Schade

Wet
Schade
Buitengerechtelijke kosten
Rente

 

Wet

Art. 8:73 AWB
MvA II, PG AWB II, p. 476 e.v.:
De criteria die de administratieve rechter zal hanteren bij de, beantwoording van de vraag of er aanspraak op schadevergoeding bestaat, zijn dezelfde als de criteria die de civiele rechter hanteert bij de afdoening van geschillen ter zake van onrechtmatige overheidsdaad. (...) Wij hebben de stellige overtuiging dat de beoogde integratie er juist sterk toe zal bijdragen dat de administratieve rechter schadevergoedingskwesties niet meer zal endosseren aan de burgerlijke rechter zie ook (NEV, PG AWB II, p. 4781. Niettemin vinden wij het thans een stap te ver gaan om de civiele rechter geheel uit te sluiten. (...) Ten slotte wijzen wij erop, dat de mogelijkheid bestaat dat partijen nog niet in staat zijn een standpunt in te nemen over de omvang van de schade en deswege besluiten dit punt buiten de bestuursrechtelijke procedure te laten.
Ten slotte achten wij het niet nodig om een schadestaatprocedure op te nemen in afdeling 8.2.6. In artikel 8.2.6.7 (8:73), tweede lid, is voorzien in de mogelijkheid dat de administratieve rechter het onderzoek heropent. Ingevolge het van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 8.2.6.3 (8:681 bepaalt de rechtbank op welke wijze het onderzoek wordt voortgezet. De afdelingen 8.2.2 en 8.2.5 geven partijen en de rechter voldoende mogelijkheden om de voor de vaststelling van de omvang van de schade relevante feiten in het geding te brengen.

Schade

Rechtbank Midden-Nederland, 20-04-2015 ECLI:NL:RBMNE:2015:2691  misbruik van recht betaald aan gerechtigde ipv vertegenwoordiger Awb 1:3, 4:89 lid 1, 8:41a
Burgerlijk Wetboek 6:114

De feitelijke betaling van een dwangsom is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. 
Dat eiser verlangt dat de verbeurde dwangsom, ondanks uitbetaling op zijn rekening, alsnog wordt uitbetaald op de derdenrekening van zijn gemachtigde, levert geen misbruik van recht op dat zou moeten leiden tot een niet- ontvankelijk beroep. Eiser stelt immers dat hij niet bevrijdend is betaald. Artikel 4:89, eerste lid, van de Awb dient te worden uitgelegd met inachtneming van de jurisprudentie van de burgerlijke rechter met betrekking tot artikel 6:114 van het BW. I.c. moet de betaling van de dwangsom op de door eiser rechtsgeldig uitgesloten bankrekening in dit geval toch als nakoming van de verbintenis tot betaling van een geldsom worden aangemerkt en heeft verweerder eiser daarmee bevrijdend betaald. 
Uit het arrest van de HR van 28 februari 1997 (ECLI:NL:HR:1997:ZC2295)
volgt dat storting door de schuldenaar op een rechtsgeldig uitgesloten rekening van de schuldeiser toch als nakoming van de verbintenis aangemerkt kan worden, indien de schuldeiser de betaling op die rekening niet rechtsgeldig weigert. De schuldeiser zal, indien het bedrag toch volledig of ten dele te zijner beschikking is gekomen, de betaling op zijn rekening in beginsel slechts kunnen weigeren met terugbetaling van hetgeen waarmee hij aldus is verrijkt.

ABRS, 22-04-2015, ECLI:NL:RVS:2015:1260 proceskosten bijstandsverlening door gastouderbureau vorderbaar Awb 7:15 lid 2

Besluit proceskosten bestuursrecht 1 aanhef en onder a, 2 lid 1 aanhef en onder a PROCESKOSTEN. I.c. kunnen de werkzaamheden bij het gastouderbureau van de gemachtigde als beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden beschouwd. Het verlenen van rechtsbijstand door het gastouderbureau is gericht op het vergaren van inkomsten. Verder is het verlenen van rechtsbijstand een vast onderdeel van de taakuitoefening van gemachtigde en is er geen grond voor het oordeel dat zij niet voldoende deskundig is.

