Uitsluitingen

1978-04-28 AAV opzichtclausule.
Regeling ademanalyse 25-09-1987, htm.
Alcohol polisdekking jurisprudentieoverzicht tot 2000.

Hof Arnhem-Leeuwarden 09-07-2013 ECLI:NL:GHARL:2013:5029 Verzekeraar mag dekking begrenzen zonder ruimte voor de contra-proferentem regel

Het staat een verzekeraar vrij om in de polisvoorwaarden de grenzen te omschrijven waarbinnen hij bereid is dekking te verlenen.  (HR 16 mei 2008, LJN:BC2793). Uit de bewoordingen van artikel 7 kan redelijkerwijs niet anders worden afgeleid dan dat Interpolis het grootst mogelijke belang toekent aan een in gebruik zijnde alarminstallatie.  Van [appellant] mag verwacht worden dat hij, wanneer hij de woning verlaat en onbewoond achterlaat, de alarminstallatie inschakelt.  Voor toepassing van de contra-preferentum regeling is geen plaats. Evenmin acht het hof van belang dat, naar [appellant] stelt, de woning anderszins goed was beveiligd. Wat hiervan zij, het doet niet af aan de verplichting zorg te dragen voor een in werking zijnde alarminstallatie.

Rb Midden-nederland 27 augustus 2014 ECLI:NL:RBMNE:2014:3699 SVI opzet willen en weten is nodig onderzoek nodig door deskundige

04 GCS BBR 01 opzet, laakbaar gedrag, aansluiting op AVP geschiedenis opzet. pdf


Rb Zwolle 7-12-2011 BV1880 Verminderd toerekeningsvatbaar onvoldoende verwijt, geen merkelijke schuld

Rb Rotterdam 14-9-2011 BW0323 Geen merkelijke schuld bij ontoerekeningsvatbaarheid.

Na deskundigenbericht vastgesteld dat de verzekerde ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van de brandstichting en hem geen verwijt treft.

Rb Utrecht 10-8-2010 BT7577 opzet blijkt uit verklaringen

Uit de verklaringen van de veroordeelden, zoals in het geding gebracht, volgt in niet mis te verstane bewoordingen dat zij erop gericht waren met vuurwerk brand te stichten, dat zij hebben geconstateerd dat dit was gelukt en dat zij zich toen uit de voeten hebben gemaakt, zonder wie dan ook nog te waarschuwen.

HR 21-12-2007 bb5408 NJ 2008, 283 avp sterk verminderd ontoerekeningsvatbaar wel opzet. Omstandigheden die duiden op bewustheid, strafrechtelijk veroordeeld. Voor het aanvaarden van opzet is van belang dat de verzekerde verwijtbaar heeft gehandeld.

Het rapport van het Pieter Baan Centrum komt tot de slotsom dat "onderzochte ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde feit weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid - overeenkomstig een dergelijk besef - te bepalen." Indien de voormalige echtgenoot van [eiseres] de ongeoorloofdheid van zijn handelen heeft kunnen inzien, wijst dit op opzettelijk handelen en uit het feit dat hij "in mindere mate dan de gemiddelde normale mens" in staat is geweest zijn wil in vrijheid te bepalen volgt nog niet dat hij de gevolgen van zijn daad niet besefte. Betrokkenen was bewust van de gebeurtenissen.

