oordeelt de rechtbank, dat met de uitkering uit hoofde van een levensverzekering als behoefteverminderende omstandigheid rekening moet worden gehouden. De rechtbank verwijst hierbij naar HR 4 -02-2000, NJ 2000, 600, waarin in deze zin werd geoordeeld. De rechtbank geeft uitdrukkelijk aan dat de uitspraak van Hof Amsterdam, 3 -02-2000, VR 2000,86, waarin een uitkering uit een levensverzekering buiten beschouwing werd gelaten, niet wordt gevolgd. Het stelsel van de wet brengt immers mee dat nabestaanden ingeval iemand met wie zij een nauwe en/of affectieve band hadden, overlijdt ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, geen vordering geldend kunnen maken tot vergoeding van nadeel wegens het verdriet dat zij ondervinden als gevolg van dit overlijden "affectieschade"). De rechter heeft niet de vrijheid om, vooruitlopend op een eventueel door de wetgever door te voeren wijziging van de wet op dit punt, een zodanige vergoeding toe te kennen (Hoge Raad 22 -02-2002, NJ 2002, 240).
Ivm HR 4 februari 2000, NJ 2000/600, moet de gehele positie in aanmerking te worden genomen. Met alle gunstige financiële omstandigheden die de behoefte kunnen beperken moet, anders dan bij wijze van voordeelstoerekening, rekening worden gehouden. Zowel de uitkering van het Hooge Huys als de uitkering van de werkgever moeten volledig worden verrekend.
De overledene betaalde maandelijks een vast bedrag ten behoeve van een huurverkoper afgesloten levensverzekering. Na het overlijden behoefde de weduwe geen termijnen meer te betalen, omdat de verzekeraar het gehele bedrag dat nog openstond, aan de huurverkoper had betaald. Het hof had de voordeelstoerekening afgewezen. De Raad oordeelde, dat bij de bepaling van de behoeftigheid rekening moet worden gehouden met de uitkering uit een sommenverzekering. Maar in hoeverre en op welke wijze hangt, volgens de Raad, mede af van de omstandigheden van het geval en de eisen van redelijkheid en billijkheid. Bij het bepalen van de behoefte van de nabestaande behoort in beginsel zijn gehele financiële positie in aanmerking te worden genomen. Uit wetsgeschiedenis blijkt dat rechter bij art. 6:107 BW de vrijheid heeft om bij letsel een sommenverzekering als voordeel toe te rekenen aan gekwetste en daarbij af te wijken van HR 28.11.1969 NJ 1970 nr. 172.De Raad herhaalt de benadering van HR 19-06-1970 NJ 1970, 380 VR 1971, 70 (NBM/Eagle Star).
Hof stelt voorop dat uitkeringen uit sommenverzekeringen behoefteverminderende omstandigheid kunnen opleveren. Dat geen vergoeding kan worden gevorderd wegens immateriële schade laat onverlet dat zo'n schade wel wordt geleden. Indien nabestaande wegens overlijden uitkering ontvangt, kan van hem niet worden gevergd die uitkering niet aan te wenden ter vergoeding van immateriële schade. Immateriële schade vrouw wordt begroot op NLG 40.000,00 en die van ieder der kinderen op NLG 20.000,00. Voorzover uitkeringen uit sommenverzekeringen hoger waren, kunnen die uitkeringen geacht worden behoefte te hebben verminderd.
Matigingsrecht: art. 6:109 BW.Het arrest van het hof behoeft niet in tegenspraak te zijn met het arrest van HR 04-02-2000; NJ 2000, 600 (Kwidama/Raphael-Richardson) De Hoge Raad oordeelde, dat bij de bepaling van de behoeftigheid rekening moet worden gehouden met de uitkering uit een sommenverzekering. Maar in hoeverre en op welke wijze hangt, volgens de Hoge Raad, mede af van de omstandigheden van het geval en de eisen van redelijkheid en billijkheid.
Het Hof verenigt zich met de beschouwing van de Rechtbank in r.o.w. 5 ad c., dat polissen van een dergelijke — relatief geringe — omvang plegen te worden afgesloten, niet in de eerste plaats tot bekostiging van het levensonderhoud van de weduwe, maar met het oog op de bijzondere uitgaven die het overlijden van de overledenen met zich brengt en om de weduwe in staat te stellen zich aan de gewijzigde omstandigheden aan te passen. Dat heeft Van der Voort, door verhuizing naar de omgeving waar haar familie woont, ook gedaan. Zij wijst er op dat een en ander haar voor aanzienlijke uitgaven heeft gesteld. Gelet op de opgave, die zij bij pleidooi van die uitgaven heeft gedaan, vindt de Rechtbank in het onderhavige geval geen reden de berekende schadevergoeding te verminderen.
De overlijdensuitkering van de werkgever kan niet zonder meer op de overlijdensschadevergoeding in mindering worden gebracht. Deze uitkering wordt hoofdzakelijk geacht bestemd te zijn om diverse 'verborgen' kosten te dekken, bijvoorbeeld kosten in verband met een noodzakelijk geworden verhuizing.
Het Hof Den Bosch heeft zich in IBC / Derkx II, NJ 1977, 214 vergist door bij de vordering van benadeelde uit te gaan van voordeelstoerekening waarbij de eigen schuld van benadeelde voor de totale schade volledig in mindering werd gebracht op de vordering van UWV waardoor effectief op de vordering van de benadeelde geen eigen bijdrage in rekening werd gebracht. Het gaat niet om voordeelstoerekening, maar om de vraag wie voor welk deel een actie heeft. Nadat de verhouding in de vorderingsrechten is beoordeeld wordt de eigen bijdrage daarop in rekening gebracht. Als dus UWV een vordering heeft van 16000 en sprake is van een eigen bijdrage van 10% heeft UWV een vordering van 16000 – 1600 = 14400. UWV heeft dus geen vordering van 12000 bij een totale schade van 40000, dus niet 16000 – 4000 = 12000. Door dit arrest zou het hof onbewust een vorderingsvoorrecht hebben gecreëerd van de verzekerde boven de publiekrechtelijke en private verzekeraar (vgl. HvJ 26-02-1992 C-333/90. Uit o.a. HR 20 mei 1983, NJ 1984, 649 blijkt dat de sociale verzekeraar een actie heeft gebaseerd op schulddelen, niet verminderd door prioriteiten of voordeelstoerekeningseffecten, het Hof zit fout met de introductie van een verdekt opgesteld vorderingsvoorrecht).
Contrair
Hof 's-Hertogenbosch 23.10.1969; VR 1971, 4 (Goertz/Cremers) wijze berekening voordeelstoerekening bij eigen schuld
In geval van eigen schuld dient eerst te worden berekend hoe groot de totale voor vergoeding in aanmerking komende schade zou zijn geweest bij volledige aansprakelijkheid van de schadeveroorzaker, dus met verdiscontering van eventuele voordeelsverrekening, als er sprake is van een behoefteverminderende omstandigheid zoals een uitkering op grond van een sommenverzekering. Pas daarna vindt, naar rato, aftrek vanwege eigen schuld plaats. Naar de mening van L.H.Pals dient eventuele voordeelsverrekening pas verdisconteerd te worden, als is vastgesteld welk deel van de schade voor rekening van de schadeveroorzaker komt en welk gedeelte ten laste van de benadeelde blijft.
Vervolgens dient het opkomende voordeel eerst verrekend te worden met het ten laste van de benadeelde blijvende deel van de schade om, pas als die verrekening een overschot oplevert, dit overschot in mindering te brengen op het voor rekening van de aansprakelijke partij komende gedeelte van de schade.
