Algemene burgerlijke pensioenwet (ABPw)
Algemene militaire pensioenwet (AMPw)
Uitkeringswet gewezen militairen (UKW)
Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (APPA)
Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (BPW)
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv)
Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (WUBO)
Zie ook Ambtenaren
Algemene burgerlijke pensioenwet (ABPw)
WPA en besluit
Op grond van artikel 61 van de Wpa levert een na 1 januari 1996 ingediend verzoek
om herziening van een onder de werking van de ABPw genomen besluit, geen besluit
op ten aanzien waarvan hoofdstuk S van overeenkomstige toepassing is (CRvB 10
december 1998, AA8694 TAR 1999, 27),
Pensioen en overgangsrecht bij AAW
In zijn uitspraak van 25 juni 1998, AA8750 (RSV 1998/259), heeft de Raad beslist
dat op grond van het overgangsrecht van de Wet Tba, artikel F 9, tweede lid
(oud), van de ABPw van toepassing blijft in gevallen, waarin de betrokkene,
jonger dan vijftig jaar, op 31 juli 1993 recht heeft op een uitkering ingevolge
onder meer de AAW. Een andere uitleg van het overgangsrecht zou tot gevolg hebben
dat de vraag welk recht van toepassing is niet afhankelijk is van het tijdstip
van intreden van de arbeidsongeschiktheid, doch van andere, betrekkelijk willekeurige
omstandigheden.
Inbouwbepalingen
De inbouwbepalingen waren aan de orde in CRvB 26 november 1998, AA8765 (TAR
1999/23, RSV 1999/92). In dat geding werd een beroep gedaan op artikel 26 van
het IVBPR en artikel 14 van het EVRM. Voor zover de inbouwbepalingen van de
ABPw met genoemde verdragsbepalingen in strijd komen, is overwogen dat wegens
aan het arrest Barber - Hof van Justitie van de EG, 17 mei 1990, C-262/88, NJ
1992/436 - ontleende dwingende overwegingen van rechtszekerheid een zelfde beperking
in de tijd moet worden aangebracht als geldt voor de toepassing van artikel
119 (oud) van het EG-verdrag.
Vereffening pensioennrechten bij scheiding
In een aantal zaken, waaronder bijvoorbeeld CRvB 12 mei 1999, AA8710 ,had de
Raad te oordelen over de toepassing van de Wet verevening pensioenrechten bij
scheiding (Vps) met betrekking tot een ouderdomspensioen ingevolge de ABPw.
Vooral vrouwen die vóór 27 november 1981 (de datum waarop de HR
het arrest Boon/Van Loon heeft gewezen) zijn gescheiden, voelen zich door met
name artikel 12, tweede lid, van de Wet Vps benadeeld. De Raad heeft zich in
de eerste plaats verenigd met het oordeel van de rechtbank dat de bestuursrechter
bevoegd is van een dergelijk geschil kennis te nemen. Voorts is beslist dat
artikel 12, tweede lid, van de Wet Vps niet een ongeoorloofd onderscheid naar
geslacht inhoudt, noch anderszins strijdig is met voorschriften van internationaal
en supranationaal recht. Ten aanzien van het ingestelde beroep van de Stichting
Recht op Recht vóór '81 volgde de Raad het oordeel van de rechtbank
dat deze stichting, wegens het ontbreken van een rechtstreeks betrokken belang,
niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kon worden aangemerkt.
In onder meer CRvB 12 mei 1999, AA8784 ,is uitgesproken dat bij de toepassing
van artikel 12, tweede lid, van de Wet Vps op het uitvoeringsorgaan een beperkte
onderzoeksplicht rust, die erop neerkomt dat aan de hand van bijvoorbeeld het
echtscheidingsconvenant wordt nagegaan of bij de echtscheiding rekening is gehouden
met het niet of onvoldoende opbouwen van pensioenrechten door de vereveningsgerechtigde.
Onderscheid voor pensioen tussen gehuwde en ongehuwde
Ook ten aanzien van de in artikel F 7a van de ABPw neergelegde, gedifferentieerde,
regeling van het franchisebedrag is een beroep gedaan op supranationaal recht.