Conclusie Wuisman
Echtgenote meermalen met een vuisthamer op haar hoofd geslagen. Strafrechtelijk vervolgd voor het hem ten laste gelegde feit van poging tot doodslag (artikelen 45, lid 1 en 287 Sr). In dat kader heeft de Psychiatrische Observatiekliniek voor het Gevangeniswezen te Utrecht (het Pieter Baan Centrum) een onderzoek uitgevoerd.
"Op grond van het bovenstaande zijn wij van mening dat onderzochte ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde feit weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid - overeenkomstig een dergelijk besef - te bepalen.
In antwoord op de in hoofde gestelde vraag concluderen de ondergetekenden, dat onderzochte ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde feit lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, dat dit feit - indien bewezen - hem slechts in sterk verminderde mate kan worden toegerekend."
Na eerst de onder (iii) geciteerde conclusie van het Pieter Baan Centrum te hebben aangehaald, heeft het gerechtshof [betrokkene 1] ook strafbaar geacht. Het gerechtshof heeft hem vervolgens veroordeeld tot drie jaren gevangenisstraf met onder meer de bijzondere maatregel van een opname in de inrichting Groot Batelaar te Lunteren na ommekomst van de gevangenisstraf.
4.2 Opzet:
de aansprakelijkheid van een verzekerde voor schade die voor hem of haar het beoogde of zekere gevolg is van zijn handelen of nalaten. Ten aanzien van de aansprakelijkheid van kinderen tot en met 12 jaar zal verzekeraar echter geen beroep doen op deze uitsluiting."
2.2 De in geschil zijnde opzetclausule komt overeen met de modelclausule die de door de verzekeringsbranche geformeerde Studiecommissie Opzet in 1980 heeft geformuleerd in het kader van de uitvoering van de haar verstrekte opdracht om een studie te verrichten over de wenselijkheid van wijziging van de clausule, waarin verzekeringsdekking in geval van opzet wordt uitgesloten. De modelclausule luidt: "Uitgesloten is de aansprakelijkheid van verzekerde voor schade, die voor hem het beoogde of zekere gevolg is van zijn handelen of nalaten."((7))
2.3 Voor het begrip opzet geldt meer in het algemeen dat het twee facetten kent, nl. het facet weten en het facet willen, en dat het meer gradaties van weten en willen omvat. Een gebruikelijke driedeling is: opzet als oogmerk, opzet als zekerheidsbewustzijn en opzet als waarschijnlijkheidsbewustzijn. Bij alle drie vormen ziet het facet 'weten' op het hebben van kennis van of inzicht in het handelen en de gevolgen daarvan. Het facet 'willen' houdt bij de opzetvorm oogmerk in: het beogen van de gedraging en de gevolgen, terwijl bij de andere opzetvormen dit facet uitdrukt het aanvaarden of op de koop toe nemen van de zekerheid respectievelijk de aanmerkelijke kans dat een gedraging zekere gevolgen heeft.((8))
De in geschil zijnde opzetclausule omvat, evenals de model-opzetclausule, alleen opzet als oogmerk en opzet als zekerheidsbewustzijn. Opzet als waarschijnlijkheidsbewustzijn leidt derhalve niet tot verval van de dekking voor aansprakelijkheid voor schade((9)).
2.4 Met de woorden 'voor hem' wordt tot uitdrukking gebracht dat het begrip opzet subjectief moet worden opgevat. Bij de vaststelling of er in een concreet geval sprake is van opzet vormt niet het uitgangspunt het weten en willen van de gemiddeld normale persoon maar het weten en willen van de verzekerde in kwestie. De bijzondere kwaliteiten en omstandigheden van de betrokken verzekerde, natuurlijk voor zover ten processe gebleken, moeten bij het vaststellen van diens weten en willen met betrekking tot de relevante gedraging en gevolgen in aanmerking worden genomen.
In HR 6 november 1998, NJ 1999, 220 m.nt. MMM, waarin een verzekeringsovereenkomst met een opzetclausule als de in geschil zijnde speelt, oordeelt de Hoge Raad dat de opzetclausule in een geval waarin de verzekerde letsel heeft toegebracht, geen verdere strekking heeft dan van de dekking uit te sluiten de aansprakelijkheid van een verzekerde die het in feite toegebrachte letsel heeft beoogd of zich ervan bewust was dat dit letsel het gevolg van zijn handelwijze zou zijn. Hiermee worden de grenzen van de gevolgen waarop de opzet van de verzekerde kan worden betrokken, nauw getrokken((10)). De Hoge Raad merkt nog op dat de rechter onder omstandigheden uit de gedragingen van de verzekerde kan afleiden dat deze het letsel heeft beoogd of zich ervan bewust was dat het letsel het zekere gevolg van zijn handelen zou zijn((11)).