CRvB 22-4-1997, AB 97, 294 Schadevergoeding niet voor trage besluitvorming

Art. 8:73 AWB laat slechts ruimte voor veroordeling tot schadevergoeding voortvloeiend uit het in geding zijnde besluit, niet ten aanzien van de daaraan voorafgaande te trage besluitvorming ().

CRvB 29-7-1997, JB 97, 220 Schadevergoeding administratief recht civiel recht vertragingsschade

Ter zake de schadevergoeding wordt in het administratief recht zo veel mogelijk aansluiting gezocht bij het civiel recht (; idem smartegeld CRvB 1604096 JB 96, 117 CRvB 25-7-1996 TAR 96, 160 CRvB 8-4-1997 AB 97, 247)

CRvB 18-11-1995, JB 95, 296 Werkgever ambtenaar schadegrootte

Voor de omvang van de schade wordt aansluiting gezocht bij het civiel recht

HR 22 mei 1970, NJ 1970, 36 Schadevergoeding op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht

In de woorden 'behoudens recht op schadevergoeding' - art. 1 van de wet - is geen enkele beperking van het recht op schadevergoeding gelegen.
Ook de geschiedenis van de wet geen steun biedt voor een beperkte opvatting van het recht op schadevergoeding, doch uit die geschiedenis veeleer blijkt dat is gedacht aan een recht op volledige schadevergoeding

ABRS 29-2-1996, AB 97, 146 Vertragingsschade stijging bouwkosten

Ter zake van een aanvankelijk geweigerde vergunning wordt het bestuursorgaan veroordeeld voor de stijging van loon en materiaalkosten ().

Buitengerechtelijke kosten

Besluit proceskosten bestuursrecht geldend per 1-1-2007

LJN: BA4063, Rechtbank 's-Hertogenbosch, 17-04-2007 AWB 05/4619  Kosten tijdens bezwaar moeten gevorderd worden.

Op grond van artikel 7:15, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht, worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.  Nu niet is gebleken dat eisers om vergoeding van deze kosten in de bezwaarprocedure hebben verzocht dient het verzoek reeds hierom te worden afgewezen.

LJN: AP1093, Raad van State 09-06-2004, 200305893/1 kostenvergoeding tijdens beroep

In het ter uitvoering van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gegeven Besluit proceskosten bestuursrecht is in artikel 1 bepaald op welke kosten een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht uitsluitend betrekking kan hebben. De door [appellanten sub 2] in hun specificatie opgegeven ?tekstverwerking- en kopieerkosten?, ?vergaderkosten? en de kosten genoemd onder ?diversen? behoren daar niet toe, evenmin als de door Werkgroep Begijnstraat in hun specificatie opgegeven kopieer- en verzendkosten.
De door [appellanten sub 2] in hun specificatie opgegeven reis- en verblijfkosten, alsmede de kosten voor juridisch advies dienen op grond van artikel 2 van het Besluit proceskosten bestuursrecht op de in dit besluit genoemde wijze forfaitair te worden vastgesteld. Overigens is van belang dat, zoals volgt uit de Nota van Toelichting bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (Stb. 1993, 763), een kostenveroordeling niet is bedoeld als volledige schadevergoeding, maar als een tegemoetkoming in de kosten.

LJN: AO6051, Raad van State 24-03-2004, 200105932/1 Asbest. Kosten van voor instellen beroep komen niet voor vergoeding in aanmerking

De Afdeling overweegt ten aanzien van de door appellanten opgevoerde kosten voor het aan hen uitbrengen van het deskundigenrapport van TNO van januari 2000 als volgt. Uit artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, in de versie zoals deze in het onderhavige geval van toepassing is, volgt dat een proceskostenveroordeling uitsluitend mogelijk is in de kosten die een partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Het voornoemde rapport dateert van voor de beroepsfase en komt derhalve niet op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking.

