Risicoaansprakelijkheid

Bedrijfsmatig handelen.
Dier. (schade aan dier, pdf, inloggen nodig)
Gevaarlijke stoffen.
Minderjarigen.
Personen algemeen. (toerekenbaarheid wegens geestelijke of lichamelijke tekortkoming zie toerekening)
Hulppersonen.
Productenaansprakelijkheid.
Stortplaats.
Weg en wegbeheer.
Voertuigen.
Zaken.

Bedrijfsmatig handelen

Rb Arnhem ECLI:NL:RBARN:2012:BX5018 18-07-2012 eenheid tussen opdrachtgever en hulppersoon bij uitoefeing bedrijf

2.15. Vooropgesteld wordt dat art. 6:171 BW, zoals blijkt uit de wetsgeschiedenis, restrictief moet worden opgevat. Daar wordt immers de nadruk erop gelegd dat aansprakelijkheid voor onrechtmatig handelen van een niet ondergeschikte opdrachtnemer alleen bestaat indien het gaat om werkzaamheden die een opdrachtgever ter uitoefening van zijn bedrijf door die opdrachtnemer doet verrichten. Aansprakelijkheid kan niet worden aangenomen indien de benadeelde de dader en het bedrijf van diens opdrachtgever niet als een zekere eenheid kan beschouwen. De schade behoort dan niet tot de risicosfeer van de opdrachtgever. Uit de wetsgeschiedenis kan voorts worden afgeleid dat de in art. 6:171 BW voorkomende woorden: ‘werkzaamheden ter uitoefening van diens bedrijf’ een belangrijke beperking inhouden. Alleen het geval van degene die aan de bedrijfsuitoefening zelf van de opdrachtgever deelneemt, valt eronder (HR 21 december 2001, NJ 2002, 75). Doorslaggevend is, dat vanwege de onderlinge verwevenheid van de uit te voeren taken jegens de derde-gelaedeerde sprake is van een zekere eenheid (HR 18 juni 2010, NJ 2010, 389). Ten slotte is nog van belang dat artikel 6:171 BW onder meer berust op de gedachte dat een buitenstaander veelal niet kan onderkennen of de schade is te wijten aan een fout van een ondergeschikte of van een ander die ter uitoefening van het desbetreffende bedrijf werkzaamheden verricht (HR 21 december 2001, NJ 2002, 75).

 

Rb Rotterdam ECLI:NL:RBROT:2010:BO3418 13-10-2010, het ter beschikking stellen van een loopplank valt onder uitoefening havenbedrijf.

4.9 De rechtbank is van oordeel dat zowel uitgaande van de visie van [eiser] op de feiten rondom het ter beschikking stellen van de loopplank als uitgaande van de visie van de gemeente op die feiten de gevolgtrekking kan worden gemaakt dat de gemeente de loopplank in de uitoefening van haar bedrijf heeft gebruikt. Immers, de gemeente, in de persoon van de havenmeester, heeft het initiatief genomen om [eiser] te wijzen op de beschikbaarheid van een loopplank, aangeboden om die loopplank naar het schip van [eiser] te brengen en dat vervolgens ook gedaan. Daarmee heeft de gemeente de loopplank aan [eiser] ter beschikking gesteld om deze behulpzaam te zijn in het kader van de noodzaak voor [eiser] om zijn schip op 17 mei 2007 op een andere plek in de haven af te meren en de wens van [eiser] om dat op een plaats te doen waar hij een loopplank nodig zou hebben. Dit alles heeft zich afgespeeld in het kader van de uitoefening van het havenbedrijf door de gemeente. Of [eiser] er mogelijk ook voor had kunnen kiezen om een andere ligplaats in te nemen waarvoor hij geen loopplank nodig zou hebben gehad, acht de rechtbank niet relevant voor het oordeel over de vraag of de loopplank in de uitoefening van het havenbedrijf werd gebruikt.

HR 26 november 2010, LJN BM 9757 Tenzij clasule 6:181 BW bedrijfsmatig handelen alleen bij verband met bedrijfsuitoefening

3.3.2 Aldus bepleit het middel een zeer beperkte toepassing van de uitzondering in het slot van art. 6:181 lid 1 BW. Deze vindt geen steun in het recht.
Uit de bewoordingen van deze bepaling dat "het ontstaan van de schade niet met de uitoefening van het bedrijf in verband staat" en uit hetgeen daarover wordt opgemerkt in Parl. Gesch. Boek 6, blz. 746 (geciteerd in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 16), moet worden afgeleid dat voor het ontbreken van de aansprakelijkheid van degene die in de opstal een bedrijf uitoefent, nodig en toereikend is dat tussen het ontstaan van het gebrek en de bedrijfsuitoefening geen verband bestaat.
Het feit dat de beschadigde goederen in het kader van de opslagovereenkomst in de hal waren opgeslagen, brengt, anders dan het middel betoogt, dus niet mee dat reeds op grond daarvan het ontstaan van de schade in de zin van art. 6:181 lid 1 in verband staat met de bedrijfsuitoefening van [A]. De aanvaarding van de in het middel bepleite opvatting zou, in strijd met de kennelijke bedoeling van de wetgever en met een redelijke wetstoepassing, ertoe leiden dat de in de tenzij-bepaling vervatte uitzondering vrijwel zonder praktische betekenis zou blijven.