2.5 De subjectieve invulling van het begrip opzet brengt onder meer mee dat een psychische afwijking (geestelijk gebrek of ziekelijke stoornis) bij de verzekerde een relevante factor kan vormen bij de beoordeling of een beroep op de opzetclausule tegenover de verzekerde op zijn plaats is((12)).
De psychische afwijking kan meebrengen dat het vermogen van weten en/of het vermogen van willen bij de verzekerde in die mate is aangetast dat gezegd moet worden dat er geen sprake meer is van opzet bij de verzekerde. In dat geval zal een succesvol beroep op de opzetclausule tegenover de verzekerde afstuiten op de afwezigheid van opzet bij de verzekerde.
Indien ondanks de aanwezigheid van een psychische afwijking toch van een weten en willen bij de verzekerde kan worden gesproken, kan die psychische afwijking wel nog aan het op zichzelf opzettelijke handelen van de verzekerde het verwijtbare karakter ontnemen. Dat doet zich voor in het geval de verzekerde vanwege zijn psychische afwijking niet in staat is zijn wil vrij te vormen in die zin dat hij niet bij machte is om alternatieven tegen elkaar af te wegen en op basis daarvan keuzes te maken. Met betrekking tot niet verwijtbare opzet heeft de Hoge Raad in HR 27 maart 1987, NJ 1987, 659 m.nt. G geoordeeld, dat niet kan worden aanvaard dat een verzekeringsovereenkomst nietig (wegens strijd met de goede zeden of de openbare orde) is ook in het geval dat moet worden aangenomen dat de verzekerde ten tijde van zijn gedragingen handelde onder invloed van een stoornis van zijn geestesvermogens en dat hem daarom geen verwijt treft. Anders gezegd, men kan zich verzekeren voor aansprakelijkheid voor schade uit opzettelijk maar niet verwijtbaar handelen. In een arrest van dezelfde datum (HR 27 maart 1987, NJ 1987, 658) heeft de Hoge Raad overwogen dat van merkelijke schuld in de zin van artikel 294 K, onder welk begrip ook opzet valt, niet kan worden gesproken, indien aan de verzekerde op grond dat hij leed aan een stoornis van zijn geestesvermogens, geen verwijt kan worden gemaakt van het veroorzaken van de brand. Dit oordeel motiveert de Hoge Raad aldus dat, indien men anders zou oordelen, dit het maatschappelijk onwenselijke gevolg heeft dat reeds bij het sluiten van de verzekering de mogelijkheid van het ontstaan van een geestesstoornis bij de verzekerde onder ogen moet worden gezien, wil deze mede gedekt zijn. Anders gezegd, aldus Van der Grinten in zijn noot onder HR 27 maart 1987, NJ 1987, 659, het risico van geestesgestoordheid((13)) komt voor risico van de verzekeraar, zolang hij niet uitdrukkelijk anders heeft bepaald. Dit laatste betekent dat, in geval tussen verzekeraar en verzekerde een opzetclausule is overeengekomen, het er voor gehouden kan worden dat deze betrekking heeft op verwijtbaar opzettelijk handelen of nalaten, tenzij uit die clausule zelf of anderszins duidelijk van een tegengestelde bedoeling van de betrokken verzekeraar blijkt. Aangezien het blijkens de toelichting bij de model-opzetclausule uit 1980 de bedoeling van de Studiecommissie Opzet was om de model-opzetclausule alleen te laten gelden in 'extreme gevallen', mag een en ander ook voor die clausule en in het verlengde daarvan ook voor de in geschil zijnde clausule worden aangenomen.
clausule worden aangenomen.
2.6 Een andere vraag is hoe snel tot aan-/afwezigheid van opzet of van de verwijtbaarheid daarvan kan worden geconcludeerd. Kan tot afwezigheid van opzet worden geconcludeerd, pas wanneer bij de verzekerde als gevolg van zijn psychische afwijking ieder inzicht in de draagwijdte en de gevolgen van zijn gedragingen ontbreekt? Of kan die conclusie al worden getrokken, zodra de psychische afwijking in belangrijke of beduidende mate het vermogen van weten en/of willen nadelig heeft beïnvloed? De vraag is in de literatuur en de rechtspraak niet nadrukkelijk aan de orde gekomen. Zij is van belang gelet op het verstrekkende gevolg van het aanvaarden van opzet, nl. het verval van verzekeringsdekking. Bij een aansprakelijkheidsverzekering bestaat er aanleiding, zo schijnt het toe, om, in geval dat zich bij de verzekerde psychische afwijkingen voordoen die zijn vermogen van weten en willen beïnvloeden, niet heel snel opzet aan te nemen. Ingevolge artikel 6:165, lid 1 BW vormt een geestelijke tekortkoming bij een persoon van veertien jaar of