LJN: AR5665, Centrale Raad van Beroep 04-11-2004, 03/4404 MAW geen 15% kostenvergoeding bij asbest

BGK in voorbereidingsprocedure vorderbaar. Asbestgerelateerde letselschadezaken verschillen zozeer van incassozaken, en vragen om een individuele benadering, dat de daarvoor gehanteerde 15%-norm, wat daarvan verder zij, zich niet leent voor overeenkomstige toepassing bij wijze van beleidsregel of vaste gedragslijn.

LJN: AE9500, Rechtbank 's-Gravenhage 07-10-2002, AWB 01/2623 MAWKMA inschakeling expertisebureau bij letsel snel redelijk

Verweerder wenst de kosten van een expertisebureau slechts te vergoeden in zaken waarin de schade niet zonder ingewikkelde berekeningen kan worden vastgesteld (rechtbank Rotterdam, 25 september 1987, VR 1989, 118). De rechtbank is van oordeel dat in letselschadezaken niet snel tot het oordeel kan worden gekomen dat de inschakeling van een expertisebureau niet redelijk is. De gelaedeerde zal over de inschakeling van een expertisebureau zelf moeten beslissen en de kosten daarvan komen voor zijn risico. Bij de beoordeling van de redelijkheid van de inschakeling van een expertisebureau staat centraal de rapportage van het bureau over de in beschouwing te nemen schade-elementen. Gelet op het rapport kon naar het oordeel van de rechtbank door verweerder in redelijkheid het standpunt worden ingenomen dat de inschakeling van een expertisebureau niet noodzakelijk was.
Ten aanzien van de kosten van rechtsbijstand worden partijen verdeeld gehouden over de vraag of verweerder op goede gronden een limitering tot 15% van de eerder aan eiser toegekende schadevergoeding heeft toegepast. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met een limitering van de kosten van rechtbijstand tot 15% over de uitgekeerde schadevergoeding een beleid voert dat niet op voorhand onredelijk kan worden genoemd en zich beweegt binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling.

HR 1999-12-17 NJ 2000, 87 Deskundigenkosten ook in bestuurlijke voorprocedure vorderbaar

De gemeente is verplicht tot vergoeding van de schade veroorzaakt door haar als onrechtmatige daad te kwalificeren besluit; van die schade maken op grond van art. 6:96 lid 2 BW deel uit de redelijke kosten van de door eiser ingeroepen rechtsbijstand. De omstandigheid dat in de geschiedenis van de totstandkoming van art. 8:75 Abw tot uitdrukking is gebracht dat de in een bestuurlijke voorprocedure gemaakte kosten in beginsel voor rekening van de belanghebbende moeten blijven, leidt niet tot een ander oordeel van de burgerlijke rechter.

CRvB 29 mei 1998, AA8780 Kosten voorprocedure alleen bij tegen beter weten in handelen

Kosten in de voorprocedure komen pas voor vergoeding in aanmerking indien de primaire besluitvorming dermate ernstige gebreken vertoont, dat gezegd moet worden dat het bestuursorgaan tegen beter weten in een onrechtmatig besluit heeft genomen. (Bewuste miskenning van de jurisprudentie van de Raad inzake de betaling van wettelijke rente over nabetalingen ).

