Formele rechtskracht

zie ook Fictief weigeringsbesluit

Inleiding
Geen gebruik rechtsgang
In stand blijven na gebruik rechtsgang
Kroonberoep
Casuïstisch
Procesrecht
Uitzonderingen op leer
Eigen schuld
Derdenwerking

Inleiding

Wanneer tegen een beschikking een met voldoende waarborgen omklede administratiefrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan dient de burgerlijke rechter ervan uit te gaan dat die beschikking zowel wat haar wijze van tot stand komen als wat haar inhoud betreft in overeenstemming met het recht is. De formele rechtskracht geldt voor de in de administratieve procedure aangevoerde grond van onrechtmatigheid van de beschikking. (HR 16-05-1986, NJ 1986, 723 Heesch Van de Akker).
Van eigenlijke formele rechtskracht is sprake als een besluit in stand is gebleven zonder dat rechtsmiddelen daartegen zijn gebruikt (HR 02-06-1995, NJ 1997, 164, AB 1995, 542).
Van oneigenlijke formele rechtskracht is sprake als een besluit na gebruik van rechtsmiddelen is vernietigd (vgl. Scheltema onder HR 27-05-1994, NJ 1997, 158 Sprangers/Staat).
Van bindende kracht kan gesproken worden als een beluit na gebruik van rechtsmiddelen in stand is gebleven. Het oordeel over de vraag of bestuurlijke besluiten in strijd met het recht zijn genomen, bij de Afd. Rechtspraak berust (AROB HR 24-02-1984, NJ 1984, 669; Kroonberoep HR 06-02-1987, NJ 1988, 926).
Voorkomen moet worden dat de civiele rechter inzake vragen waarover ook de administratieve rechter tot oordelen is geroepen, tot een ander oordeel komt dan deze en dat de civiele rechter zich moet begeven in vragen die typisch tot het werkterrein van de administratieve rechter behoren. Bij bindende kracht wordt ook gesproken over formele rechtskracht (HR 28 mei 1999, NJ 1999, 508)
Het is onwenselijk dat partijen opnieuw zouden moeten strijden over een punt waarover reeds is beslist in een met voldoende waarborgen omklede administratieve rechtsgang (HR 31 mei 1991, NJ 1993, 112) (vgl. Bloembergen onder HR 17-01-1997, NJ 1998, 656 en art. 67 Rv, dat niet rechtstreeks van toepassing is en HR 31-05-1991, NJ 1993, 112, Van Gog/Nederweert: toerekenenbaarheid is door vernietiging gegeven).
Bij bindende kracht kan ook wel gesproken worden van formele rechtskracht maar uitzonderingen zijn dan in beginsel niet mogelijk (vgl. HR 21 april 1995, NJ 1995, 437 en 2 juni 1995, NJ 1997, 164 en HR 28 mei 1999, NJ 1999, 508 Staat/Transol).

Geen gebruik rechtsgang

Rechtmatigheid besluit indien geen beroep ingesteld
Nu betrokkene 'van deze rechtsgang geen gebruik heeft gemaakt, kan de stelling dat de afgifte van het certificaat van deugdelijkheid ten onrechte is geweigerd in het onderhavige geding niet aan de orde komen (HR 19-11-1976, NJ 1979, 216, AB 1978, 243 Semper Crescendo).