(CV: Wildeboer heeft over het arrest Hof den Bosch 24 december 1974, NJ 1977, 214 in een publicatie een korte passage gewijd, die rechterlijke bijval kreeg in het handboek personenschade onder voordeelstoerekening (pdf).
Vanuit voordeelstoerekening geredeneerd is het arrest nog zo gek niet in die zin dat het voordeel eerst in aanmerking komt voor de niet verhaalbare schade en dat als er dan nog iets overblijft de rest in mindering strekt op de vordering van de privépersoon/sociaal verzekerde. Dat is uiterst nadelig voor UWV. In Duitsland en Oostenrijk is dit algemeen aanvaard.
Wat mij betreft is de beroepsrechter verkeerd geïnstrueerd geweest. Het onderwerp moet je niet uit voordeelstoerekening benaderen, maar uit overgang van recht. De vraag is niet of gekort moet worden, maar wie welke rechten heeft. Het is tot heden onomstreden in de rechtspraak dat UWV een vorderingsrecht heeft gelijkwaardig aan dat van de verzekerde, zoals ook de private verzekeraar een gelijkwaardig vorderingsrecht heeft bij subrogatie. Door de verkeerde instructie introduceerde de rechter impliciet en onbewust een vorderingsvoorrecht voor de verzekerde).
Rekening moet worden gehouden met de waarde van de verzekering per overlijdensdatum, welke waarde bestaat uit de in totaal betaalde premies en de rentederving wegens de premiebetaling.
Uitkering sommenverzekering moet meegenomen worden in behoeftebepaling, wel rekening houden met feit dat sprake is van gemengde verzekering die ook zonder ongeval tot uitkering zou zijn gekomen. Er is geen aanleiding om af te wijken van de in de rechtspraak van de Hoge Raad neergelegde lijn (vide HR 4 februari 2000, NJ 2000,600), die er op neerkomt dat dergelijke uitkeringen bij het bepalen van de behoefte in aanmerking moeten worden genomen.
Een uitkering ter aflossing van de hypotheek leidt tot lagere vaste lasten en daarmee tot een verminderde behoefte aan levensonderhoud aan de zijde van de nabestaanden. De sommenverzekering is een zogenaamde gemengde verzekering, die ook in de situatie zonder ongeval op enig moment tot uitkering zou zijn gekomen. Van voordeel ten opzichte van de situatie zonder ongeval kan vanaf dat moment niet meer worden gesproken: ook in de situatie zonder ongeval zou het gezin vanaf dat moment immers meer te besteden hebben gehad. Dit dient in de schade-berekening tot uitdrukking te worden gebracht. De variabele behoeften vanaf het moment dat de verzekering zonder ongeval zou hebben uitgekeerd dienen te worden vermeerderd met het bedrag waarmee de vaste lasten (door besparing van hypotheeklasten) worden verminderd.
Gelet op voormeld arrest van de Hoge Raad van 4 februari 2000-in deze niet toereikend het betoog van (benadeelde) dat het de Stichting is die profiteert van de door (benadeelde) en haar echtgenoot betaalde premies, waarvoor (benadeelde) bereid was inkomen in te leveren. Over de hoogte van de overlijdensverzekeringspremies heeft (benadeelde) overigens niets aangevoerd.
In hoeverre een verzekeringsuitkering de behoefte van de nabestaanden vermindert, is met name afhankelijk van de aard van de verzekering en de uitkering. Daarbij is niet van belang met welk doel de verzekering is gesloten. Evenmin is van belang welke opofferingen degene die de verzekering is aangegaan, zich daarvoor heeft getroost.
In redelijkheid kan niet gevergd worden de zelf bewoonde en vererfde woning te gelde te maken teneinde met de opbrengst in de behoefte aan levensonderhoud te voorzien.
Verjaring kan soms opgeschort worden zoals volgens art 3:321 lid 1 e BW tussen een beneficiair aanvaarde nalatenschap en een erfgenaam. Dat ziet echter alleen toe op vorderingen ten behoeve van de nalatenschap en niet tegen de nalatenschap.
4.23. Het ziekenhuis heeft de hoogte van het door Y. gehanteerde uurtarief niet bestreden. Wel heeft zij aangevoerd dat de kosten van de huishoudelijke hulp moeten worden voldaan met alle tot de nalatenschap behorende goederen. Dat de nalatenschap, behalve de helften van de beide woningen en eventuele inboedelgoederen, liquide middelen bevatte, is, gelet op de onbestreden stelling van Y. dat dit niet het geval was, niet gebleken. Dit verweer faalt. (vgl. HR 19 juni 1970 NJ 1970, 380; VR 1971, 70, bij cessie aan een verzekeraar).
Matiging van de schadevergoeding vindt plaats tot ten hoogste het vermogen van gedaagde, bestaande uit spaartegoeden en de overwaarde van zijn woning (rov. 2.46-2.48).
De kans op hertrouwen of samenwonen mag alleen in de schadebegroting worden betrokken, indien dat zo waarschijnlijk is te achten dat daarvan bij de berekening moet worden uitgegaan; bij het vaststellen van de redelijke verwachtingen op dit punt moet een zekere mate van terughoudendheid in acht worden genomen (zie HR 29-04-1994, NJ 1995, 609).
Eiseres betwist dat de hartafwijking en de diabetes een lagere levensverwachting opleverden. Nu gedaagde volstaat met een veronderstelling en met name geen bewijsstukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat iemand met diabetes en een dergelijke hartafwijking een aanzienlijk lagere levensverwachting heeft dan de gemiddelde man, ziet de rechtbank geen reden om de op statistische gegevens gebaseerde sterftekanscorrectie voor de echtgenoot aan te passen.
“Terecht overwoog de rechtbank dat zij rekening zou kunnen houden met een tijdens de procedure aan eiseres opgekomen nalatenschap.”
Inkomsten uit vermogen, dat is verkregen in het kader van de afwikkeling van de onderneming, vermindert behoefte.
Het kind heeft van zijn grootouders in verband met het overlijden EUR 10.260.00 ontvangen. Het rendement daarvan dient als voordeel verrekend te worden. Een rendement van 6% lijkt aan de hoge kant.
De rechtbank acht het niet redelijk om de nalatenschap volledig in mindering te brengen, maar wel om bij de berekening van de behoeftigheid een rente van 6% per jaar over de nalatenschap in aanmerking te nemen.
Indien het inkomen van de moeder is gestegen doordat zij rendement verkrijgt uit de aan haar uitgekeerde levensverzekeringen levert dat een verminderde behoefte aan levensonderhoud aan de zijde van het kind. De stelling van gedaagde dat de sommenverzekering ook strekt ter dekking van de begrafeniskosten onvoldoende onderbouwd en wordt gepasseerd.
Een voordeel kan niet altijd zonder meer in mindering wordt gebracht. Of en zo ja, op welke wijze dat gebeurt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Gekozen kan worden niet het vermogen zelf in aanmerking te nemen, maar wel de daaruit verworven en/of nog te verwerven inkomsten.
Bij de bepaling van de behoefte van de nabestaande telt vermogen mee voor zover daaruit enig rendement, gegenereerd kan worden. De nabestaande behoeft op dat vermogen in beginsel niet in te teren. Vererfd smartengeld behoort tot dat vermogen en het rendement vermindert de behoefte na overlijden. Zonder overlijden verhoogt het rendement uit smartengeld echter de behoefte, waarbij het één tegen het ander wegvalt.