ouder, geen beletsel om een gedraging, die als een doen is te beschouwen en onder invloed van de geestelijke gedraging is verricht, als een onrechtmatige daad aan die persoon toe te rekenen. Vanwege deze bepaling hebben ook de personen met een geestelijke tekortkoming behoefte aan en belang bij een aansprakelijkheidsverzekering ter bescherming van de eigen vermogenspositie en dat geldt te sterker wanneer de geestelijke tekortkoming schade veroorzakend gedrag bevordert. Daarnaast hebben de slachtoffers belang bij de inroepbaarheid van een aansprakelijkheidsverzekering. Niet zelden zal het voldoende verhaal kunnen vinden op de persoon met de geestelijke tekortkoming sterk afhangen van de aanwezigheid van een dergelijke verzekering. Deze twee gewichtige functies van de aansprakelijkheidsverzekering((14)) geven aanleiding om met het doen vervallen van de dekking terughoudendheid te betrachten. Bij verzekerden met een geestelijke tekortkoming dient deze terughoudendheid mee te brengen, dat het wel of niet aanvaarden van opzet of van de verwijtbaarheid daarvan niet wordt bepaald aan de hand van de maatstaf of ieder inzicht of ieder vermogen van willen bij de verzekerde heeft ontbroken, maar bijvoorbeeld aan de hand van de maatstaf of de geestelijke stoornis in beduidende mate het vermogen van weten en/of willen heeft aangetast. Ook hier kan in aanmerking worden genomen de bedoeling van de Studiecommissie Opzet om de model-opzetclausule uit 1980 alleen te laten gelden in 'extreme gevallen'.
ad b: het begrip opzet in het strafrecht en de betekenis die daarbij aan een psychische stoornis wordt toegekend
[Het navolgende is gebaseerd op de beschouwingen van J. de Hullu over de figuur opzet in het strafrecht in diens handboek Materieel strafrecht, derde druk, 2006. De bladzijden waarnaar in de tekst wordt verwezen, zijn bladzijden uit dit handboek.]
2.7 Het hangt van de delictsomschrijving af of voor de strafbaarheid van een feit opzet vereist is. Is opzet in de delictsomschrijving opgenomen dan vormt opzet een bestanddeel van het strafbare feit en strekt de bewijslevering van het strafbare feit zich mede uit tot het bewijzen van de aanwezigheid van opzet (blz. 198 en 199)
2.8 Ook in het strafrecht wordt de kern van opzet gevormd door de elementen weten en willen (blz. 207 en 218) en worden als vormen van opzet onderscheiden opzet als oogmerk((15)) (blz. 234 e.v.), opzet als zekerheidsbewustzijn (blz. 238 e.v.) en opzet als voorwaardelijk opzet (blz. 219 e.v.). Vanuit het perspectief van de strafprocespraktijk gezien, ligt het accent bij het weten in die zin dat uit het weten en toch doen in beginsel ook het willen wordt afgeleid (blz. 219).
2.9 Het opzet en de daarvan deel uitmakende elementen weten en willen zijn juridische begrippen. Zij strekken tot het bepalen van strafrechtelijke aansprakelijkheid voor gedragingen. Daarbij is het vertrekpunt de normale mens met een vrije, bewuste en volwaardige wil. Dat is een normatief vertrekpunt. Van daaruit wordt vervolgens nader bepaald of en in hoeverre daarvan kan worden afgeweken vanwege feiten en omstandigheden uit de empirische werkelijkheid. In geval van een psychische stoornis ten aanzien van het weten en/of willen, is er ingevolge de rechtspraak van de Hoge Raad in verband met die omstandigheid slechts de ruimte om tot afwezigheid van opzet te concluderen, indien bij de dader van een zodanige ernstige geestelijke afwijking blijkt dat aangenomen moet worden dat hij van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedraging en de mogelijke gevolgen daarvan is verstoken (blz. 216 en 217).
2.10 Na de bewijslevering stelt de rechter eerst vast of datgene wat bewezen is ook een strafbaar feit vormt. Daarna beoordeelt hij de strafbaarheid van de dader (artikel 350 Sv). In dat kader kunnen de strafuitsluitingsgronden aan de orde komen. Een van die gronden is, dat het begaan van het strafbare feit niet aan de dader kan worden toegerekend wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens (artikel 39 Sr). Daaronder vallen niet de hevige gemoedsbeweging, toorn, angst, radeloosheid en vergelijkbare emoties (blz. 326). Slechts bij ernstige afwijkingen die het strafbare feit in overwegende mate hebben veroorzaakt, kan niet-toerekening in beeld komen. Voor het overige houdt de Nederlandse rechtspleging vast aan het uitgangspunt van normaliteit van de verdachten, dat niet snel door een psychische afwijking onder druk staat. Een psychische stoornis heeft eerder en sterker invloed op de mate van aansprakelijkstelling, op de sanctie-oplegging (blz. 332).