Formele rechtskracht besluit impliceert rechtmatigheid
Wanneer tegen een beschikking een met voldoende waarborgen omklede administratiefrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan, dient de burgerlijke rechter, zo deze beroepsgang niet is gebruikt, in geval de geldigheid van de beschikking in het voor hem gevoerde geding in geschil is, ervan uit te gaan dat die beschikking zowel wat haar wijze van tot stand komen als wat haar inhoud betreft in overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen.
Dit geldt in beginsel ook dan, indien dit de burgerlijke rechter ertoe zou nopen aan zijn uitspraak de rechtsgeldigheid ten grondslag te leggen van een beschikking waarvan als vaststaand mag worden aangenomen dat zij, als daartegen tijdig administratiefrechtelijk beroep zou zijn ingesteld, zou zijn vernietigd.
De daaraan verbonden bezwaren kunnen evenwel door bijkomende omstandigheden zo klemmend worden dat op dat beginsel een uitzondering moet worden aanvaard. Of voor zulk een uitzondering plaats is, hangt bijgevolg af van de bijzonderheden van het gegeven geval.
(HR 16-05-1986, NJ 1986, 723 Heesch Van de Akker, vgl. Schelteman bij HR 02-02-1990, NJ 1993, 635 Staat/Bolsius:
Het zou de taakverdeling tussen de rechters verstoren indien de burgerlijke rechter als deze tot een zelfstandige beoordeling van het besluit zou overgaan. Hij houdt het besluit daarom voor rechtmatig, dat wil zeggen hij beoordeelt het op dezelfde wijze als indien er wel beroep op de administratieve rechter zou zijn ingesteld, maar dit ongegrond was verklaard.
Mok/Tjittes RMTh 1995, blz. 385, menen dat het beginsel van de formele rechtskracht berust op een aantal uitgangspunten:
a. voorkomen dat de burgerlijke rechter bij vragen waarover ook de bestuursrechter tot een oordeel is geroepen, tot een ander oordeel komt dan deze (concordantiegedachte);
b. de beoordeling of een besluit in overeenstemming is met het bestuursrecht komt bij toe aan de bestuursrechter (specialiteitsgedachte);
c. het belang van de rechtszekerheid dat niet lang twijfel bestaat over de rechtsgeldigheid van een besluit.

Niet gebruiken rechtsgang geen uitzondering op leer formele rechtskracht
De enkele grond dat betrokkene de beroepsgang tegen de weigeringsbeschikking niet heeft gebruikt omdat zij van mening was daartoe een goede grond te hebben, is niet voldoende om een uitzondering te maken op het beginsel van de formele rechtskracht (HR 30-01-1987, NJ 1988, 90, AB 1988, 43 Nibourg/Zuidwolde; Ook moet de rechtsgang uit worden gelopen. De rechtsgang kan worden voortgezet met het oog op het belang dat de burger bij de uitspraak heeft in verband met een burgerlijk geding strekkende tot verkrijging van schadevergoeding. HR 26-02-1988, NJ 1989, 528, AB 1989, 80 HOT Air/Staat
Zie ook HR 19-06-1998, NJ 1998, 869, AB 1998, 416 Kaveka/Apeldoorn bij niet doorlopen Kroonberoep).

In stand blijven na gebruik rechtsgang

Hoge Raad 19-06-2015 ECLI:NL:HR:2015:1683 Niet nakomen van toezegging staat los van formele rechtskracht

Bij brief van 6 juni 1990 heeft B&W toegezegd de woonbestemming op te nemen in het bestemmingsplan, maar is dat vergeten. Deze grondslag van de vordering houdt niet in dat het uiteindelijk in 1992 tot stand gekomen bestemmingsplan onrechtmatig is jegens [eiser]. De grondslag van de vordering van [eiser] betreft enkel de niet-nakoming van de hiervoor in 3.5.2 genoemde toezegging door het College, welke niet-nakoming tot gevolg heeft gehad dat de kans werd weggenomen of verminderd dat de woning in het vast te stellen bestemmingsplan de bestemming ‘woondoeleinden’ zou krijgen (vgl. HR 13 februari 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC2891, NJ 1981/456 (Heesch/Reijs)). De beoordeling van de vordering op deze grondslag vergt geen beslissing over de rechtmatigheid van het bestemmingsplan. De op die grondslag berustende vordering tot vergoeding van de door deze kansontneming of -vermindering geleden schade stuit dan ook niet af op de formele rechtskracht van het bestemmingsplan.

Formele rechtskracht bij instand blijven besluit
Nu tegen een besluit van de belastinginspecteur bij de Tariefcommissie 'gebruik is gemaakt van een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang, maar daarin niet de vernietiging van dat besluit is uitgesproken, dient de burgerlijke rechter ervan uit te gaan dat het besluit zowel wat zijn wijze van tot stand komen als wat zijn inhoud betreft in overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen (…).
In beginsel moet derhalve uitgegaan worden van de onaantastbaarheid - de formele rechtskracht - van evenvermeld besluit (HR 28 mei 1999, NJ 1999, 508 Staat/Transol).