Nu op het tijdstip waarop de kosten van rechtsbijstand werden gemaakt geen zekerheid bestond omtrent de verkrijging van de thans terzake gevorderde schadevergoeding, zijn deze kosten voor de inkomstenbelasting in aftrek toegelaten. De alsnog te betalen schadevergoeding vormt een "negatieve kostenpost" voor de heffing van de inkomstenbelasting, zodat niet bij de vaststelling van de schadevergoeding rekening moet worden gehouden met de belastingaftrek nu dat voordeel immers wordt tenietgedaan door de te ontvangen schadevergoeding.
De psychotherapeut handelde niet onrechtmatig door bepaalde feiten, die hem bekend waren over de tbs-er, niet te melden aan Justitie, aangezien dit onder zijn beroepsgeheim viel.
Vrijwillig op afdeling psychiatrie van ziekenhuis opgenomen patiënte krijgt tijdens bewegingstherapie buiten afdeling toestemming om naar toilet te gaan en pleegt vervolgens zelfmoord door van nabijgelegen woonflat te springen. Voor patiënte gold beleid dat zij niet zonder begeleiding van afdeling af mocht. Ziekenhuis is tekortgeschoten jegens patiënte en is jegens dochter ex art. 6:108 lid 1 BW aansprakelijk voor derven levensonderhoud.
De Hoge Raad acht de standhouder van wirlpools aansprakelijk voor de schade door het overlijden van een bezoeker van de ‘Westfriese Flora’. Het bedrijf heeft nagelaten veiligheidsmaatregelen te nemen ter voorkoming van besmetting. De hiermee geschonden veiligheidsnorm had het bedrijf ook behoren na te leven als het niet specifiek bekend was met het gevaar van groei van de haar niet bekende legionellabacterie.
Dat de cursiste zich vrijwillig heeft blootgesteld aan het risico van een val bevrijdde de sportschool niet van de verplichting veiligheidsmaatregelen te treffen. Hier is sprake van een geval waarin de zogenaamde omkeringsregel van toepassing is: dit bracht mee dat het hof het condicio sine qua non-verband tussen het niet geven van het dringende advies om met het oog op beperking van de gevolgen van een val op het hoofd een valhelm te dragen en het door de cursiste ten gevolge van een val op het hoofd opgelopen (dodelijk) letsel als vaststaand moest aannemen, tenzij de sportschool gesteld en (zonodig) bewezen zou hebben dat de cursiste in weerwil van dit advies geen valhelm zou hebben opgezet. Het niet naleven van een veiligheidsnorm brengt mee dat ook letsel dat buiten de normale lijn van de verwachtingen ligt, aan de overtreder van die norm wordt toegerekend.
Onbegrijpelijk noch rechtens onjuist is 's hofs overweging dat het door de sportschool opgestelde exoneratiebeding onduidelijk is in die zin dat de woorden "Deelname is voor eigen rekening en risico" onvoldoende inscherpen dat die tekst ook ertoe strekt aansprakelijkheid uit te sluiten voor de meer ernstige tot zeer ernstige vormen van schade die zich bij het skeeleren kunnen voordoen: derhalve valt niet in te zien dat het hof die overweging niet mede ten grondslag kon leggen aan zijn oordeel dat het beroep op genoemd beding in de gegeven, door het hof opgesomde, omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Het hof tekent aan dat vast staat dat het gemiddelde winstaandeel van ouders na het overlijden in elk geval niet is verminderd en dat de familie de voornaamste omzet (kweek van tulpen) op peil heeft weten te houden.
Dat het ongeval een dodelijke afloop heeft gehad rechtvaardigt onder de omstandigheden van dit geval niet een andere verdeling van de vergoedingsplicht dan hiervoor is vastgesteld.
Erven bewezen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden betrokken is geweest bij het bewerken van asbesthoudende rioolbuizen.
Door getuigenbewijs is in rechte komen vast te staan dat de overledene in de uitoefening van zijn werkzaamheden bij het bewerken en verwerken van asbesthoudende rioolbuizen betrokken is geweest. Het ter beschikking stellen van mondkapjes ter vermijding van het inademen van stof zonder nadere toelichting kan niet worden aangemerkt als het treffen van afdoende veiligheidsmaatregelen ter voorkoming van de blootstelling aan bij het bewerken en verwerken van asbesthoudend (blauwe dan wel witte asbest) materiaal vrijkomende asbestkristallen, temeer nu toezicht op het gebruik daarvan gesteld noch gebleken is. Niet voldaan is aan de stelplicht dat eterniet wit asbest bevat.
Aan het bewijs van de gestelde schade mogen naar vaste jurisprudentie geen al te strenge eisen worden gesteld; het is immers aan de aansprakelijke veroorzaker van het ongeval te wijten dat de nabestaanden niet in staat zijn zekerheid te verschaffen omtrent hoe het hen in de situatie zonder ongeval zou zijn vergaan.
Van een werkgever die op grond van artikel 7:658 lid 2 BW wordt aangesproken door een werknemer die gemotiveerd stelt dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden en tevens hoe deze schade is ontstaan, mag in het kader van de betwisting van de stellingen van de werknemer worden gevergd dat hij in het algemeen de omstandigheden aangeeft die in zijn domein liggen (HR NJ 2001/596). Indien onvoldoende vaststaat dat de werknemer bij de bewerking van asbesthoudend materiaal betrokken is geweest bij het bewerken van asbesthoudend materiaal dienen de erven in de gelegenheid te worden gesteld daarvan bewijs te leveren.
De partij die zich op een bepaald rechtsgevolg beroept, voldoende feiten moet stellen en bewijzen waaruit dat gevolg kan worden afgeleid (HR NJ 2001/597). Van een werkgever die op grond van artikel 7:658 lid 2 BW wordt aangesproken door een werknemer die gemotiveerd stelt dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden en tevens hoe deze schade is ontstaan, mag in het kader van de betwisting van de stellingen van de werknemer worden gevergd dat hij in het algemeen de omstandigheden aangeeft die in zijn domein liggen (HR NJ 2001/596).
Gezien verschillen in beoordeling is een deskundige nodig voor vaststelling inkomen
Het hof oordeelt dat de omkeringsregel niet van toepassing is, nu geen sprake is van schending van een verkeers- of veiligheidsnorm (vgl. HR 29 november 2002, LJN AE7345 en LJN7351, NJ 2004, 304 en 305).
Dat de cursiste zich vrijwillig heeft blootgesteld aan het risico van een val (op het hoofd), bevrijdde de sportschool niet noodzakelijkerwijs van haar aansprakelijkheid ter zake van het niet treffen van de met het oog op dat risico bij een skeelercursus voor beginners geboden veiligheidsmaatregelen. Hier is sprake van een geval waarin de zogenaamde omkeringsregel van toepassing is: dit bracht mee dat het hof het condicio sine qua non-verband tussen het niet geven van het dringende advies om met het oog op beperking van de gevolgen van een val op het hoofd een valhelm te dragen en het door de cursiste ten gevolge van een val op het hoofd opgelopen (dodelijk) letsel als vaststaand moest aannemen, tenzij de sportschool gesteld en (zonodig) bewezen zou hebben dat de cursiste in weerwil van dit advies geen valhelm zou hebben opgezet. Het niet naleven van een veiligheidsnorm brengt mee dat ook letsel dat buiten de normale lijn van de verwachtingen ligt, aan de overtreder van die norm wordt toegerekend.