Rb Utrecht ECLI:NL:RBUTR:2010:BO1670 20-10-2010 privé gebruik is geen bedrijfsmatig handelen.

4.11. Vast staat dat [gedaagden] de kade hebben gebruikt voor de bouw van hun betonbakken voor de later te bouwen woonarken van de gezinnen van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1]. Het lijdt dan ook geen twijfel dat het om werkzaamheden ten behoeve van privé doeleinden ging. Er is niet gebleken van enige bedrijfsmatige activiteiten. De enkele niet nader onderbouwde stelling van Convoi, dat [gedaagde sub 2] zich heeft gepresenteerd als een bedrijf -wat daar gelet op de betwisting daarvan door [gedaagden] ook van zij-, doet hieraan niet af. Dat [gedaagde sub 2] met de gemeente Breda een bruikleenovereenkomst is aangegaan onder de naam CBN Bouwproducten is in het onderhavige geval niet voldoende om [gedaagden] dan wel [gedaagde sub 2] als bedrijfsmatig gebruiker in de zin van artikel 6:181 BW aan te merken. Immers, nog afgezien van het feit dat een overeenkomst tussen [gedaagde sub 2] en de gemeente Convoi niet regardeert, hebben [gedaagden] aangevoerd dat Convoi eerst geruime tijd na het aangaan van de overeenkomst met [gedaagden] die bruikleenovereenkomst heeft ontvangen. Dit heeft Convoi niet betwist, zodat ervan moet worden uitgegaan dat Convoi ten tijde van het aannemen van de opdracht niet op grond van de bruikleenovereenkomst de indruk kan hebben gekregen dat [gedaagde sub 2] handelde uit hoofde van een bedrijf. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat Convoi ter comparitie heeft aangegeven de overeenkomst van opdracht te hebben gesloten met [gedaagde sub 2], waarbij [gedaagde sub 2] namens zichzelf en namens [gedaagde sub 1] handelde. Dit alles brengt de rechtbank tot het oordeel dat het door artikel 6:181 vereiste functioneel verband ontbreekt. Reeds om die reden faalt het beroep van Convoi op de kwalitatieve aansprakelijkheid van artikel 6:181 BW.

Rb Leeuwarden ECLI:NL:RBLEE:2006:AV0898 01-02-2006 de gemeente handelt bij de verkoop van melkquotum niet als ondernemer handelt, op grond van paragraaf 3 van de Toelichting Gemeenten.

 

Dieren art. 6:179 BW

Rechtbank Zwolle-Lelystad 26-11-2008 BI7309 politiehond bijt, terecht beroep op "tenzij-clausule",

Hof Amsterdam 20-03-1997 VR 1999, 100 Dier hond schrikreactie paard BW 6:179

De eigenaar van de hond is aansprakelijk voor de schade van de ruiter die door een schrikreactie van het paard afgeworpen werd wegens het risico in het dier gelegen en vanwege het nalaten de hond in zijn macht te houden. De ruiter heeft eigen schuld door het niet voldoende anticiperen op loslopende honden. Tevens is de omstandigheid, de onberekenbare energie van het paard bij de schrikreactie, hem toe te rekenen. 50:50.

Hof Arnhem, 22-10-1996 VR 97, 5 9Dier berijden paard handicap kind billijkheid verkeersopvatting

Het gevaar uit de eigen energie van een dier verwezenlijkt zich als de berijder door een onverwachte beweging van het paard valt. Zo'n val komt niet naar verkeersopvattingen voor het risico van de berijder. Vermindering jegens het ziekenfonds wegens billijkheid is mogelijk wegens het bestijgen en het berijden van het paard, waarbij afgewogen wordt handicap, lessituatie, ontbreken van winstoogmerk, 50%.
idem Hof Arnhem, 22-10-1996 VR 97, 60 maar hier een ervaren ruiter ook hier toe te rekenen 50% uit het feit dat deze het paard ging berijden, maar de billijkheidscorrectie vereiste ook nog eens dat rekening gehouden werd met het feit dat het paard geleend werd en het een alleszins rustig dier betrof waardoor 0% a.s.

Hof Arnhem 22-10-1996 jur. 1 Dier eigen schuld ruiter paard toerekenbare omstandigheden

Gelet op de omstandigheden eist de billijkheid dat de schade voor eigen rekening van de gewonde blijft. Ervaren ruiters weten dat een paard kan bokken en springen en moeten daar rekening mee houden.
Omstandigheden in het belang van art. 6:101 BW zijn:
1) de gewonde heeft het paard geleend,
2) Het dier was rustig en betrouwbaar,
3) de gewonde was een ervaren ruiter,
4) de gewonde viel van het paard door steigeren toen dat was geschrokken.