Formele rechtskracht rechtmatigheidsoordeel handhaving op andere gronden
Een beslissing is nog niet onjuist indien in beroep de beslissing op andere gronden in stand wordt gelaten.
Uitbreiding aan de regel dat een gehandhaafde overheidsbeschikking die vernietigd is een onrechtmatige daad is wordt niet gegeven. Er gaat een onaanvaardbare onzekerheid uit van de rechtmatigheid van overheidsbeslissingen. Het beginsel blijft dat een besluit van een bestuursorgaan geldig blijft indien daartegen een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft opengestaan en die rechtsgang niet is gebruikt of niet tot vernietiging heeft geleid (HR 2-6-1995 RvdW 95, 123). Een beschikking behoudt haar rechtskracht ook als de beschikking op andere dan de daarin vermelde gronden in stand wordt gelaten. (Staat / Bolsius HR 2-2-1990, RvdW 90, 42)
In zo'n geval is onrechtmatigheid niet uitgesloten als de overheid zodanig is te werk gegaan bij de voorbereiding dat zijn handelwijze als onrechtmatig moet worden aangemerkt.
Zie ook HR 7-4-1995, RvdW 95, 93:
In beginsel is een dergelijk besluit rechtsgeldig behoudens indien de daaraan verbonden bezwaren door bijkomende omstandigheden zo klemmend worden dat op het beginsel een uitzondering moet worden aanvaard. (HR 16-5-1986, NJ 86, 723)

Art. 8:70 AWB
Gronden
In een civiele procedure moet van de gronden, waarop een bestuurlijke uitspraak berust, uitgegaan worden (HR 17 januari 1997 RvdW 1997, 24[122]).

Beperking tot onderwerp geschil
Formele rechtskracht ontneemt niet alle waarde aan de stellingen van de belanghebbende (CRvB 7 april 1998, AA8744 USZ 1998, 152[124]) en is beperkt tot het onderwerp van het beslechte geschil (CRvB 11 december 1998, AA8651 RSV 1999, 53[125]).

Kroonberoep

Kroonberoep in strijd met art. 6 lid 1 EVRM
Beslissingsbevoegdheid is inherent aan het in het Verdrag gebruikte begrip ,,rechterlijke instantie'' zelf. De Afdeling geschillen van bestuur RvS brengt slechts een advies uit. Hoewel in de grote meerderheid van de gevallen - zo ook i.c. - dit advies wordt gevolgd, is hier slechts sprake van een niet-bindende praktijk die door de Kroon op elk moment kan worden verlaten. De procedure voor de Afdeling levert mitsdien niet een door art. 6 eerste lid vereiste ,,vaststelling door een rechterlijke instantie'' op (par. 40).
De Kroon is geen ,,rechterlijke instantie'' (organen die gemeenschappelijke fundamentele trekken vertonen)' waarvan onafhankelijkheid en onpartijdigheid en de ,,waarborgen van een rechterlijke procedure'' de belangrijkste zijn. Het KB waarbij de Kroon als hoofd van de uitvoerende macht de beslissing gaf, hield een bestuurshandeling in die afkomstig was van een minister die daarvoor aan het parlement verantwoording verschuldigd was. Bovendien was de minister de hierarchische meerdere van de inspecteur voor de volksgezondheid, die het beroep had ingesteld, en van de Directeur-Generaal van het ministerie, die het technische rapport aan de Afdeling geschillen van bestuur RvS had gezonden. Tenslotte was het KB niet vatbaar voor beroep op een rechterlijke instantie zoals wordt vereist door art. 6 eerste lid. Schending van dit verdragsartikel (par. 43, 44 EHRM 23-10-1995 NJ 1986, 102).

Casuïstisch

Ook formele rechtskracht bij dwangmiddelen
Formele rechtskracht van een besluit tot aanwenden van dwangmaatregelen dient aangenomen te worden, nu daartegen een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft opengestaan ook als daarvan geen gebruik is gemaakt, zodat ervan moet worden uitgegaan dat zij ook wat betreft hun wijze van totstandkoming in overeenstemming zijn met de wettelijke voorschriften (HR 3 november 1995, NJ 1997, 161 Petronella c.s./Rotterdam).

Formele rechtskracht oud salarisbesluit
Een besluit over een verzoek om salarisverhoging met ingang van een datum in het verleden, dient voor wat betreft de periode gelegen vóór het verzoek terughoudend getoetst te worden als een zogenoemde "weigering terug te komen van een rechtens onaantastbaar geworden besluit" en voor wat de betreft de toekomst aan "volle" toetsing onderhevig is. (CRvB 27 augustus 1998, AA8777 (TAR 1999, 2).