Onbegrijpelijk noch rechtens onjuist is 's hofs overweging dat het door de sportschool opgestelde exoneratiebeding onduidelijk is in die zin dat de woorden "Deelname is voor eigen rekening en risico" onvoldoende inscherpen dat die tekst ook ertoe strekt aansprakelijkheid uit te sluiten voor de meer ernstige tot zeer ernstige vormen van schade die zich bij het skeeleren kunnen voordoen: derhalve valt niet in te zien dat het hof die overweging niet mede ten grondslag kon leggen aan zijn oordeel dat het beroep op genoemd beding in de gegeven, door het hof opgesomde, omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Indien een werknemer die ziek is geworden door blootstelling aan asbeststof een derde die niet zijn werkgever is, op grond van art. 6:162 BW aansprakelijk stelt, zijn de normen die de Hoge Raad in het kader van art. 7:658 BW heeft ontwikkeld in zijn arresten van 25 juni 1993, nr. 14958, NJ 1993, 686 en 2 oktober 1998, nr. 16673, NJ 1999, 683 (Cijsouw I en II) niet van toepassing, ook niet van overeenkomstige toepassing. Deze normen berusten immers mede op de zeggenschap die de werkgever heeft over de arbeidsomstandigheden van zijn werknemer. Beslissend zijn de maatschappelijke opvattingen ten tijde van de aan de derde verweten gedragingen of nalatigheden. Vanaf het moment waarop binnen de maatschappelijke kring waartoe de aangesproken derde behoort, bekend moet worden geacht met de gevaren van asbest gevaren voor de gezondheid zijn verbonden, geldt een verhoogde zorgvuldigheidsnorm.
In dit geval volgt uit de twee deskundigenrapporten dat het overlijden van (overledene)ook had kunnen gebeuren zonder dat de arts de fout zou hebben gemaakt. Daarom geen toepassing van de omkeringsregel.
De kans dat de longkanker door asbest is veroorzaakt was 63,5%. Medisch niet vaststelbaar of een bepaald geval van longkanker is veroorzaakt door asbest. De werkgever trof niet alle veiligheidsmaatregelen die waren vereist. Werkgever aansprakelijk, ook al kende deze het gevaar niet.
Mede gelet op de aan de artt. 6:99 en 6:101 BW ten grondslag liggende uitgangspunten moet daarom worden aangenomen dat, indien een werknemer schade heeft geleden die (..) zowel kan zijn veroorzaakt door een toerekenbare tekortkoming van zijn werkgever (..), zonder dat met voldoende zekerheid is vast te stellen in welke mate de schade van de werknemer door deze omstandigheden of één daarvan is ontstaan, de rechter de werkgever tot vergoeding van de gehele schade van de werknemer mag veroordelen, met vermindering van de vergoedingsplicht van de werkgever in evenredigheid met de (..) mate waarin de aan de werknemer toe te rekenen omstandigheden tot diens schade hebben bijgedragen.”
Mede zijn van belang de mate van zekerheid dat het werken met asbest gezondheidsrisico's meebracht en de aard en ernst van die risico's, renvooi.
Binnen de maatschappelijke kring waartoe Eternit behoort, moest in 1971 bekend worden geacht dat aan het werken met asbest gevaren voor de gezondheid zijn verbonden, zodat een verhoogde zorgvuldigheidsnorm had te gelden tegenover diegenen die zich bevinden in de directe nabijheid van een plaats waar met asbest wordt gewerkt. Dat Eternit het publiek niet heeft gewaarschuwd is ernstig verwijtbaar.
Door het doodschieten is het risico van geestelijk letsel in het leven geroepen. Nu dat zich heeft verwezenlijkt ligt moet de dader bewijzen, dat het letsel ook zonder schietincident zou zijn ontstaan.
Door een beroepsfout van zijn artsen verneemt een patiënt pas na vier maanden –in plaats van direct- de uitslag van een onderzoek waaruit blijkt dat hij nog slechts kort te leven heeft. De erfgenamen van de man stellen de artsen aansprakelijk voor de schade die zij lijden doordat de man vier maanden korter in de gelegenheid is geweest om zijn zakelijke belangen in de VOF, waarin hij firmant was, goed af te ronden of over te dragen. De schade is becijferd op de hypothetische verkoopopbrengst van het aandeel van de VOF. De rechtbank oordeelt dat de door de artsen geschonden norm er niet op ziet de patiënt in staat te stellen diens zakelijke belangen naar behoren af te kunnen handelen, maar op de zorg voor de gezondheid van de patiënt, meer in het bijzonder op de mogelijkheid om (nog) adequaat medisch te kunnen ingrijpen. Er is derhalve niet voldaan aan het relativiteitsvereiste; de rechtbank wijst de vordering af.
Op 13-07-2001 vond een duikoefening van de brandweer plaats, waarbij een brandweerman tijdens het duiken overleed. In het zogenaamde Pikmeer II arrest (HR 6-01-1998, NJ 1998, 367) aanvaardde de Hoge Raad de immuniteit van een openbaar lichaam bij uitvoering van een bestuurstaak. Daar is veel kritiek op geweest. De rechtbank achtte immuniteit niet gegeven omdat de opleiding niet de exclusieve bestuurlijke bevoegdheid zou zijn, en het geen bestuursrechtelijke verhouding zou betreffen.
Aangezien sprake is van een tekortkoming rechtstreeks jegens de contractuele partij komt shockschade voor vergoeding in aanmerking bij een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.
Werknemer is in periode 1949/1967 bij werkgever blootgesteld aan asbest en in 2007 overleden. Diagnose en aansprakelijkstelling in 2007 Toetsing aan gezichtspuntencatalogus (HR 28-04-2000 Van Hese/De Schelde NJ 2000, 430). Alles bezien in onderlinge samenhang, komt het hof tot het oordeel dat dit beroep niet slaagt. De situatie is naar het oordeel van het hof - juridisch gezien - niet voldoende schrijnend om het beroep op verjaring als onaanvaardbaar aan te merken. Het hof weegt eveneens mee dat werknemer op 87-jarige leeftijd is overleden.
Toepassing van de 30-jarige termijn van art. 3:310 lid 2 Verjaring in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Circulaire van het Verbond van Verzekeraars van 5 september 2008 (productie 39, CvR).
De gezichtspunten werken, bezien in hun onderlinge samenhang, niet in het voordeel van eiser.
Wilton Fijenoord behoefde in de periode 1957-1960 niet met deze aanspraken rekening te houden (c). Wilton Fijenoord kan zich in redelijkheid nauwelijks verweren op het punt van de aansprakelijkheid en de verwijtbaarheid (e) en de vordering van SVB is niet voortvarend ingesteld (g). Vordering afgewezen.
Het beroep op verjaring is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.
Gezichtspunt c. (de mate waarin de gebeurtenis de aangesprokene kan worden verweten) is doorslaggevend. Er is sprake van een thuisbesmetting. Uit mogelijke schending van de zorgplicht jegens de vader kan niet zonder meer worden afgeleid dat ook tegenover diens zoon een norm is overschreden. Immers, kennis omtrent de gevaren van het werk met asbest voor de werknemers impliceert niet dat ook bekend was dat reeds het meenemen van een enkel kristal in het haar of de kleding tot mesothelioom bij de gezinsleden van die werknemers kon leiden.