Rb Amsterdam 31-5-1995 VR 96, 212 Hoofdelijkheid dier hond

Als twee honden met elkaar spelen en de ene hond daarbij schade toebrengt aan een fietser is de bezitter van de andere hond niet hoofdelijk aansprakelijk omdat de honden geen groep vormen als in art. 6:166 BW evenmin als de begeleiders.

RvT I 95, 17 Dier kat vakantie logeeradres eigen schuld

Gelet op het feit dat klagers ouders, bij klagers afwezigheid, blijkbaar niet erop hebben gelet of klagers kat zich op hun auto of caravan bevond of na dat geconstateerd te hebben, dat niet hebben verhinderd, acht de Raad verdedigbaar het standpunt dat de ouders zelf hun schade geheel hebben te dragen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de kat vroeger van de ouders is geweest en zij derhalve met de gedragingen daarvan bekend verondersteld mogen worden.

RvT I 93, 5 VR 94, 88 Dier hond vakantie logeeradres eigen schuld

Doordat dochter en schoonzoon de hond alleen lieten overnachten in een ruimte waar deze schade kon verrichten is de schade door eigen schuld ontstaan.

 

HR 24-1-1992 NJ 1992, 302  eigenaar bijtende hond ook bij vechtende andere hond aansprakelijk voor bijten

Twee loslopende honden vechten. De eigenaar van één van de honden probeert deze te scheiden. Als deze door de hond van de ander werd  gebeten, is daarmee in beginsel de aansprakelijkheid van de ander op grond van art. 1404 BW gegeven. Een opheffing van de aansprakelijkheid op grond van een risico-aanvaarding als door het hof aangenomen vindt geen steun in het recht. Wel kan sprake zijn van omstandigheden die aan de schadelijder zijn toe te rekenen en die de aansprakelijkheid van de ander verminderen. Maar anders dan het hof heeft overwogen, is het enkele feit dat de eigenaar van een hond deze laat los lopen niet voldoende om hem elke aanspraak op grond van art. 1404 te ontnemen wanneer hij wordt gebeten door een andere hond, doordat beide honden met elkaar zijn gaan vechten en hij in dit gevecht ingrijpt. De eigenaar van een van die honden probeert op verzoek van de eigenares van de andere ze uit elkaar te halen en wordt gebeten, beweerdelijk door die andere hond.
Het door die eigenares enkele onaangelijnd laten rondlopen van haar weerloze hond en haar verzoek om in te grijpen aan de eigenaar van een andere hond tegen wie haar hond zich niet kon verdedigen, leveren, ongeacht door welke hond die andere eigenaar is gebeten, geen onrechtmatige daad van die eigenares op.
Indien echter vast staat dat haar hond die andere eigenaar heeft gebeten, is zij in beginsel ex art. 1404 (oud) BW aansprakelijk. Opheffing van die aansprakelijkheid wegens risicoaanvaarding doordat de gebeten eigenaar zijn hond liet loslopen met het risico dat deze zou gaan vechten, vindt geen steun in het recht.
Mogelijk wel een aan die eigenaar toe te rekenen, aansprakelijkheid verminderende omstandigheid. Enkele laten loslopen niet voldoende om hem aanspraak op grond van art. 1401 (oud) te ontnemen.

Gevaarlijke stoffen

Notitie gevaarlijke stoffen april 2009 (htm)

Minderjarigen

Hof Den Bosch NJ 97, 659 Ouder kind echtscheiding

De aansprakelijkheid van een kind jonger dan 14 jaar is een risico­aansprakelijkheid voor de ouder zonder dat relevant is of het kind aan die ouder is toevertrouwd, art 6:169 BW kent een dergelijk onderscheid niet.

Personen algemeen

Hof Arnhem 28-2-1995 niet gepub.Rijles juridisch bestuurder instructie kwalitatieve aansprakelijkheid

Een rij-instructeur is niet de bestuurder van een voor hem rijdende lesmotor. Hij is niet kwalitatief aansprakelijk voor de feitelijk bestuurder. Op hem rust een inspanningsverplichting. Als de rij-instructeur voor het onvoorzichtig gedrag van de motorbestuurder redelijkerwijze niet behoefde te waarschuwen rust op hem geen verplichting tot schadevergoeding als de bestuurder geen voorrang verleende.

Hulppersonen

HR 18-06-2010 ECLI:NL:HR:2010:BL9596, als hulppersoon kenbaar niet in dienst opdrachtgever is opdrachtgever toch aansprakelijk