Formele rechtskracht beëindigingsbesluit bijstand ook na wetswijziging
Tegen een beëindigingsbeschikking stond in het stelsel van de Algemene bijstandswet zoals deze gold in het tijdvak tussen 1 januari 1996 en 1 juli 1997 bezwaar en beroep open zodat betrokkene die in gebreke is gebleven tijdig bezwaar aan te tekenen gebonden is aan de inhoud van die beslissing (2000-04-28 HR NJ 2001, 144 ).

Procesrecht

Civiele rechter dient uitspraak aan te houden in afwachting administratieve rechter
De eisen van een behoorlijke rechtspleging kunnen meebrengen dat de burgerlijke rechter, teneinde mogelijk tegenstrijdige beslissingen te voorkomen, zijn uitspraak aanhoudt totdat zodanige onherroepelijke beslissing is verkregen; daartoe zal met name grond bestaan in geval te verwachten valt dat bij die beslissing het besluit zal worden vernietigd. De burgerlijke rechter kan ook, in plaats van zijn uitspraak aan te houden, die uitspraak doen onder de voorwaarde van de uitkomst van de administratiefrechtelijke rechtsgang.
Indien beroep tegen het besluit eerst na afloop van de daartoe bij de wet gestelde termijn bij de administratieve rechter is ingesteld en tegen diens uitspraak, houdende niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens termijnoverschrijding, door de wederpartij van het bestuursorgaan hoger beroep is ingesteld, bestaat voor het aanhouden door de burgerlijke rechter van diens uitspraak slechts grond indien te verwachten valt dat de administratieve appelrechter een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens termijnoverschrijding achterwege zal laten op grond dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de wederpartij van het bestuursorgaan in verzuim is geweest, en dat hij het besluit zal vernietigen. Dat laatste is in deze zaak niet gesteld (1995-04-07 HR NJ 1997, 166 ).

Rechtmatigheid EG-besluit formele rechtskracht
In het door het Hof van Justitie ontwikkelde stelsel van rechtsbescherming tegen gemeenschapshandelingen staat voorop dat de geldigheidsbeoordeling van een EG-besluit uitsluitend aan het Hof van Justitie toekomt (HR 10-09-1999, RvdW 1999, 122; vgl. Foto-Frost, HvJ EG 22-10-1987, Jur 1987, p. 4199).
Handelingen of besluiten die in een uit verscheidene fasen bestaande procedure tot stand komen zijn in beginsel slechts voor beroep tot nietigverklaring op de voet van art. 173 EG-verdrag (oud) vatbaar voor wat betreft maatregelen die aan het eind van de procedure het definitieve standpunt van het gemeenschapsorgaan vastleggen en bindende rechtsgevolgen in het leven roepen, dus niet voorlopige maatregelen ter voorbereiding daarvan (HvJ 11-11-1981, Jur 1981 p. 2639).
De nationale kort gedingrechter heeft een beperkte mogelijkheid tot het treffen van voorlopige voorzieningen indien bij hem ernstige twijfel bestaat over de verenigbaarheid van de op een gemeenschapshandeling berustende nationale bestuurshandeling met het gemeenschapsrecht (vgl. HvJ 21-02-1991 Jur 1991 p. I-415).
Hierbij moet worden voldaan aan dezelfde voorwaarden die gelden voor een kort geding voor het HvJ zelf.
De kort gedingrechter kan niet ingrijpen in het besluitvormingsproces dat aan de totstandkoming van een gemeenschapshandeling vooraf gaat.