Toetsing aan de criteria van Hoge Raad d.d. 28 april 2000 (LJN AA5635) en 26 november 2004 (LJN AR3138) of beroep op de 30-jarige verjaringstermijn in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Beroep op verjaringstermijn is niet onaanvaardbaar. 1. een schadevergoeding komt niet ten goede aan werknemer, maar aan zijn weduwe en kinderen; 2. weduwe heeft een uitkering ingevolge de Regeling TAS ontvangen; 3. het instellen van een vordering is niet erg voortvarend aangepakt. 4. er is geen sprake van opzet of grove schuld aan de zijde van werkgever.
De omstandigheid ten nadele van werkgever, namelijk dat de aansprakelijkheid door verzekering is gedekt, is niet van zodanig zwaarwegende aard dat de weegschaal kan omslaan ten voordele van de nabestaanden.
Verspaning (i.e. zagen, slijpen etc.) van de asbestcementplaten was in 1979 een redelijkerwijs te verwachten gebruik. Vrijkomend asbeststof een gegeven zekerheid, zomede dat dit asbeststof als veroorzaker van mesothelioom ook in 1979 al als gevaarlijk was te beschouwen. Daarom is de dertigjarige verjaring van artikel 3:310 lid 2 BW van toepassing niet de 20 jarige van lid 1. De vijfjaarstermijn is pas gaan lopen op het moment dat de onderscheidenlijke nabestaanden kennis hadden van de aansprakelijke persoon.
Onder verwijzing naar de criteria van HR 28 april 2000, NJ 2000, 430 komt de rechtbank tot het oordeel dat onvoldoende duidelijk is of een beroep op de verjaringstermijn van dertig jaar onaanvaardbaar zal zijn. Aan de vordering tot betaling van een voorschot op de immateriële schadevergoeding is door het overlijden van eiser het spoedeisend belang in kort geding komen te ontvallen.
De vraag of het onaanvaardbaar is dat de verzekeraar een beroep doet op absolute verjaring moet worden getoetst aan de 7 gezichtspunten in HR NJ 2000, 430 van Hese/ de Schelde heeft ontwikkeld. Die gezichtspunten zijn bedoeld voor de situatie dat de aansprakelijke partij zelf wordt aangesproken en niet, via de directe actie van art. 7:954 BW, diens verzekeraar. Niet uit te sluiten valt, dat daarom tevens andere aspecten een rol moeten spelen. Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich over de verschillen uit te laten.
Verjaring kan in enkele gevallen opgeschort worden zoals volgens art 3:321 lid 1 e BW tussen een beneficiair aanvaarde nalatenschap en een erfgenaam. Dat ziet echter alleen toe op vorderingen ten behoeve van de nalatenschap en niet tegen de nalatenschap.
De kantonrechter acht het beroep van de werkgever op de verjaringstermijn van dertig jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. De kantonrechter overweegt hierbij dat hoezeer de weduwe ook door de diagnose en het overlijden van haar echtgenoot zal zijn aangedaan, dat haar stilzitten van circa 20 maanden nadien niet rechtvaardigt.
De erfgename van een werknemer bij wie in 1995 mesothelioom is vastgesteld, vorderen schadevergoeding van de werkgever, bij wie de werknemer van 1949 tot 1955 heeft gewerkt. Partijen zijn het erover eens dat de vordering is verjaard. In HR 28-04-2000, NJ 2000, 430 (Van Hese/De Schelde) heeft de Hoge Raad bepaald dat een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn. Het hof toetst aan de hand van de 7 in het arrest van de Hoge Raad genoemde gezichtspunten.
3.5 en 6 Niet gezegd kan worden dat de vordering binnen redelijke termijn na het aan het licht komen van de schade is ingesteld (gezichtspunt g). Dat het dienstig voorkwam eerst de uitkomst van de zaak Rouwhof/Eternit af te wachten levert op zichzelf nog geen reden op daarmee rekening te houden. Het proceskostenrisico en psychische problematiek als gevolg van de ziekte en vervolgens het overlijden van haar man alsmede de afwijzende opstelling van Ajax - is van onvoldoende gewicht om wijziging daarin te brengen.
Het hof heeft als leidraad genomen het arrest van de Hoge Raad van 28 april 2000, nr. C98/363, NJ 2000, 430. In dat arrest heeft de Hoge Raad onder meer overwogen dat de termijn van dertig jaren van art. 3:310 lid 2 een objectief en in beginsel absoluut karakter heeft, dat wil zeggen dat, hoezeer dit ook moeilijk is te aanvaarden uit een oogpunt van individuele gerechtigheid ten opzichte van degene die schade heeft geleden, het beginsel van rechtszekerheid dat deze absolute termijn beoogt te dienen en de billijkheid jegens de wederpartij - waarbij in het bijzonder valt te denken aan de moeilijkheden die bij het loslaten van deze termijn voor deze kunnen ontstaan met betrekking tot het vaststellen van de feiten en het beoordelen van de gemaakte verwijten - meebrengen dat hieraan strikt de hand moet worden gehouden. Dit wil evenwel niet zeggen dat deze termijn nooit op grond van art. 6:2 lid 2 buiten toepassing zou kunnen blijven.
Bij een werknemer wordt in 1998 mesothelioom geconstateerd. Hij stelt in 2000 zijn werkgever, bij wie hij van 1958 tot 1960 heeft gewerkt, aansprakelijk op grond van art 7:658 BW. Het hof oordeelt, evenals de rechtbank, dat de vordering is verjaard. De dertigjarige verjaringstermijn was verstreken; nu de werknemer zijn voormalige werkgever pas negentien maanden na het bekend worden van de ziekte aansprakelijk heeft gesteld, kan niet gezegd worden dat een beroep op de verjaringstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Een voormalig werknemer van de gemeente Helmond die tot 1963 als fitter in dienst was en bij wie in 1998 de diagnose mesothelioom wordt gesteld, stelt gemeente in -02-2000 aansprakelijk. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer, na het aan het licht komen van de schade, niet binnen redelijke termijn voor aansprakelijkstelling heeft zorggedragen. De kantonrechter is in navolging van de advocaat-generaal en de annotator van HR 28-04-2000 (NJ 2000. 431, Eternit) van oordeel dat een termijn van één jaar als de maximale termijn dient te gelden tussen het aan het licht komen van de schade en de aansprakelijkstelling en dat binnen zes maanden daarna een rechtsvordering tot schadevergoeding dient te zijn ingesteld. In deze zaak is in beide gevallen (aansprakelijkstelling en dagvaarding) niet een redelijke termijn in acht genomen. Eisers zijn derhalve niet-ontvankelijk. Het in een eerder stadium in kort geding toegewezen voorschot van f 80.000,- dient te worden terugbetaald.
Het Hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank, waarin de vordering van de nabestaanden van een asbestslachtoffer werd afgewezen op grond van (absolute) verjaring. De rechtbank had hierbij getoetst aan de door de Hoge Raad geformuleerde criteria aan de hand waarvan beoordeeld moet worden of een beroep op de 30-jarige verjaringstermijn onaanvaardbaar is. De rechtbank achtte met name van belang dat benadeelde kort na het instellen van de vordering is overleden, zodat de vergoeding niet aan hem zelf ten goede zou komen. Ook was de dagvaarding niet binnen een redelijke termijn – ruim vier jaar na het instellen van de vordering- uitgebracht.
Een werkgever wordt aansprakelijk gesteld door de gevolgen van blootstelling aan asbest in de periode van 1955 tot 1967. Toetsing aan criteria van HR 28 april 2000, NJ 2000,430 (Erven Van Hese/De Schelde). Meer tegen dan voor doorbreking van de absolute verjaringstermijn.