HR 26-11-1999 of 98, RvdW 1999, 183 De deskundigenkosten in de voorbereidingsfase zijn verhaalbaar indien deze door een voorafgaande onrechtmatige daad zijn veroorzaakt

Het oordeel van de bestuursrechter dat het besluit moet worden vernietigd behoeft niet te impliceren dat niet slechts het besluit zelf maar ook de in het kader van de voorbereidingsprocedure door het bestuursorgaan verrichte handelingen onrechtmatig zijn.
De burgerlijke rechter zal de onrechtmatigheid en de toerekenbaarheid van handelingen die het bestuursorgaan in het kader van de voorbereidingsprocedure heeft verricht derhalve in beginsel zelfstandig dienen te beoordelen. Hij zal daarbij, voor zover de partijen daarop een beroep hebben gedaan, de uitspraak van de bestuursrechter in zijn overwegingen dienen te betrekken.
HR 17-12-1999 Groningen/Raatgever, NJ 2000, 87 RvdW 2000 C
De in de bezwaarfase gemaakte kosten van rechtsbijstand zijn vorderbaar bij een onrechtmatig primair besluit. De kosten in de bestuurlijke voorprocedure zijn niet vorderbaar nu art. 8:75 zich daartegen verzet.

Velsen / De Waard HR 17-11-1989 NJ 90, 746 Deskundigenkosten bezwaarprocedure OD voor 1-1-1994 vorderbaar

Bij vernietiging van een besluit is de overheid in beginsel aansprakelijk. De door de OD ontstane kosten van rechtsbijstand zijn vorderbaar voor zover zij verband houden met de onrechtmatige stellingname van de gemeente en voor zover deze redelijk zijn. De wet geeft geen aanknopingspunt om deze kosten te beperken tot een niveau van art. 56 en 57 Rv.
Kosten van rechtsbijstand in een bestuursrechtelijk geding zijn vorderbaar uit OD per 1-1-1994 geregeld in Algemene Wet Bestuursrecht art. 8:75 AWB
( Noot P.G. Klein: bestuursrecht is dermate gecompliceerd dat ook de kosten gemaakt in de bezwaarschriftenprocedure vorderbaar zijn).

Rente

ABRS 21-07-2010 BN1930 Verschuldigdheid rente ongeacht niet ingediend bezwaar tegen fictief weigeringsbesluit.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 21 november 2001, in zaak nr. 200004709/1 (LJN: AE8221), volgt dat uit de enkele omstandigheid dat door een belanghebbende tegen het niet tijdig nemen van een besluit op aanvraag geen bezwaar en beroep is ingesteld, niet de conclusie kan worden getrokken dat een bestuursorgaan niet aansprakelijk kan worden gehouden voor schade die uit het niet tijdig nemen van een besluit kan voortvloeien.
Dat de staatssecretaris het voorschot te laat heeft verstrekt, kan niet aan de rechtmatigheid van de verstrekking van het voorschot af doen. De door de stichting gestelde schade is ook niet het gevolg van het besluit van 8 maart 2007, maar van het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek om een voorschot.

CRvB 13-11-2008 BG5002 ingangsdatum rente bij niet gebruiken rechtsmiddelen, herzieningsbesluit

Met betrekking tot de ingangsdatum van de wettelijke rente wijst de Raad op zijn vaste jurisprudentie (CRvB 10 november 2005, LJN AU7109, en CRvB 15 december 2005, LJN AU8983) waaruit blijkt dat geen schade behoeft te worden vergoed voor zover deze het gevolg is van het niet tijdig aanwenden van rechtsmiddelen tegen besluiten waarvan naderhand wordt teruggekomen. Nu de raad van bestuur de wettelijke rente heeft vergoed vanaf 28 mei 2002, de datum waarop appellante het verzoek heeft gedaan dat heeft geleid tot het uiteindelijke besluit om de inschaling met terugwerkende kracht aan te passen, heeft de rechtbank reeds hierom besluit 2 terecht in stand gelaten.

 

CRvB 12-03-2008 BC7449 ingang rente maand herziening nabetaling

Onder verwijzing naar CRvB 15 december 2005 (LJN: AU8867, AU8837 en AU 8835) is wettelijke rente slechts verschuldigd ingaande de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin uiterlijk had moeten worden beslist op het door appellant gedane verzoek om herziening, in casu vanaf 1 juli 2003.