Onderdeel 1 stelt de vraag aan de orde of deze werkzaamheden zijn verricht ter uitoefening van het bedrijf van de opdrachtgever, [eiseres 1]. Het hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord en daartoe het volgende overwogen: "3.7 (...) Uit de stukken blijkt dat [eiser 3] heeft bepaald dat er met Round-Up gespoten moest worden, dat hij Round-Up heeft ingekocht en dat hij tevens heeft beslist over het aantal liters Round-Up dat nodig was. Voorts is gebleken dat [eiser 3] zelf beschikt over een licentie om te spuiten. Een en ander brengt, naar het oordeel van het hof, mee dat - gelet op de verwevenheid van het handelen van [eiser 3] met het handelen van [A] - de inbreng van [eiseres 1] dermate groot is geweest dat [eiseres 1] en [A] wel degelijk kunnen worden beschouwd als een zekere eenheid, alsmede dat sprake is van het uitoefenen van activiteiten door [A] die tot de werkzaamheden ter uitoefening van het bedrijf van [eiseres 1] behoren. Hieraan doet niet af, zoals [eiser] c.s. (lees:) stellen, dat het voor Sijm Agro van meet af aan duidelijk was dat [A] de bespuitingswerkzaamheden heeft verricht, aangezien zich - gelet op de inbreng van [eiser 3] - wel degelijk een situatie voordoet waardoor het voor een buitenstaander onduidelijk is wie voor wat verantwoordelijk is en tot wie hij zich in verband daarmee nu eigenlijk moet richten. De inbreng van ieder van hen is immers voor een buitenstaander als Sijm Agro niet van meet af aan bekend. De omstandigheid dat Sijm Agro in eerste instantie alleen [A] aansprakelijk heeft gesteld en pas daarna ook [eiser] c.s. maakt dat niet anders. Een en ander brengt mee dat grief 1 faalt." 4.1.2 Anders dan in onderdeel 1.2 wordt gesteld, heeft het hof niet nagelaten om voldoende kenbaar vast te stellen wat het bedrijf van de opdrachtgever inhoudt. In hoger beroep is de vaststelling van de rechtbank in rov. 2 onder c. dat [eiseres 1] een tulpenkweker is, niet bestreden. In de weergave van de stellingen van [eiser] c.s. in rov. 3.5 vermeldt het hof dat [eiser] c.s. hebben gesteld dat de bedrijfsactiviteit van [eiseres 1] bestaat in het telen van bloembollen. De enige vraag die door grief 1 aan de orde werd gesteld, was of het (doen) bespuiten van het betrokken perceel met een bestrijdingsmiddel behoort tot de werkzaamheden ter uitoefening van dat bedrijf. Het hof heeft uit de mate waarin een van de vennoten van [eiseres 1] bij het verzorgen van de bespuiting betrokken was en uit de omstandigheid dat deze vennoot ook zelf beschikt over een licentie om te spuiten, afgeleid dat dit inderdaad het geval was. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, noch onvoldoende gemotiveerd. De onderdelen 1.1 en 1.2 falen derhalve. Ook de onderdelen 1.3 en 1.4 kunnen niet slagen. Weliswaar berust art. 6:171 onder meer op de gedachte dat een buitenstaander veelal niet kan onderkennen of de schade te wijten is aan een fout van een ondergeschikte of van een ander die ter uitoefening van het desbetreffende bedrijf werkzaamheden verricht, maar dat brengt niet mee dat de bepaling toepassing zou missen in een geval waarin het de benadeelde duidelijk is dat de schade is veroorzaakt door een fout van een niet-ondergeschikte.

HR 21 december 2001, NJ 2002, 75 de werkzaamheid van de huppersoon moet die van het bedrijf van opdrachtgever zelf zijn

In het arrest Delfland/Stoeterij heeft Uw Raad - binnen de grenzen van het redelijkerwijs mogelijke - aangegeven hoe het zojuist genoemde criterium moet worden ingevuld.(4) In die zaak had aannemingsbedrijf [C] in opdracht van Delfland (een energiebedrijf) werkzaamheden verricht op het terrein van de Stoeterij. De werkzaamheden bestonden uit het vernieuwen van elektriciteitskabels na een stroomstoring. De Stoeterij stelde Delfland op grond van art. 6:171 BW aansprakelijk voor de door de graafwerkzaamheden veroorzaakte schade. In hoger beroep overwoog de Rechtbank dat het ging om het vernieuwen van elektriciteitskabels die door Delfland werden geëxploiteerd en dat de graafwerkzaamheden zo direct samenhingen met de vernieuwing van de kabels dat er geen grond is voor het oordeel dat deze graafwerkzaamheden door de Stoeterij als losstaand van de bedrijfsvoering van Delfland hadden moeten worden opgevat. In cassatie keerde het middel zich tegen deze overweging. Uw Raad stelde voorop: "3.5 (..) dat art. 6:171 BW restrictief moet worden opgevat. Dit komt ook naar voren in de passages uit de wetsgeschiedenis die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal Spier onder 4.3.1. Daar wordt immers de nadruk erop gelegd dat aansprakelijkheid voor onrechtmatig handelen van een niet ondergeschikte opdrachtnemer alleen bestaat indien het gaat om werkzaamheden die een opdrachtgever ter uitoefening van zijn bedrijf door die opdrachtnemer doet verrichten. Aansprakelijkheid kan niet worden aangenomen indien de benadeelde de dader en het bedrijf van diens opdrachtgever niet als een zekere eenheid kan beschouwen. De schade behoort dan niet tot de risicosfeer van de opdrachtgever. Uit de vermelde wetsgeschiedenis kan voorts worden afgeleid dat de in art. 6:171 BW voorkomende woorden: 'werkzaamheden ter uitoefening van diens bedrijf' een belangrijke beperking inhouden. Alleen het geval van degene die aan de bedrijfsuitoefening zelf van de opdrachtgever deelneemt, valt eronder. Het artikel berust op de gedachte dat de eenheid die een onderneming naar buiten vormt, behoort mee te brengen dat een buitenstaander die schade lijdt en voor wie niet is te onderkennen of deze schade is te wijten aan een fout van een ondergeschikte of van een ander die ter uitoefening van het desbetreffende bedrijf werkzaamheden verricht, zich aan deze onderneming kan houden. Deze situatie kan zich volgens de wetsgeschiedenis met name voordoen, omdat de ondernemer werkzaamheden ter uitoefening van zijn bedrijf, zonder dat dit naar buiten kenbaar is, aan niet-ondergeschikte opdrachtnemers kan overlaten.