Een werknemer overlijdt als gevolg van mesothelioom. De erven stellen de werkgever aansprakelijk. Het Hof oordeelt dat het beroep van de werkgever op de 30-jarige verjaringstermijn in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.
De Centrale Raad van Beroep heeft bepaald, dat slechts in individuele omstandigheden van zeer uitzonderlijk karakter kan worden afgeweken van het standaardbedrag van f 90.000,-, dat in het Convenant Instituut Asbestslachtoffers is vastgelegd.
Dat de cursiste zich vrijwillig heeft blootgesteld aan het risico van een val bevrijdde de sportschool niet van de verplichting veiligheidsmaatregelen te treffen. Hier is sprake van een geval waarin de zogenaamde omkeringsregel van toepassing is: dit bracht mee dat het hof het condicio sine qua non-verband tussen het niet geven van het dringende advies om met het oog op beperking van de gevolgen van een val op het hoofd een valhelm te dragen en het door de cursiste ten gevolge van een val op het hoofd opgelopen (dodelijk) letsel als vaststaand moest aannemen, tenzij de sportschool gesteld en (zonodig) bewezen zou hebben dat de cursiste in weerwil van dit advies geen valhelm zou hebben opgezet. Het niet naleven van een veiligheidsnorm brengt mee dat ook letsel dat buiten de normale lijn van de verwachtingen ligt, aan de overtreder van die norm wordt toegerekend.
Onbegrijpelijk noch rechtens onjuist is 's hofs overweging dat het door de sportschool opgestelde exoneratiebeding onduidelijk is in die zin dat de woorden "Deelname is voor eigen rekening en risico" onvoldoende inscherpen dat die tekst ook ertoe strekt aansprakelijkheid uit te sluiten voor de meer ernstige tot zeer ernstige vormen van schade die zich bij het skeeleren kunnen voordoen: derhalve valt niet in te zien dat het hof die overweging niet mede ten grondslag kon leggen aan zijn oordeel dat het beroep op genoemd beding in de gegeven, door het hof opgesomde, omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Met art. 6:108, lid 3 BW wordt bepaald, dat de vergoedingsplichtige de verweermiddelen die hij aan overledene had kunnen tegenwerpen, ook aan de nabestaanden kan tegenwerpen, in tegenstelling tot dit arrest. Exoneratie bindt de vorderingsgerechtigden ex art. 1406 BW niet.
Gezien de geringe duur en mate waarin [A] voor haar met asbest werkte, konden van Demonte in de jaren 1962-1963 met het oog op het bekende gevaar van asbestose geen maatregelen worden gevergd. De door het gevaar van asbestose in het leven geroepen verhoogde zorgvuldigheidsnorm verplichtte Demonte dan ook toen (nog) niet om in te grijpen.
Aangenomen wordt dat de leiding van een relatief klein bedrijf, waarin asbestplaten slechts voor dakbedekking werd gebruikt, pas na de publicatie van bedrijfsarts Stumphius in 1969 op de hoogte kon zijn van de gevaren. van de werkgever naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar geacht.
Terecht wijzen de erven Y (punt 22 CvR) op de memorie van toelichting bij het ontwerp uit 1949 van de Silicosewet waaruit al blijkt van het gevaar van verspreiding van asbesthoudende stof bij het vervaardigen en het verzagen van asbestcementplaten en daarnaast in voornoemde procedures is vastgesteld dat Eternit B.V., het moederbedrijf van Nefalit B.V., een internationaal opererend bedrijf was en dat in 1970-1971 in elk geval onder deskundigen bekend was dat vrijkomend asbeststof mesothelioom kon veroorzaken. Blootstelling aan asbest wordt als veruit de belangrijkste oorzaak van de ziekte mesothelioom beschouwd (met verwijzing).
Verspaning (i.e. zagen, slijpen etc.) van de asbestcementplaten was in 1979 een redelijkerwijs te verwachten gebruik. Vrijkomend asbeststof een gegeven zekerheid, zomede dat dit asbeststof als veroorzaker van mesothelioom ook in 1979 al als gevaarlijk was te beschouwen. Daarom is de dertigjarige verjaring van artikel 3:310 lid 2 BW van toepassing niet de 20 jarige van lid 1. De vijfjaarstermijn is pas gaan lopen op het moment dat de onderscheidenlijke nabestaanden kennis hadden van de aansprakelijke persoon.
Stofmondkapjes golden naar de wetenschap die de werkgever in 1973-1974 behoorde te hebben, niet als een adequate maatregel. Aansprakelijk op basis van art. 6:99 BW.
In de periode van 1967-1970 was in wetenschappelijke en maatschappelijke kringen - waartoe ook Eternit behoort – het besef doorgedrongen dat asbestblootstelling de ziekte mesothelioom kon veroorzaken, ook bij thuisbesmetting. De kans dat mesothelioom bij de vrouw is veroorzaakt door de blootstelling aan het asbestcementafval is zodanig groot is dat daarmee het causaal verband voorshands, behoudens tegenbewijs, voldoende vaststaat.
De nabestaanden van een aan mesothelioom overleden zelfstandig aannemer eisen in kort geding een voorschot van asbestproducent Eternit. Uit verklaringen blijkt dat het slachtoffer tussen 1962 en 1980 is blootgesteld aan asbeststof, afkomstig van Eternit. Vanaf 1979 heeft Eternit waarschuwingsetiketten op asbestproducten aangebracht. De voorzieningenrechter oordeelt dat Eternit in elk geval vanaf 1969 bekend moet zijn geweest met de gezondheidsrisico's van asbest. De voorzieningenrechter komt tot het voorlopig oordeel dat Eternit in de periode van 1969 tot 1979 ten onrechte niet heeft gewaarschuwd voor de aan het werken met asbest verbonden gezondheidsrisico's. Voorshands wordt bij toekenning van het voorschot uitgegaan van 50% eigen schuld, vanwege de eigen verantwoordelijkheid die het slachtoffer had om zich op de hoogte te stellen van op zijn vakgebied belangrijke ontwikkelingen.
Mede gelet op de aan de artt. 6:99 en 6:101 BW ten grondslag liggende uitgangspunten moet daarom worden aangenomen dat, indien een werknemer schade heeft geleden die (..) zowel kan zijn veroorzaakt door een toerekenbare tekortkoming van zijn werkgever (..), zonder dat met voldoende zekerheid is vast te stellen in welke mate de schade van de werknemer door deze omstandigheden of één daarvan is ontstaan, de rechter de werkgever tot vergoeding van de gehele schade van de werknemer mag veroordelen, met vermindering van de vergoedingsplicht van de werkgever in evenredigheid met de (..) mate waarin de aan de werknemer toe te rekenen omstandigheden tot diens schade hebben bijgedragen.”
Eternit heeft niet onrechtmatig gehandeld door tot 1974 niet te waarschuwen voor de risico’s van het gebruik als wegverharding van asbestafval dat gratis aan particulieren ter beschikking werd gesteld. Na 1984 had Eternit geen waarschuwingsplicht omdat de overheid toen al op de gevaren werd gewezen.
werknemer is bij dienstverband van 1965 tot 1967 als monteur bij een verwarmingsinstalatiebedrijf blootgesteld geweest aan asbest. In 1998 is hij overleden als gevolg van mesothelioom. De rechtbank oordeelde dat ook niet asbestverwerkende bedrijven bekend waren met gevaren van asbest en dat op de werkgever de verplichting rustte al die bijzondere veiligheidsmaatregelen te nemen welke waren vereist om haar werknemers tegen dat gevaar te beschermen. De Hoge Raad oordeelt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad overweegt “dat het afhankelijk (is) van de omstandigheden van het geval en van de toentertijd bestaande kennis en inzichten, welke veiligheidsmaatregelen van die werkgever konden worden verwacht. In dat verband zijn mede van belang de mate van zekerheid dat het werken met asbest gezondheidsrisico's meebracht en de aard en ernst van die risico's (vgl. HR 17-12-2004, nr. C 03/211, RvdW 2005, 4)”.