CRvB 04-01-2008 BC1948 rente vorderbaar vanaf moment besluit

Het besluit tot toekenning van een WAJONG-uitkering is met terugwerkende kracht is genomen in april of mei 1993. Vanaf dat moment kon appellant om vergoeding van wettelijke rente vragen. Aangezien appellant niet eerder heeft verzocht om vergoeding van de rente in verband met de nabetaalde uitkering dan in 2001 of in 2002, is de vordering verjaard, gelet op het bepaalde in artikel 3:308 BW. Dat appellant niet wist dat rente gevorderd kon worden en te ziek daarvoor was vormt geen grond voor stuiting van de verjaringstermijn.

CRvB 20-12-2007 BC4401 rente verschuldigd vanaf in verzuim zijn

Wettelijke rente is verschuldigd vanaf het moment dat het College in gebreke is om te betalen. Artikel 2.2 van de Verordening voorzieningen gehandicapten 2001 van de gemeente Amstelveen bepaalt dat de gereedmelding door de belanghebbende van de werkzaamheden ten behoeve van een woonvoorziening wordt aangemerkt als een verzoek om vaststelling en uitbetaling van de financiële tegemoetkoming. Uitbetaling volgt wanneer vaststelling heeft plaatsgevonden. De feitelijke uitbetaling van het eerste deel van de tegemoetkoming, € 5.899,22, heeft plaatsgevonden op 2 juli 2003. De eerste dag waarop met betrekking tot het tweede deel van deze vergoeding, ad € 7.324,91, wettelijke rente is verschuldigd dient te worden vastgesteld op 3 juli 2003.

CRvB 28-06-2007 BA9032 Ingang wettelijke rente 8 weken na aansprakelijkstelling

CRvB 01-03-2007 BA0016 Besluit onrechtmatig maar rente pas later toerekenbaar

Appellant erkent de onrechtmatigheid van het besluit van 19 september 1990, maar vindt dat de gevolgen van die onrechtmatigheid veeleer voor risico van betrokkene dienen te komen. Daartoe acht appellant van belang dat de onjuiste vaststelling van het dagloon in het verleden het gevolg is van het feit dat zowel betrokkene als zijn werkgever geen melding hebben gemaakt van bepaalde loonbestanddelen, dat betrokkene destijds geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen de onjuiste dagloonvaststelling en dat betrokkene eerst na zeer geruime tijd om herziening van het dagloon heeft verzocht. Appellant meent eerst ingaande 1 januari 2002 gehouden te zijn wettelijke rente te vergoeden.  Uit de uitspraak van de Raad van 15 december 2005, LJN AU8983, volgt dat het hiervoor weergegeven standpunt van appellant door de Raad wordt onderschreven.

CRvB 31-08-2006 AY8242 Ingang rente op datum dat herzien had moeten worden.

Het besluit van 25 februari 1994 was onrechtmatig, maar de gevolgen van de onrechtmatigheid dienen voor risico van betrokkene te komen. Het dagloon is destijds vastgesteld op basis van de gegevens die door betrokkene en zijn werkgever zijn verstrekt. Betrokkene heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen de dagloonvaststelling en heeft eerst na verloop van acht jaar verzocht om herziening van het dagloon (vgl. CRvB 15 december 2005 AU8835) Appellant had wel binnen de wettelijke beslistermijn op het verzoek van betrokkene van 24 april 2002 moeten beslissen. Door dit eerst op 18 december 2002 te doen is die termijn overschreden. Appellant heeft dan ook terecht besloten ingaande 1 juli 2002 de wettelijke rente over de nabetaling te vergoeden.