In CRvB 29 april 1999, AA8808, meende de betrokkene dat hij als ongehuwde ongelijk
werd behandeld ten opzichte van een gehuwde. De Raad heeft overwogen dat naar
vaste jurisprudentie een dergelijk ongelijk rechtsregime niet als een door artikel
26 van het IVBPR verboden onderscheid kan worden aangemerkt.
Algemene militaire pensioenwet (AMPw)
Dienstongeval bij gaan naar cursus
Met betrekking tot het begrip dienstongeval heeft de Raad in de uitspraak van
5 november 1998, AA8755 (TAR 1999/5), het dodelijke ongeval van een beroepsmilitair
op weg naar een verplichte cursus aangemerkt als een dienstongeval, in het bijzonder
nu de cursus werd gegeven op een andere locatie dan waar de militair zijn werkzaamheden
gewoonlijk verrichtte en de reis van de woonplaats naar de cursusplaats niet
het karakter had van woon-werkverkeer.
Beperkte verplichtingen bij heroverweging
In CRvB 10 december 1998, AA8791 (TAR 1999/24), heeft de Raad beslist dat, indien
bij een herhaalde pensioenaanvrage geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn
gesteld, het bestuursorgaan niet verplicht is om toepassing te geven aan artikel
S 2 van de AMPw, dat voorschrijft dat omtrent de toekenning van een pensioen
uit hoofde van ziekte of gebrek wordt beslist met inachtneming van een in te
stellen geneeskundig onderzoek.
Waardering invaliditteit naar War Pensions Committee-schaal
In de uitspraak van 10 december 1998, AA8785 (MRT 1999, 363), heeft de Raad
vastgehouden aan zijn jurisprudentie dat bij de waardering van de invaliditeit
in de zin van de militaire pensioenwetten onverkort de War Pensions Committee-schaal
(WPC-schaal) als richtlijn geldt. Onder meer heeft bij dat oordeel gewogen dat
inmiddels in (artikel 13 van) het Besluit procedure geneeskundig onderzoek blijvende
dienstongeschiktheid en pensioenkeuring militairen (Stb. 1997, 67) is neergelegd
dat bij de vaststelling van de mate van invaliditeit met dienstverband wordt
uitgegaan van de WPC-schaal.
Toekenning voor voormalige echtgenoot en echtgenoot
CRvB 8 april 1999, AA8754 ,betrof een (toen nog door het ABP-fonds toegekend)
nabestaandenpensioen ingevolge de AMPw. Dit pensioen viel in verband met een
eerder huwelijk van de overleden militair en de omstandigheid dat de pensioengeldige
tijd geheel gelegen was vóór het (tweede) huwelijk met de betrokkene,
ten volle toe aan de eerste gewezen echtgenote, als bijzondere nabestaande,
en werd niet aan de betrokkene betaald. Gesteld werd dat sprake was van strijd
met artikel 119 van het EG-verdrag en artikel 26 van het IVBPR. De Raad deelde
die opvatting niet, omdat de bepaling in geding geen onderscheid maakt naar
geslacht. Van inbreuk op artikel 8, eerste lid, van het EVRM dan wel artikel
1, eerste lid van het daarbij behorende Eerste Protocol achtte de Raad evenmin
gebleken.
Uitkeringswet gewezen militairen (UKW)
Neveninkomsten
In het kader van artikel 5 van de UKW was in CRvB 22 oktober 1998, AA8768 ,de
vraag in geding of de neveninkomsten van de betrokkene wegens onderbreking van
de werkzaamheden waaruit hij die inkomsten genoot, terecht niet langer werden
vrijgesteld van verrekening met de hem toekomende UKW-uitkering. De Raad beantwoordde
deze vraag bevestigend. Daarbij is gewezen op artikel 5, eerste en derde lid,
van de UKW, waarin slechts plaats is voor een strikt omschreven uitzondering,
welke zich hier niet voordeed. Ook heeft gewogen dat het bestuursorgaan de betrokkene
reeds bij het ontslag uitdrukkelijk erop had gewezen dat de vrijstelling alleen
zou gelden voor zolang de werkzaamheden niet werden onderbroken.
Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (APPA)
Goedkeuring verordening door GS
In CRvB 28 oktober 1999, AA8527 bleek de gemeentelijke uitkerings- en pensioenverordening
wethouders uit 1993, welke verordening, anders dan de APPA voorschreef, niet
langer een bepaling bevatte dat uitkeringstijd niet meetelde als voor pensioen
geldige tijd, niet door Gedeputeerde Staten te zijn goedgekeurd. Derhalve werd
aan die verordening verbindende kracht ontzegd en werd het daarop gebaseerde
besluit vernietigd. Omdat ten aanzien van de betrokken oud-wethouder de verordening
uit 1984 was blijven gelden, waarin nog wèl een overgangsrechtelijke
bepaling was opgenomen ter zake het niet meetellen van uitkeringstijd, bleven
de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand.
Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (BPW)
Heulen met de vijand
In CRvB 18 juni 1998, AA8767 (JSV 1998/241), was de betrokkene door het bestuursorgaan
in navolging van de Stichting 1940-1945 in Nederlands nationaal opzicht onwaardig
geacht, omdat hij vrijwillig en gedurende lange tijd werkzaamheden had verricht
voor of in het belang van de Duitse oorlogsindustrie in Frankrijk, Duitsland
en Polen, en niet was gebleken van excuserende factoren of rechtvaardigingsgronden.
De betrokkene benadrukte dat hij om economische redenen - de noodzaak om zelf
in zijn levensonderhoud te voorzien en schaarste aan werk - gedwongen was geweest
genoemde werkzaamheden te aanvaarden. De Raad oordeelde dat gelet op doel en
strekking van de Wbp het bestuursorgaan gerechtigd was de opvatting van de Stichting
1940-1945 te volgen.
Wel of geen Engelandvaarder
In CRvB 3 december 1998, AA8771 (JSV 1999/80), was ten aanzien van de betrokkene,
die had gesteld dat hij in april 1942 via Zwitserland een poging tot Engelandvaart
had ondernomen, maar zich door ziekte genoodzaakt had gezien in Zwitserland
te blijven, geen toepassing gegeven aan het KB van 8 juli 1978, Stb. 422, gegeven
ter uitvoering van artikel 1, tweede lid, van de Wbp. Daarbij gold als motivering
dat de voordien bestaande intentie om naar Engeland te gaan omstreeks november
1943 was verdrongen door het streven om wegens studie in Zwitserland te blijven.
Op grond van de uit die jaren nog beschikbare correspondentie tussen de betrokkene
en het Nederlandse Gezantschap in Bern, waaruit het teloorgaan van de oorspronkelijke
intentie niet viel af te leiden, achtte de Raad deze motivering van het bestuursorgaan
onvoldoende.
Ouders in verzet
In CRvB 4 maart 1999, AA8712 ,had de betrokkene wegens psychische klachten in
verband met het door haar ouders gepleegde verzet een beroep gedaan op artikel
3 van het KB van 8 juli 1978, Stb. 422, teneinde in aanmerking te worden gebracht
voor een buitengewoon pensioen ingevolge de Wbp. Uit het door een hoogleraar
psychiatrie verrichte onderzoek kwam naar voren dat het ontbreken van medische
gegevens van de ouders, die laten zien op welke wijze ieder van hen het verzet
heeft beleefd, een adequate medische beoordeling en verantwoorde beantwoording
van de verbandsvraag in de weg stond. De Raad was daarom van oordeel dat de
aanvraag mocht worden afgewezen.
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
(Wuv)
Motorrijtuigenbelasting
CRvB 29 juli 1999, AA8509 betrof een afwijzing van een verzoek om vergoeding
van motorrijtuigenbelasting op grond van het Besluit van 20 juni 1984, houdende
vaststelling van een algemene maatregel van bestuur regelende de vergoeding
van motorrijtuigenbelasting voor oorlogsgetroffenen 1940-1945, Stb. 1984, nr
364. Hoewel evengenoemd Besluit niet was opgenomen in de bij de Beroepswet behorende
bijlage achtte de Raad zich niettemin bevoegd om in beroep te oordelen over
het geschil, wegens de vergaande inhoudelijke verwantschap met wel op de bijlage
geplaatste dan wel anderszins aan de rechtsmacht van de Raad toebedeelde wetten
en regelingen.