Uitzonderingen op leer

Uitzondering leer formele rechtskracht bij klemmende omstandigheden
Wanneer tegen een beschikking een met voldoende waarborgen omklede administratiefrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan (zoals die ingevolge de Wet Arob), dient de burgerlijke rechter, zo deze rechtsgang niet is gebruikt, in geval de geldigheid van de beschikking in het voor hem gevoerde geding in geschil is, ervan uit te gaan dat die beschikking zowel wat haar wijze van tot standkomen als wat haar inhoud betreft in overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen. De aan dit beginsel verbonden bezwaren kunnen evenwel door bijkomende omstandigheden zo klemmend worden dat hierop, gezien de bijzonderheden van het gegeven geval, een uitzondering moet worden gemaakt (HR 11-11-1988, NJ 1990, 563 , AB 1989, 81 Ekro/Staat; vgl. HR 14-05-1993, NJ 1993, 641, AB 1993, 503 Aruba/Playa Liquor
De bezwaren tegen het aanvaarden van formele rechtskracht van de beschikking zijn zo klemmend dat er plaats is voor een uitzondering op het beginsel dat van deze rechtskracht moet worden uitgegaan nu:
(i). Als vaststaand mag worden aangenomen dat de Raad van Beroep, zo Playa Liquor beroep zou hebben ingesteld, zou hebben geoordeeld dat de douanerechten ten onrechte zijn betaald en dat de beschikking van de inspecteur strijdig is met de toepasselijke wettelijke voorschriften.
(ii). Reeds eerder, te weten krachtens beschikking van de inspecteur van 15 augustus 1986, is door Playa Liquor betaalde accijns op niet voor consumptie geschikte alcohol aan haar terugbetaald; sedertdien is geen sprake van een beleidswijziging. (Zie ook HR 5-9-1997 Schut / Utrecht RvdW 97, 164).

Niet gebruiken rechtsgang geen uitzondering op leer formele rechtskracht
De enkele grond dat betrokkene de beroepsgang tegen de weigeringsbeschikking niet heeft gebruikt omdat zij van mening was daartoe een goede grond te hebben, is niet voldoende om een uitzondering te maken op het beginsel van de formele rechtskracht (HR 30-01-1987, NJ 1988, 90, AB 1988, 43 Nibourg/Zuidwolde; Ook moet de rechtsgang uit worden gelopen. De rechtsgang kan worden voortgezet met het oog op het belang dat de burger bij de uitspraak heeft in verband met een burgerlijk geding strekkende tot verkrijging van schadevergoeding. HR 26-02-1988, NJ 1989, 528, AB 1989, 80 HOT Air/Staat
Zie ook HR 19-06-1998, NJ 1998, 869, AB 1998, 416 Kaveka/Apeldoorn bij niet doorlopen Kroonberoep).

Niet gebruiken rechtsgang bij vernietigbaar besluit
Hof: Als bezwaren niet tijdig aan de bevoegde administratieve rechter zijn voorgelegd moet de burgerlijke rechter in beginsel uitgaan van de formele rechtskracht van de beschikking. Het feit dat enkele van die bezwaren in een beroepsprocedure over een ander besluit door de administratieve rechter gegrond zijn verklaard kan niet tot een ander oordeel leiden.
Hoge Raad: de burgerlijke rechter dient ook dan de rechtsgeldigheid van een beschikking van een bestuursorgaan aan zijn uitspraak ten grondslag te leggen, indien als vaststaand aangenomen kan worden dat die beschikking zou zijn vernietigd wanneer daartegen tijdig bij de bestuursrechter zou zijn opgekomen. Hier doet zich geen geval voor dat dwingt tot het maken van een uitzondering op die regel. (HR 5-9-1997 Schut / Utrecht RvdW 97, 164)

Niet gebruiken rechtsmiddelen besluit strijdig met recht
Als de justitiabele geen gebruik gemaakt heeft van de administratieve rechtsgang en het besluit rechtskracht heeft gekregen dan is er slechts dan een gehoudenheid tot schadevergoeding indien het gewraakte overheidshandelen flagrante strijd op zou leveren met geschreven of ongeschreven rechtsregels of anderszins volstrekt onhoudbaar zou zijn. (CRvB 28-4-1994 TAR 94, 134 pre AWB situatie)

Arbeidsongeschiktheid
De uitspraak van de Rb. omtrent de arbeidsongeschiktheid van betrokkene in de zin van de WAO kan geen formele rechtskracht hebben voor de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid per dezelfde datum in de zin van de AAW (CRvB 7 oktober 1997 ABkort 1998, 9, vgl. (CRvB 9 december 1996 AB 1997, 163[123]).