Hof Leeuwarden 08-09-2004 ECLI:NL:GHLEE:2004:AR0757 Gemeente niet aansprakelijk voor hulppersoon

Het hof overweegt dat artikel 6:171 BW de opdrachtgever mede aansprakelijk maakt voor fouten die een niet ondergeschikte maakt bij werkzaamheden ter uitoefening van het bedrijf van de opdrachtgever. De centrale of lagere overheid die optreedt ter uitoefening van een eigenlijke overheidstaak, zoals die van wegbeheerder van openbare wegen, oefent geen bedrijf uit, zodat uit dien hoofde de provincie niet aansprakelijk gesteld kan worden. Zulks is de bedoeling van de wetgever geweest (parlementaire geschiedenis boek 6, pag. 729-731, vergelijk ook Hof Den Haag 20 mei 1999, NJ 2000,77).

Verbond 30-11-1994 AAA 94, 16 Categorieën

a Bedrijfshandelingen die door niet ondergeschikten voor bedrijf uitgevoerd worden wat ook door eigen werknemers had kunnen worden gedaan
b handelingen die naar buiten worden gezien als handelingen van een bedrijf
c Handelingen die een kans op schade scheppen die tot de risicosfeer van de opdrachtgever behoren

 

Productenaansprakelijkheid

1985-07-25 Richtlijn produktaansprakelijkheid


HOGE RAAD 22 oktober 1999, NJ 2000/159 geen verschil halfproducten en eindproducten; onderzoekplicht; informatieplicht.

RvdW 1999, 151
JOL 1999, 86

BW (oud) art. 1401; BW art. 6:162, 186

Het in het verkeer brengen van een product dat schade veroorzaakt bij normaal gebruik voor het doel waarvoor het bestemd was, is onrechtmatig jegens gebruikers van het product. De enkele omstandigheden dat het om een halffabrikaat gaat en dat dit product niet in absolute zin ongeschikt is gebleken voor het door de rechtstreekse afnemer beoogde doel, brengt niet mee dat die regel uitzondering moet lijden. Een fabrikant moet in het algemeen die maatregelen nemen die van hem als zorgvuldig fabrikant kunnen worden gevergd teneinde te voorkomen dat het door hem in het verkeer gebrachte product schade veroorzaakt; in dit opzicht bestaat geen wezenlijk verschil tussen de fabrikant van een eindprodukt en de fabrikant van een halffabrikaat. Een fabrikant moet zich zelf ervan vergewissen welk effect een nieuw of vernieuwd product (een eindproduct of niet) zal hebben in de voor de hand liggende toepassingen ervan: de fabrikant die een product met een gewijzigde samenstelling op de markt brengt zonder voorafgaande tests en openbaarmaking van de testresultaten, mag niet ermee volstaan zijn directe afnemer van de gewijzigde samenstelling op de hoogte te brengen doch moet ten minste erop toezien dat de afnemers van het eindproduct worden ingelicht.

HOGE RAAD 22 september 2000, NJ 2000/644 productaansprakelijkheid niet voor leverancier, niet-producent

RvdW 2000, 186
JOL 2000, 439

BW (oud) art. 1407a, 1407c, 1407f, 5140; BW art. 6:185, 187, 190, 6:17

Het in het verkeer brengen van een product dat bij normaal gebruik voor het doel waarvoor het bestemd was, schade veroorzaakt, is onrechtmatig jegens gebruikers van het product. Niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting geeft 's Hofs oordeel dat deze regel niet van toepassing is op leverancier die niet de producent was van het product noch aan de producent gelijk kon worden gesteld.

Stortplaats

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20.4.1998 NJ 1999, 34 Aansprakelijkheid voor stortplaats voor 1992

Het hof neemt aansprakelijkheid van de gemeente aan voor de gevaarlijke vuilnisstortplaats, ook al was art. 6:176 BW nog niet van kracht.

Weg en wegbeheer

Algemeen.
Berm.
Busluis.
Eisen aan weg. voorwerpen op de weg
Relativiteit.
Slippen, sneeuw, gladheid. zie ook Waarschuwing.
Verkeerslichten.
Waarschuwing.