KNIL militairen bij uitzondering vervolgden
De Raad had ook in de verslagjaren nog een aanzienlijk aantal gedingen te behandelen
met betrekking tot de vraag of inlandse KNIL-militairen met toepassing van artikel
3, tweede lid, van de Wuv kunnen worden gelijkgesteld met een vervolgde in de
zin van de Wuv. In aanmerking genomen dat hierbij een discretionaire beslissingsbevoegdheid
van het bestuursorgaan aan de orde was, heeft de Raad in slechts een enkel geval
een voor de betrokkene gunstige uitspraak gedaan.
Tewerkstelling geen vervolging
In o.a. CRvB 6 mei 1999, AA8557 JSV 1999/281, is beslist dat tewerkstelling
van de inheemse bevolking, (in dit geval) op de tot de Indische archipel behorende
Babar-eilanden, niet als vervolging in de zin van de Wuv kan worden aangemerkt,
aangezien deze tewerkstelling het gevolg was van de algemene behoefte aan arbeidskrachten
van de Japanse bezetter en niet plaatsvond op grond van een bij de tewerkgestelden
veronderstelde Europees georiënteerde instelling.
Alleen discriminatie wanneer van een verschil blijkt
Over de in artikel 19, eerste lid, onder b, van de Wuv geregelde AOW-korting
is in CRvB 5 maart 1998, AA8745 (JSV 1998/160), beslist dat deze korting gelijkelijk
voor mannen en vrouwen geldt en dat niet is gebleken dat deze bepaling juist
vrouwen treft. Van een verboden ongelijke behandeling van mannen en vrouwen
achtte de Raad dan ook geen sprake.
Omzetting eenmanszaak in BV bedrijfsbeëindiging
In CRvB 19 maart 1998, AA8525 JSV 1998/163, was de vraag aan de orde of het
bestuursorgaan de omzetting van een eenmanszaak in een B.V. terecht had aangemerkt
als een bedrijfsbeëindiging, zodat het bedrijfskapitaal in aanmerking kon
worden genomen bij de met de uitkering te verrekenen vermogensinkomsten. De
Raad heeft deze vraag bevestigend beantwoord, omdat sprake was van een duidelijke
wijziging van het ondernemersrisico.
Inkomen is zonder lastenaftrek
Voor de uitleg van het begrip inkomen in artikel 10, eerste lid, onder b, van
de Wuv, welk voorschrift het percentage van de periodieke uitkering afhankelijk
stelt van de hoogte van eventuele inkomsten van de partner of echtgenoot, heeft
de Raad in CRvB 28 mei 1998, AA8528 JSV 1998/234, aansluiting gezocht bij het
inkomensbegrip van artikel 19 van de Wuv. Daaronder dienen volgens de Raad te
worden verstaan de bruto-inkomsten, zonder eventuele aftrekbare uitgaven ter
zake van bijvoorbeeld buitengewone lasten.
Niet opgeven uitkering grof nalatig
De met de uitvoering van de wetten voor oorlogsgetroffenen belaste Pensioen-
en Uitkeringsraad (PUR) heeft deze bevoegdheid ingevolge de Wet PUR overgedragen
aan een drietal zogenoemde raadskamers, die een van elkaar gescheiden administratie
voeren. De wetten voor oorlogsgetroffenen bevatten elk afzonderlijk de verplichting
tot het opgeven van neveninkomsten met het oog op eventuele verrekening met
de uitkering of het pensioen. In CRvB 20 mei 1998, AA8796 (JSV 1998/232), was
de betrokkene, die bij invulling van het hem toegezonden Wuv-inlichtingenformulier
had nagelaten opgave te doen van zijn vanwege de raadskamer-Wbp toegekende buitengewoon
pensioen ingevolge de Wbp, van opvatting dat dit laatste gegeven niettemin bekend
had kunnen zijn bij de raadskamer-Wuv, aangezien beide raadskamers in organisatorisch
verband onder de PUR zijn geplaatst. In aanmerking genomen dat ook uit de Wet
PUR blijkt dat de uitvoering van de Wuv tot de uitsluitende bevoegdheid behoort
van de raadskamer-Wuv, deelde de Raad die opvatting niet en oordeelde dat sprake
was van grove nalatigheid van de betrokkene.