2.11 Een en ander komt hierop neer dat de strafrechter niet spoedig wegens een op een psychische afwijking gebaseerd niet of niet voldoende niet-weten en/of -willen concludeert tot het niet bewezen zijn van het opzet of tot het niet strafbaar zijn van de dader. In dat opzicht kan er niet gesproken worden van een terughoudendheid van de strafrechter in het aannemen van opzet. In het verzekeringsrechtelijke verband bestaat er wel aanleiding tot het betrachten van terughoudendheid in het aanvaarden van opzet; zie hetgeen daarover hierboven in 2.6 is opgemerkt.
ad c: betekenis van het oordeel van de strafrechter inzake opzet in de strafzaak voor het beroep in een verzekeringszaak op de opzetclausule
2.12 Artikel 161 Rv((16)) slaat op het bewijsrechtelijke vlak een brug tussen het strafrecht en het civielrechtelijke geding. Heeft de Nederlandse strafrechter in een in kracht van gewijsde gegaan, op tegenspraak gewezen vonnis bewezen verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dan levert dat vonnis dwingend bewijs van dat feit op. Betekent dit artikel dat, indien de strafrechter doodslag - een delict dat krachtens de omschrijving in artikel 287 Sr inhoudt het opzettelijk een ander van het leven beroven - bewezen heeft geacht, dan in een civielrechtelijk geding, waarin een verzekeraar zich tegen een vordering tot bieden van dekking verweert met een beroep op een opzetclausule als waarvan in de onderhavige zaak sprake is, opzet vooralsnog voor bewezen moet worden gehouden?
2.13 Deze vraag kan om meer redenen in ieder geval niet zonder meer bevestigend worden beantwoord.
Het begrip 'feit' in artikel 161 Rv heeft betrekking op feitelijkheden, omstandigheden of gegevens van louter feitelijke aard, en niet op juridische kwalificaties van de feitelijkheden. Dit betekent dat een door de strafrechter bewezen geachte tenlastelegging in het civielrechtelijke geding slechts dwingend bewijs oplevert, voor zover feitelijkheden bewezen zijn verklaard. Komt in de tenlastelegging een term voor die aan een wettelijk voorschrift is ontleend, dan kan datgene van de inhoud van de term bewezen worden geacht wat feitelijk van aard is en niet een juridische kwalificatie van onderliggende feiten inhoudt((17)). De term opzettelijk, die voorkomt in de tenlastelegging in de strafzaak van [betrokkene 1] en die is ontleend aan artikel 287 Sr, heeft in overwegende mate een juridisch kwalificerend karakter. De term geeft nl. een juridische kwalificatie aan van zekere vormen van weten en willen. Op basis van wat op het feitelijke vlak omtrent het weten en willen van de dader wordt vastgesteld, wordt vervolgens de juridische conclusie getrokken of de rechtens vereiste vorm van opzet aanwezig is. Verder heeft de in geschil zijnde opzetclausule betrekking op twee vormen van opzet (oogmerk en zekerheidsbewustzijn), terwijl het strafrechtelijke begrip opzet mede nog de opzetvorm waarschijnlijkheidsbewustzijn omvat. Dit betekent dat, indien doodslag bewezen wordt geacht, daarmee niet zonder meer vaststaat dat er bij de dader sprake is geweest van opzet in de vorm van oogmerk of zekerheidsbewustzijn. Ten slotte zijn de eisen die met het oog op de vaststelling van de aan- of afwezigheid van een bepaalde vorm van opzet worden gesteld aan het weten en willen, in het verzekeringsrechtelijke en het strafrechtelijke verband niet geheel dezelfde.
Kortom, op het oordeel van de strafrechter dat opzet bij een (poging tot) doodslag bewezen is, kan zeker niet zonder meer worden voortgebouwd in een civielrechtelijke procedure, waarin gestreden wordt over de inroepbaarheid van de opzetclausule.

Mendel, arbitraal vonnis, 12-9-2001 VR 2002, 186, enigszins verminderd toerekeningsvatbaar beroep op merkelijke schuld slaagt.

Hof Leeuwarden 8 september 1999 S&S 2001, 22 geen merkelijke schuld indien geen enkel verwijt kan worden gemaakt.

HR 27-3-1987 NJ 1987, 658 brandstichting, ontslagen van rechtsvervolging, ontoerekeningsvatbaar art 39 SR

Geen sprake van merkelijke schuld indien aan de verzekerde op grond van het feit dat hij toen leed aan een stoornis van zijn geestesvermogens geen verwijt kan worden gemaakt van het veroorzaken van de brand, bewijs ter zake aan de verzekerde.

Verzekering