Algemeen

Wegbeheerder, algemeen Wegbeheerder artikel A.A. van Leeuwen O.L. Nunes VR 94 p. 189.

Berm

HR, 17-11-2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8364 Fietspad mogelijk gebrekkig door abrupte afscheiding met berm

Met betrekking tot de feitelijke situatie van het fietspad heeft het Hof vastgesteld dat de rand van het (betonnen) fietspad “hoekig” en “zeer steil” was, dat begroeiing het zicht op de betonnen rand ontnam, en dat het fietspad smal was. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat met name bij smalle fietspaden de wegbeheerder er rekening mee dient te houden dat aan het fietsen inherent is dat fietsers ten gevolge van bijvoorbeeld zijwind, tegenliggers of wegens jeugdige onbezonnenheid, niet steeds een koersvaste lijn volgen en dat de mogelijkheid bestaat dat fietsers in de berm raken (rov. 12). Bij zijn oordeel dat de “weg” niet voldeed aan de daaraan onder de gegeven omstandigheden te stellen eisen heeft het Hof derhalve niet alleen de functie van de onderhavige weg - een fietspad - en de fysieke toestand van dat fietspad in aanmerking genomen, maar tevens de wijze waarop het fietspad door de weggebruikers gebruikt wordt. Aldus oordelende heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het bepaalde in art. 6:174 BW.

Rb Arnhem 8-02-1996 VR 1999, 69 Boom weguitrusting BW 6:174

Ondanks dat de boom geacht moet worden deel uit te maken van de grond en de berm gerekend wordt tot de weg is bij een gebrek aan de boom de wegbeheerder niet uit artikel 6:174 BW aansprakelijk. Een boom valt niet onder het begrip opstal van lid 1. Bomen kunnen niet begrepen worden onder weglichaam of weguitrusting als bedoeld in lid 5.

Bussluis

Hof Amsterdam 30-12-1993 VR 94, 152 Busbaan bussluis

De wegbeheerder dient bij haar beheerstaak mede in aanmerking te nemen dat de verkeersdeelnemers niet altijd de nodige zorgvuldigheid in acht nemen. Borden waarschuwen onvoldoende concreet voor gevaar. Eigen schuld voor negeren verbodsbord 25%.

Rb Den Haag 11-3-1994 VR 94, 152 Busbaan bussluis kort geding

Geen verbod af te slaan voor fietser. De borden zijn onvoldoende, eigen schuld van de fietser is niet uit te sluiten. Zie ook 92var0216

HR 20-3-1992 NJ 93, 547 RvdW 92/89 VR 92, 113; Busbaan bussluis valkuil gem. OD tevens eigen schuld Diemen / Rep-tax

Wanneer de gemeente ter fysieke ondersteuningen van verkeersmaatregelen een weg zodanig inricht dat deze zonder beveiligingsmaatregelen gevaar oplevert voor personen of zaken, moet de gemeente door deugdelijke beveiligingsmaatregelen, zoals waarschuwingen ervoor zorg te dragen dat de veiligheid van personen of zaken voldoende gewaarborgd blijft.
Na verwijzing oordeelt Hof Den Haag 15-9-1994 VR 95, 9 dat zonder de door de bestuurder begane overtreding het ongeval niet zou zijn ontstaan zodat gegeven de eigen schuld de schade geheel aan Rep-tax moet worden toegerekend. (Daarmee laat het Hof in het midden dat als de gemeente geen gevaarlijke situatie had veroorzaakt de schade ook niet zou zijn ontstaan).

Eisen aan weg

VRA 2003/4 Vreemde voorwerpen op de weg: de aansprakelijkheid van de wegbeheerder ex artikel 6:174 BW mw mr T.A. Hekster

Kg Den Haag 13-10-1993 PrG 94, 4026 VR 94, 155 Waarborgfonds gebrek uitlaat BW 6:174

De aanwezigheid van een uitlaatdemper op de rijweg maakt die weg niet gebrekkig in de zin van art. 6:174 BW daar de uitlaatdemper moet worden aangemerkt als een vreemd voorwerp dat niet behoort tot de weguitrusting als bedoeld in het 5e lid van dat art. Er is immers geen enkele relatie tussen de demper en het weglichaam.
Idem Rb Den Haag 20-4-1994 VR 94, 154,
Autoband op weg. Een redelijke uitleg van art. 6:174 BW brengt met zich mee dat deze bepaling alleen toepassing vindt als er sprake is van een gebrek aan de opstal als zodanig en niet als de gebrekkigheid bestaat uit de aanwezigheid van op het wegdek van een voorwerp dat daar niet op thuishoort en geen verband houdt met het wegdek, -lichaam of -uitrusting.