CRvB 03-11-2004 AR6102 BW oud enkelvoudig ook voor betalingen na 1992

"In zijn uitspraak van 28 maart 1996, gepubliceerd in JB 1996, 116, en TAR 1996, 102, heeft de Centrale Raad van Beroep overwogen dat, indien sprake is van een tekortkoming die is gelegen in onrechtmatige besluitvorming die heeft plaatsgevonden vóór 1 januari 1992, het aangewezen is aan te knopen bij hetgeen in artikel 1286 (oud) Burgerlijk Wetboek (BW) is neergelegd. Wettelijke rente is pas verschuldigd na een aanmaning tot vergoeding van wettelijke rente. In zijn arrest van 24 oktober 1997, gepubliceerd in RvdW 1997, 205, heeft de Hoge Raad zich bij deze jurisprudentie aangesloten.
Zowel over de nabetaling over de periode vóór 1 januari 1992, als daarna is slechts wettelijke rente verschuldigd is indien de schuldenaar schriftelijk is aangemaand.

CRvB 03-08-2004 AQ7357 BW oud renteingang verzoek tot betaling rente en enkelvoudig einddatum datum betaling

De aanvangsdatum voor de vergoeding van wettelijke rente is terecht gesteld op 7 maart 1990.
De omstandigheid dat de bijschrijving van het bedrag aan wettelijke rente op de rekening van appellante pas op 8 juni 2001 heeft plaatsgevonden kan het bestuursorgaan  bezwaarlijk worden tegengeworpen nu die datum nooit vooraf bekend is, zodat het praktisch gezien ook niet mogelijk is tot de datum van bijschrijving rente te vergoeden. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat gelet artikel 1287 van het BW-oud geen rente op rente wordt berekend.

CRvB 2002-10-03 AF0902 Rente voor 1992 moet aangezegd worden

In het bestuursrecht geldt dat bij de vraag of en in welke omvang de schade die een partij lijdt, voor vergoeding in aanmerking komt, zoveel mogelijk aansluiting dient te worden gezocht bij het burgerlijk schadevergoedingsrecht. Nu het besluit tot nabetaling dateert van voor 1992 en geen aanzegging rente is gedaan komt de wettelijke rente niet vooor vergoeding in aanmerking. Schade wegens vertraging in de uitvoering van een financiële verplichting wordt in beginsel vergoed met de wettelijke rente.
Het fiscale nadeel van de nabetaling valt daar niet onder (HR 08-12-1995 NJ 1997, 163)
Een commissaris-beloning wordt niet uit dienstbetrekking genoten en is derhalve geen loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.

CRvB 2002-10-29 AF1607 Rente over brutouitkering, ingang.

De rechtbank oordeelt dat wettelijke rente moet worden berekend over het brutouitkeringsbedrag. De Raad laat dit oordeel in stand en (3-11-1998 RSV 1999, 20) dat de vergoeding van wettelijke rente, in het geval alsnog een uitkering met terugwerkende kracht wordt toegekend, beperkt is tot het tijdvak dat aanvangt op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de datum van het onrechtmatig gebleken toekenningsbesluit is gelegen en eindigt op de dag waarop de achterstallige uitkering alsnog geheel is nabetaald ).

ABRS 10-07-2002 AE5070 geen rente over onverschuldigde betaling

Er is in dit geval geen publiekrechtelijke grondslag voor het vorderen van wettelijke rente. Weliswaar is in het bestuursrecht het beginsel aanvaard dat wat onverschuldigd is betaald, kan worden teruggevorderd, maar dit beginsel heeft slechts bestuursrechtelijke gevolgen wanneer zijn werking zich doet gevoelen in door het bestuursrecht beheerste verhoudingen (ABRS  21 oktober 1996, ZF2335).
Weliswaar wordt in het Voorontwerp Awb Vierde Tranche van de Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht, Den Haag 1999, in Titel 4.4. een regeling voorgesteld voor bestuursrechtelijke geldschulden, waarin afdeling 4.4.2 bepalingen omvat terzake van verzuim en wettelijke rente, maar hierover heeft de wetgever nog niet beslist.
(zie ook ABRS 06-11-2002 AE9876)