De weduwe van een inmiddels overleden werknemer stelt de wekgever in 2005 aansprakelijk, omdat haar man tijdens zijn dienstverband als tandarts in 1964-1966 zou zijn blootgesteld aan asbest. De absolute verjaringstermijn ex artikel 3:310 lid 2 BW is in 1996 geëindigd. In 2001 is bij ex-werknemer mesothelioom vastgesteld. De kantonrechter acht het beroep van de werkgever op de verjaringstermijn van dertig jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. De kantonrechter overweegt hierbij dat hoezeer de weduwe ook door de diagnose en het overlijden van haar echtgenoot zal zijn aangedaan, dat haar stilzitten van circa 20 maanden nadien niet rechtvaardigt.
De werkgever is aansprakelijk voor het ontstaan van de longngkanker, die een werknemer, die is blootgesteld aan asbest heeft geleden. Door een deskundige was geconcludeerd dat de kans dat de longkanker door asbest is veroorzaakt 63,5% was. Medisch kan niet worden vastgesteld of een bepaald geval van longkanker is veroorzaakt door asbest. De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat de werkgever niet alle veiligheidsmaatregelen die waren vereist met het oog op de aan asbest verbonden gevaren. Nu zij is tekortgeschoten in haar verplichting, en dit verzuim de kans op de schade aanmerkelijk heeft verhoogd, is de werkgever voor die schade aansprakelijk is, ook al heeft die nalatigheid geleid tot de verwezenlijking van een haar toen niet bekend gevaar, te weten dat van een rechtstreeks door asbestblootstelling zich ontwikkelende longkanker, zonder voorafgaande asbestose.
In opdracht van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu is in de- periode november 2004 tot augustus 2005 een onderzoek verricht naar de relatie van milieublootstelling aan asbest en de sterfte aan mesothelioom onder vrouwen in de regio Goor. Daaruit bleek dat longvlieskanker in de periode 1989-2002 bij vrouwen in de regio rond Goor vijf keer zo veel voorkwam als in Nederland in het algemeen. Bij mannen was dit 2 x zo veel.
De Hoge Raad oordeelt dat Eternit, leverancier van asbestcementplaten, aansprakelijk voor de schade een vrouw. De vrouw was met asbest in aanraking 1971 op het erf van haar ouderlijk huis, toen zij de kleding van haar broers uitklopte. De Hoge Raad oordeelt dat Eternit onrechtmatig heeft gehandeld. Binnen de maatschappelijke kring waartoe Eternit behoort, moest in 1971 bekend worden geacht dat aan het werken met asbest gevaren voor de gezondheid zijn verbonden, zodat een verhoogde zorgvuldigheidsnorm had te gelden tegenover diegenen die zich bevinden in de directe nabijheid van een plaats waar met asbest wordt gewerkt. Dat Eternit het publiek niet heeft gewaarschuwd is ernstig verwijtbaar. De Hoge Raad verwijst de zaak naar een ander hof om te beoordelen of het beroep van Eternit op de objectieve verjaringstermijn van 30 jaar in strijd is met de redelijkheid en de billijkheid. Volgens de Hoge Raad heeft het hof nog niet alle van belang zijnde omstandigheden meegewogen: de vraag of Eternit (nog) is verzekerd.
Een medewerker van het ministerie van defensie is in zijn functie van scheepsmaker langdurig aan asbest blootgesteld geweest. De rechtbank oordeelt dat het ontstaan van de longcarcinoom voor 50% aan roken is toe te rekenen en voor 50% aan asbestblootstelling. De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank dat het ministerie onrechtmatig heeft gehandeld door het langdurig blootstellen aan asbest van betrokkene. Het rookgedrag van de medewerker kan niet gezien worden als opzet of bewuste roekeloosheid.
De partij die zich op een bepaald rechtsgevolg beroept, voldoende feiten moet stellen en bewijzen waaruit dat gevolg kan worden afgeleid (HR NJ 2001/597). Van een werkgever die op grond van artikel 7:658 lid 2 BW wordt aangesproken door een werknemer die gemotiveerd stelt dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden en tevens hoe deze schade is ontstaan, mag in het kader van de betwisting van de stellingen van de werknemer worden gevergd dat hij in het algemeen de omstandigheden aangeeft die in zijn domein liggen (HR NJ 2001/596).
Uit de overgelegde literatuur en in het verlengde hiervan jurisprudentie (HR NJ 2002/336 en 2004/292) blijkt dat de meest gebruikte asbestsoorten (chrysotiel, amosiet en crocidoliet) in gebonden vorm als asbestcementmaterialen geen probleem vormen maar gevaar opleveren door losse, zwevende deeltjes en het voor het ontstaan van mesothelioom niet nodig is dat men aldus langdurig aan asbeststof wordt blootgesteld maar dit reeds bij betrekkelijk kort-stondige blootstelling, door het inademen van één asbestkristal, kan ontstaan. De incubatie-tijd bedraagt, naar doorgaans wordt aangenomen, 20 tot 40 jaar (HR NJ 1993/686 ro. 3.1).
Indien een werknemer die ziek is geworden door blootstelling aan asbeststof een derde die niet zijn werkgever is, op grond van art. 6:162 BW aansprakelijk stelt, zijn de normen die de Hoge Raad in het kader van art. 7:658 BW heeft ontwikkeld in zijn arresten van 25 juni 1993, nr. 14958, NJ 1993, 686 en 2 oktober 1998, nr. 16673, NJ 1999, 683 (Cijsouw I en II) niet van toepassing, ook niet van overeenkomstige toepassing. Deze normen berusten immers mede op de zeggenschap die de werkgever heeft over de arbeidsomstandigheden van zijn werknemer. Beslissend zijn de maatschappelijke opvattingen ten tijde van de aan de derde verweten gedragingen of nalatigheden. Vanaf het moment waarop binnen de maatschappelijke kring waartoe de aangesproken derde behoort, bekend moet worden geacht met de gevaren van asbest gevaren voor de gezondheid zijn verbonden, geldt een verhoogde zorgvuldigheidsnorm.
Op grond van art. 4:2 AWB dient de werknemer te bewijzen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Daarnaast is het bestuursorgaan ingevolge art. 3:2 AWB verplicht de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten. De nabestaanden hebben mogelijke asbestexposities gesteld. Niet is komen vast te staan dat de overledene gedurende zijn werkzaamheden daadwerkelijk is blootgesteld aan asbest. Een verjaringstermijn geldt van vijf jaren vanaf het moment waarop degene die schade lijdt met betrekking tot die schade in actie had kunnen komen (CRvB 20-01-2000, TAR 2000, 40; CRvB 19-10-1995, TAR 1995, 263). Stuiting kan niet alleen geschieden door een aanvraag in te dienen (art. 3:326 BW).
De werkgever is niet aansprakelijk, omdat het werken met wit asbest tot het begin van de jaren ’80 niet zo riskant werd geacht, dat specifieke maatregelen noodzakelijk waren. Geen verwijt dat de werkgever niet op de hoogte was van de risico’s van wit asbest.