Kg Groningen 16-2-1993 Prg 94 nr. 4112 (niet juist?) zaak 4418 rolnr. cg expl. 93-1980 beroep Rb Groningen 17-2-'95 VR 95, 164 Olie BW 6:174

De eis van duurzaam verenigd zijn betreft de definitie van opstal niet de eisen die men aan een weg mag stellen. Door olie op de weg is de weg gebrekkig. Noot: Een gebrek alleen is niet voldoende. De weg moet overeenkomen met de eisen die men in de gegeven omstandigheden daaraan mag stellen bezien in het licht van de gerechtvaardigde verwachtingen die men mag koesteren ten aanzien van de weg. Aan een zandweg worden andere eisen gesteld dan aan een nieuwe geasfalteerde weg. Het is vrijwel niet doenlijk de weg continu te bewaken. De gemeente kan in de praktijk niet onmiddellijk ingrijpen. Het is de taak van de gemeente onmiddellijk na het bekend worden van het gebrek de gevolgen op te heffen.
Rb
Naar redelijke uitleg van art.6:174 BW rust de overheid / wegbeheerder slechts dan aansprakelijkheid als schade is veroorzaakt door een gebrek aan opstal als zodanig (Wegdek, -lichaam of -uitrusting) en niet zoals hier als de gebrekkigheid bestaat uit de aanwezigheid op het wegdek van een voorwerp, olie, dat daar niet op thuishoort.
Zie ook Kg Tilburg, 14-9-1995, VR 96, 141
Olie op de weg maakt de weg nog niet gebrekkig. Art. 6:174 BW ziet in beginsel niet toe op voorwerpen of substanties die op de weg zijn gekomen. Nu de olie er pas kort lag wat de wegbeheerder niet bekend was heeft deze geen onrechtmatige daad gepleegd.

RvT I 95, 28 Eisen aan weg gemeente onderhoud trilling vrachtverkeer expert

De verzekeraar mag de bevindingen van de expert volgen indien er voor hem geen aanleiding is aan de juistheid van diens bevindingen te twijfelen. Het standpunt dat het causaal verband onvoldoende vaststaat is verdedigbaar.

Rb Amsterdam, VR 95, 166 Voetganger ontbrekende steen

De gemeente behoeft er geen rekening mee te houden met een ongelukkige misstap van de fietser die stil gaat staan precies op de plek van een ontbrekende tegel.

RvT I 95, 14 Trottoir 4 cm

Bij donker en brandende straatverlichting valt een hard lopend persoon over een trottoir die 4 cm uitsteekt. Gelet op de stukken, waaronder kleurenfoto's acht de Raad het trottoir niet in zodanige staat dat de gemeente op grond van het bepaalde in art. 6:174 aansprakelijk is.

Hof Arnhem 14-4-1987, VR 89, 42 Garantie

Er is geen sprake van een garantieverplichting van de wegbeheerder, de weggebruikers dienen er rekening mee te houden dat de weg niet steeds in perfecte staat verkeert. Is de handeling van de weggebruiker zo onvoorzichtig dat de wegbeheerder daarmede geen rekening behoeft te houden in haar onderhoudsverplichting dan is deze niet aansprakelijk.

HR 9-1-42 NJ 42, 295 Toestand weg BW 6:174 OD Ferweradeel

Op de gemeente rust de verplichting ervoor te waken dat de toestand van het wegdek de veiligheid van personen en zaken wier vervoer met de normale omzichtigheid gebeurt niet in gevaar brengt.

Hof Adam 29-6-1972 VR 72, 28 Slippen glad maximum snelheid

De klinkers zijn volgens de SWOV zeer glad maar nog net niet zo gevaarlijk glad dat een normaal oplettende verkeersdeelnemer daardoor verrast wordt. De weg behoeft niet in alle omstandigheden geschikt te zijn voor de maximumsnelheid.

Relativiteit

Rb Arnhem 15-05-1997 VR 1999, 71 Relativiteit weggebruiker belendend pand BW 6:174

Artikel 6:174 ziet niet alleen toe op de weggebruiker. De weg moet ook zo geconstrueerd zijn dat water zo afgevoerd wordt dat geen schade aan een belendend pand ontstaat.

Slippen, sneeuw, gladheid

Rb Amsterdam 20-1-1993 VR 94, 158 Sneeuw particulieren strooien, vegen

De APV verplicht burgers gladheid te bestrijden. 1à 2 x daags strooien of vegen is voldoende.

Verkeerslichten

Verkeerslichten verkeerd functioneren Rb Den Haag 13-9-1983 VR 86, 25
Het verkeerd functioneren van verkeerslichten brengt niet zonder meer aansprakelijkheid van de wegbeheerder met zich mee.

Waarschuwen

HR 6-9-1996, RvdW 96, 164 Slippen opspattende stenen waarschuwing Annema / Staat

De waarschuwing opspattende stenen met bord J20 (oud 85) volstaat niet als waarschuwing voor slipgevaar. Het is onvoldoende een algemeen gevaarsbord te plaatsen met opspattend grind omdat daarmee nog niet gewaarschuwd is voor gladheid door een grindlaag die nog niet van de weg verwijderd is.

Hof Leeuwarden 24-8-1994 VR 95, 163 Slippen steenslag grint berm

Van de staat als opdrachtgever kan in redelijkheid niet worden gevergd ervoor zorg te dragen of ervoor in te staan dat na herstelwerkzaamheden de rijweg te allen tijde vrijgehouden wordt van uit de berm afkomstig grind of split.