CRvB 28-3-1996, TAR 96, 102 voortgezet onrechtmatig handelen opeisbaarheid

De vraag of wettelijke rente verschuldigd is voor een voortgezet onrechtmatig handelen beginnend voor 1992 moet o.g.v. art. 182 Overgangswet beoordeeld worden naar het oude recht.
Onrechtmatige daad bedrijfsvereniging bestaande in onjuist, door bestuursrechter vernietigd besluit tot terugvordering van AAW/WAO-uitkering. Vordering wettelijke rente over het bedrag van de verschuldigde schadevergoeding. Onmiddellijke opeisbaarheid van de vordering tot vergoeding van - uit haar aard terstond geleden - schade. Wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag waartegen is aangemaand, in casu 15 jan. 1990. Opeisbaarheid van het recht op uitkering irrelevant. Door de vernietiging zijn de uitkeringsbesluiten van voor 1992 onrechtmatig en heeft de belanghebbende steeds per uitkeringsdatum schade geleden, hetgeen betekent dat de vordering tot schadevergoeding telkens wat het te weinig betaalde betreft opeisbaar wordt.(HR 24-10-1997 NJ 1998, 491 RvdW 97, 205; vgl. HR 24-10-1997 RvdW 97, 206 en HR 28-10-1994, RvdW 94, 222).

Wettelijke rente per uitkeringstermijn

In CRvB 16 april 1998, AA8736 (JSV 1998/230), had de Raad zich te buigen over de met ingang van 1 juli 1993 aan artikel 33 van de Wuv toegevoegde verplichting voor het bestuursorgaan tot vergoeding van wettelijke rente bij overschrijding van de voorgeschreven betalingstermijn. In dit geval betrof het de gevorderde rente wegens te late uitbetaling van ingediende declaraties. In verband met de systematiek van toekenning van vergoedingen en tegemoetkomingen op declaratiebasis heeft de Raad op grond van een redelijke uitleg en toepassing van artikel 33 van de Wuv geoordeeld dat sprake is van opeenvolgende toekenningen waarvoor bij te late betaling telkenmale, en niet slechts de eerste keer, de rentevergoedingsverplichting geldt.

ABRS 21-4-1995 JB 95, 146 vertraging, ingang, bruto, na verloop vol jaar, geen andere schade

Aanspraak op wettelijke rente ontstaat vanaf het moment waarop betaling had moeten plaatsvinden indien het vernietigde besluit had geluid zoals dat blijkens de daarop betrekking hebbende rechterlijke uitspraak had behoren te luiden ().
Dit moment is veelal aan het primaire besluit gekoppeld (CRvB 9-1-1996 JB 96, 36 en CRvB 19-12-1996, JB 97, 14)
Voor een eenvormige en praktische rechtstoepassing wordt vaak een fictief moment als uitgangspunt genomen (CRvB 1-11-1995, JB 95, 314).
Wettelijke rente is verschuldigd over bruto bedragen (CRvB 28-6-1996 RSV 97, 15)
Telkens na verloop van een vol jaar is rente op rente verschuldigd (CRvB 19-10-1995, JB 95, 291).
Schadevergoeding wegens de vertraging in de voldoening van een geldsom lost zich op via de wettelijke rente, er is geen ruimte voor zelfstandige vergoeding van de uit de vertraagde betaling beweerdelijk voortvloeiende gederfde winst. (CRvB 16-4-1996, JB 96, 118 en CRvB 29-7-1997, JB 97, 220)

Rente ook over kosten bestuursdwang verschuldigd

Indien de provincie zelf ertoe overgaat het voorhandene weg te nemen, onderscheidt de verplichting van de overtreder om de kosten daarvan te vergoeden zich niet van de in art. 1286 BW bedoelde verbintenis tot betaling van een geldsom. Het Hof heeft daarom terecht aangenomen dat de onderhavige kosten wettelijke interessen kunnen dragen (HR 17 maart 1978, NJ 1978, 562 ).