Bij een werknemer wordt in 1998 mesothelioom geconstateerd. Hij stelt in 2000 zijn werkgever, bij wie hij van 1958 tot 1960 heeft gewerkt, aansprakelijk op grond van art 7:658 BW. Het hof oordeelt, evenals de rechtbank, dat de vordering is verjaard. De dertigjarige verjaringstermijn was verstreken; nu de werknemer zijn voormalige werkgever pas negentien maanden na het bekend worden van de ziekte aansprakelijk heeft gesteld, kan niet gezegd worden dat een beroep op de verjaringstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Een werkgever (Lamonro) stelt de vroegere werkgever (Dura) van zijn aan mesothelioom lijdende werknemer aansprakelijk en vordert op basis van art 6:107a BW het doorbetaalde loon. Dura stelt stelt dat Lamonro, nu de vordering is ingesteld op grond van art 6:107a niet dezelfde bijzondere stel- en bewijspositie heeft als de benadeelde zelf zou hebben op grond van art 7:658 BW. De rechtbank oordeelt echter dat er geen goede reden bestaat om acties uit art. 6:107a BW anders te beoordelen dan die uit hoofde van art 7:658 BW. De rechtbank overweegt hierbij onder meer dat de aansprakelijkheid van art 7:658 BW niet een van de risico-aansprakelijkheden is die de wetgever heeft uitgesloten voor regresnemers.
Met name is van belang dat benadeelde kort na het instellen van de vordering is overleden, zodat de vergoeding niet aan hem zelf ten goede zou komen. Ook was de dagvaarding niet binnen een redelijke termijn – ruim vier jaar na het instellen van de vordering- uitgebracht.
Aansprakelijkheid voor schade door derving levensonderhoud. Redelijke wetsuitleg. Onder de "gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust" wordt verstaan het moment waarop mesothelioom wordt vastgesteld.
Rechtbank 29-10-2003 AM7964 Eternit wist niet van gevaar asbest bij wegversteviging .
In de gemeente Hof van Twente, regio Goor, overlijden in korte tijd drie vrouwen aan mesothelioom. De erfgenaam van een van de vrouwen stelt Eternit aansprakelijk, omdat de vrouw als kind op met asbest verharde paden speelde. De rechtbank overweegt dat dat er sterkte indicaties zijn dat er in de gemeente een beduidend hogere sterfte door mesothelioom bestaat. Om te komen tot een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zou nader onderzoek nodig zijn. De rechtbank gaat hier niet toe over, omdat de rechtbank van oordeel is, dat bij Eternit in de periode 1945-1972 niet bekend was of had moeten zijn dat er eventueel gevaren verbonden waren aan het ter beschikking stellen van asbestcementafval voor versteviging van wegen. De vordering wordt afgewezen.
Een nabestaande van een asbestslachtoffer vordert schadevergoeding wegens gederfd levensonderhoud. De rechtbank oordeelt dat, indien de aanspraak op schadevergoeding is gebaseerd op art 108 lid 1 sub c (schadevergoeding voor degenen die voor de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust met de overledene in gezinsverband samenwoonden) een redelijke wetsuitleg meebrengt, dat in een asbestzaak onder de “gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust’ wordt verstaan: het moment waarop werd vastgesteld dat het slachtoffer aan mesothelioom leed.
Een man heeft van 1965 tot 1979 in een garage gewerkt, waar wit asbest werd gebruikt. In 1999 overlijdt hij aan mesothelioom. Werken met wit asbest werd tot het begin van de jaren ’80 niet zo riskant geacht, dat het treffen van maatregelen nodig was.
Ook jegens de familieleden is onrechtmatig gehandeld.
Een onderzoek naar een beroepsfout van een arts is van voldoende belang om de nabestaanden inzage te verlenen in het medisch dossier van de overledene. Afgewogen moet worden of de patiënte, ware zij nog in leven, daarvoor toestemming zou hebben gegeven.
Onder verwijzing naar de criteria van HR 28 april 2000, NJ 2000, 430 komt de rechtbank tot het oordeel dat onvoldoende duidelijk is of een beroep op de verjaringstermijn van dertig jaar onaanvaardbaar zal zijn. Aan de vordering tot betaling van een voorschot op de immateriële schadevergoeding is door het overlijden van eiser het spoedeisend belang in kort geding komen te ontvallen.
Dat de aansprakelijke niet de financiële middelen heeft om een bedrag te voldoen, maakt niet dat de vordering niet toewijsbaar is.
De strafrechtelijke vervolging, detentie en zeer geringe draagkracht leggen onvoldoende gewicht in de schaal tegenover de ernst van zijn gedraging en de gevolgen. Daarom wordt het beroep op matiging afgewezen.
De rechtbank is in beginsel voornemens de schadevergoeding (indien hoger) te matigen tot ten hoogste het vermogen van [gedaagde], bestaande uit de spaartegoeden en de overwaarde van zijn woning.
bank boekt gedurende langere periode op grond van valse facturen die door haar eigen werknemer waren opgemaakt, diverse bedragen over naar bankrekeningen van derde. Bank spreekt die derde aan op grond van onverschuldigde betaling. Derde doet een beroep op matiging ex art. 6:109 BW. Rechterlijke bevoegdheid tot matiging heeft in beginsel uitsluitend betrekking op vordering tot schadevergoeding, niet op vordering uit onverschuldigde betaling.
Er is alleen dan plaats voor matiging van schadevergoeding indien in
gegeven omstandigheden - waaronder aard aansprakelijkheid, tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht - tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Rechter dient met terughoudendheid gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot matiging.
Vordering smartengeld door erfgenamen van aan mesothelioom overleden werknemer toegewezen. Geen reden voor matiging bedrag van NLG 100.000,00.
Bij de beantwoording van de vraag in hoever de nabestaanden ten gevolge van de dood van degeen, die hun levensonderhoud verschafte, behoefte hebben aan een schadevergoeding als bedoeld in artikel 1406, speelt de financiële positie van de tot schadevergoeding verplichte geen rol.
Als blijkt dat de nabestaanden hebben ingestemd met het maken van een Audaletberekening als uitgangspunt voor de berekening van de hoogte van de overlijdensschade en de Audaletberekening fout is kan de vaststellingsovereenkomst op dwaling opengebroken worden.
In de berekening is de fout gemaakt het inkomen van de partner niet mede aan het gezin toe te rekenen, waar hij ook zonder ongeval bijdroeg in het onderhoud.
Door opname van een bedrag wegens zelfwerkzaamheid heeft de deskundige zich buiten de opdracht van de rechtbank begeven.
Met art. 6:108, lid 3 BW wordt bepaald, dat de vergoedingsplichtige de verweermiddelen die hij aan overledene had kunnen tegenwerpen, ook aan de nabestaanden kan tegenwerpen, in tegenstelling tot dit arrest. exoneratie bindt de vorderingsgerechtigden ex art. 1406 BW niet.
Strafrechtelijke veroordeling levert dwingend bewijs op. Het verweer houdt niet meer in dan een blote betwisting. Aldus heeft hij de feiten waartegen hij tegenbewijs wil leveren onvoldoende gemotiveerd betwist.
Hof Den Bosch veroordeelt een man wegens poging tot doodslag op zijn vrouw tot 1 jaar gevangenisstraf. De man, die wist dat hij met het HIV-virus besmet was, heeft ondanks deze kennis sexuele contacten gehad met haar.
Personenschade