Wettelijke rente per uitkeringstermijn
In CRvB 16 april 1998, AA8736 (JSV 1998/230), had de Raad zich te buigen over
de met ingang van 1 juli 1993 aan artikel 33 van de Wuv toegevoegde verplichting
voor het bestuursorgaan tot vergoeding van wettelijke rente bij overschrijding
van de voorgeschreven betalingstermijn. In dit geval betrof het de gevorderde
rente wegens te late uitbetaling van ingediende declaraties. In verband met
de systematiek van toekenning van vergoedingen en tegemoetkomingen op declaratiebasis
heeft de Raad op grond van een redelijke uitleg en toepassing van artikel 33
van de Wuv geoordeeld dat sprake is van opeenvolgende toekenningen waarvoor
bij te late betaling telkenmale, en niet slechts de eerste keer, de rentevergoedingsverplichting
geldt.
Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945
(WUBO)
Medisch advies moet recent zijn
In CRvB 15 oktober 1998, AA9004 , JSV 1999/26, heeft de Raad beslist dat de
PUR, indien hij afwijkt van het oordeel van een door hem ingeschakelde psychiater,
dat uitsluitend kan doen op basis van op zorgvuldige wijze verkregen andersluidende
informatie. Weliswaar had de PUR advies ingewonnen van een zenuwarts, maar deze
had niet op basis van recent verricht onderzoek gerapporteerd.
Cardioloog niet deskundig t.a.v. psychische klachten
Ook met betrekking tot hetgeen door de betrokkene zelf wordt ingebracht, vereist
de Raad zorgvuldigheid. Zo was de Raad in CRvB 15 oktober 1998, AA8741 (JSV
1999/25), van oordeel dat een door betrokkene ingeschakelde cardioloog die tot
zijn oordeel kwam op basis van zijn beoordeling van door hem bij betrokkene
aangenomen psychische klachten, zich met deze beoordeling buiten het terrein
van zijn specifieke deskundigheid had begeven.
Bewijs getuige
In CRvB 25 februari 1999, AA8709 (JSV 1999/213), ging het om een betrokkene
die gezien haar leeftijd tijdens de Japanse bezetting en de Bersiapperiode was
aangewezen op gegevens van derden die wel wisten wat zij toen heeft meegemaakt.
Betrokkene wist zelf slechts van een internering in een kamp tijdens de Japanse
bezetting en haar aanvraag had slechts daarop betrekking. Een referent, die
door de PUR met gerichte vragen was benaderd, bracht ook andere oorlogservaringen
van betrokkene in, die (wel) te brengen waren onder artikel 2, eerste lid, van
de WUBO. Nu de PUR niet van mening was dat de referent een onjuiste weergave
van die oorlogservaringen had gegeven, stond het de PUR, naar het oordeel van
de Raad, niet vrij om ten nadele van de betrokkene af te wijken van de verklaring
van die referent.
Zorvuldigheid bij berekening uitkering
In CRvB 12 mei 1999, AA8643 (JSV 1999/285), had de PUR aan het Economisch Instituut
voor het Midden- en Kleinbedrijf (EIMK) om advies gevraagd met betrekking tot
het meest met het door betrokkene in het buitenland uitgeoefende varkens- en
kippenbedrijf vergelijkbare bedrijf in Nederland. De PUR berekende de grondslag
voor de periodieke uitkering aan de hand van door het EIMK verstrekte informatie,
welke echter op verschillende punten ontoereikend was. De PUR had aldus niet
de vereiste zorgvuldigheid in acht genomen.