Kg Haarlem 27-2-1994 PrG 94, 4101 Gevaar reparatie waarschuwen

Als er eerder op de avond een ongeval is gebeurd en de monteur aan het herstel van een verkeerszuil bezig is dient deze eerst het verkeer dmv. borden of anderszins voor het gevaar te waarschuwen, zeker als het donker is en het hard regent.

Kg Zwolle 31-3-1993 VR 94, 119 Slippen steenslag grint waarschuwing

De gemeente is aansprakelijk omdat deze naliet met bord 85 bijlage ll RVV te waarschuwen terwijl bekend is dat steenslag voor tweewielers slipgevaar oplevert.

Hof Den Bosch 24-10-1994 VR 96, 137 Waarschuwing markering bocht rechte weg

Een onvoldoende markering in een slinger in de weg die daarvoor recht was levert aansprakelijkheid van de wegbeheerder op.

Rb Rotterdam 13-11-1992 VR 94, 40 Slippen grint slijtlaag waarschuwing

Als voldoende is gewaarschuwd dan geen is er geen risicoaansprakelijkheid van de wegbeheerder voor het onderhoud van de weg.

Voertuigen

Wat is een Elobike

De definities van voertuigen in art. 1 lid 1 c tot 1 f van e Wegenverkeerswet zijn per 1-1-2006 ( mogelijk een paar maanden eerder) flink aangepast. De Elobike is daarin aangeduid als een fiets met trapondersteuning.

In het systeem van defniëring zijn alle voertuigen met een motor van 1 c tot 1 d een motorrijtuig. Een bromfiets is bijvoorbeeld een motorrijtuig op twee wielen die niet harder kan dan 45 km/h.
De wetgever ziet een Elobike niet als een motorrijtuig, maar als een fiets, immers een fiets met trapondersteuning is een fiets met een hulpmotor die zijn werk staakt als je harder dan 25 km/h rijdt of een kracht heeft van meer dan 0,25 kW.

Als de Elobike voldoet aan het criterium van art. 1 lid e, fiets met trapondersteuning dan impliceert dat dat het geen motorrijtuig is en de Elobiker dus niet aansprakelijk kan zijn uit art. 185 WVW alsmede dat hij de bescherming daaruit geniet.
Tevens betekent het dat de Elobiker dan in beginsel onder de AVP dekking vindt.

Als de Elobike het maximum vermogen overschrijdt of de ondersteuningsbegrenzing hoger ligt dan is het een motorvoertuig. Het is de bevoegdheid van de rechter dan toch nog iets met art. 185 WVW te doen naar analogie.

Rechtbank Maastricht, 11-02-2004 LJN: AO4266, Brand auto schade wegdek; geen schuld automobilist / eigenaar auto;

art. 185 WVW, 6:162 BW en 6:174 BW.

Zaken

Wet van 16 juni 2005, houdende wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en het Burgerlijk Wetboek teneinde het verhaal van schade die wordt veroorzaakt als gevolg van een ongeval met of een gebrek aan een motorrijtuig te vergemakkelijken

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het verhaal van schade die wordt veroorzaakt als gevolg van een ongeval met of een gebrek aan een motorrijtuig te vergemakkelijken;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

Artikel 185 van de Wegenverkeerswet 1994 wordt gewijzigd als volgt:
1. In het eerste lid vervalt «, behoudens de beperking in het derde lid,».

2. Het derde lid vervalt.

3. Het vierde en vijfde lid worden vernummerd tot derde en vierde lid.

4. In het derde lid (nieuw) wordt «Het eerste tot en met derde lid vindt» vervangen door: Het eerste en het tweede lid vinden.

ARTIKEL II

In artikel 173, lid 3, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek vervalt «motorrijtuigen,».

ARTIKEL III

Artikel 185 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft van toepassing op schade die is veroorzaakt voor dat tijdstip.

ARTIKEL IV

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
histnoot

Gegeven te

‘s-Gravenhage, 16 juni 2005

Beatrix

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

K. M. H. Peijs

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

Uitgegeven de veertiende juli 2005

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

Hof Den Haag 4-11-1993 VR 94, 158 Gebrek brand auto risico aansprakelijkheid schuld

Vaststaat dat de brand ontstaat door een gebrek aan de auto. Voor aansprakelijkheid op grond van art. 1403 OBW, 6:173 NBW vereist dat bij degene die aansprakelijk wordt gesteld schuld aanwezig is.

Hof Den Haag 14-11-1989 VR 1990, 66. gebrek eigen auto schuld 1401 BW

Aanrijding door technisch gebrek in voertuig; geen overmacht. Technische gebreken aan een auto, waaraan de bestuurder / eigenaar geen schuld heeft, komen toch voor risico van de (verzekeraar van de) auto. Indien als gevolg van zo’n gebrek er een aanrijding plaatsvindt, is er dan ook geen ruimte voor een beroep op overmacht. Dit geldt niet alleen bij artikel 31 WVW maar ook bij door artikel 1401 BW bestreken aanrijdingszaken.

 

Aansprakelijkheid