Discriminatie betekent geen uitzondering
In beginsel dient uitgegaan te worden van de rechtmatigheid van het besluit tot afwijzing en de totstandkoming daarvan nu dat formele rechtskracht heeft gekregen (vgl CRvB 6 april 2000, JB 2000, 126. Zulks lijdt alleen dan uitzondering, wanneer gedaagde de onrechtmatigheid van het besluit zou hebben erkend dan wel wanneer sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden. Schending van gemeenschapsrecht door discriminatie vormt niet een zodanig bijzondere omstandigheid, dat op grond daarvan niet uitgegaan zou mogen worden van de rechtmatigheid van het besluit.
(2002-07-25 CRvB AF1900 Zie verder EU Hof voor de rechten van de mens 23-10-1985, AB 1986, 1 het Kroonberoep is geen beroep op een onafhankelijke rechter).

Onevenredige belangenschade geen uitzondering leer formele rechtskracht
Een onevenredige belangenschade in strijd met het bepaalde in art. 3:4, lid 2 Awb maakt een besluit dat formeel rechtskracht heeft niet onrechtmatig en doorbreekt de leer van de formele rechtskracht niet. De bestuursrechter is bij uitsluiting van de civiele rechter bevoegd een vordering terzake onevenredige belangenschade te beoordelen, hetgeen in beginsel ook mogelijk is zonder dat tegen het besluit bezwaar is ingediend (2002-12-06 HR AE8182).

Uitzondering bij verwijtbare onduidelijkheid
Indien de overheid de justitiabele verwijtbaar op het verkeerde been heeft gezet kan een uitzondering op de leer van de formele rechtskracht. Niet kan worden aanvaard dat de overheid, die hier een ondoorzichtige en tegenstrijdige situatie heeft geschapen met succes het verweer van onontvankelijkheid zou kunnen voeren (HR 14-05-1993, NJ 1993, 641 Aruba/Playa Liquor).

Uitzondering willekeur
Gemeente heeft erkend dat de in geding zijnde aanslag onroerendgoedbelasting inhoudelijk niet in overeenstemming was met een 21/2 jaar eerder door de HR neergelegde rechtsopvatting. Aanslagen voor latere jaren wel conform arrest. Aanslag al indertijd in strijd met het recht. Geen gevaar dat de burgerlijke rechter een standpunt zal innemen dat afwijkt van dat van de bestuursrechter daarom geen strijd met de rechtszekerheid. Wel sprake van willekeur. daarom reden voor maken van een uitzondering op de genoemde regel (Hof 's-Gravenhage 23-02-1989, NJ 1990, 595).

Bestuursorgaan kan zich beroepen op een uitzondering op de leer van de formele rechtskracht.
Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een vergissing van de inspecteur bij het niet voor administratief beroep vatbare besluit. Ook is niet in geschil hoe de beschikking zonder de verschrijving zou hebben geluid. Ook al kan zij niet worden herzien door een navorderingsaanslag of anderszins is de formele rechtskracht geen rechtsgrond voor een op grond van die beschikking verrichte betaling aan de belastingplichtige. In een zodanig geval is de ontvanger bevoegd het ten gevolge van de misslag door de fiscus te veel betaalde in een procedure voor de burgerlijke rechter als onverschuldigd betaald terug te vorderen zonder dat de inspecteur verplicht is eerst een correctiebeschikking te nemen. De leer van de formele rechtskracht gaat niet zover dat bij een administratieve misslag, een verschrijving die voor de belanghebbende evenzeer kenbaar was terwijl over het onderwerp van de verschrijving geen geschil bestond het besluit gehandhaafd zou moeten worden. (HR 12-09-1997, NJ 1998, 145 RvdW 97, 171).

Uitzondering erkenning van onrechtmatigheid
Wanneer de burger en het overheidslicham het erover eens zijn dat de door het overheidslichaam genomen beschikking onrechtmatig was kan uitzondering op de leer van de formele rechtskarcht aanvaard worden. Voldoende is dat de burger zich op het standpunt stelt dat van onrechtmatigheid sprake is en hij uit de verklaringen en gedragingen van het overheidslichaam begrijpt en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mag begrijpen dat het overheidslichaam die onrechtmatigheid erkent, zodat op dit punt geen geschil bestaat, dat voor beslissing door een administratieve rechter in aanmerking komt. (HR 18-02-1993, NJ 1993, 642, erkenning mag niet snel worden aangenomen, HR 26-02-1988, NJ 1989, 528 HOT Air/Staat)

Onjuiste inlichtingen onafhankelijk van formele rechtskracht staat aan civiele actie niet in de weg
De formele rechtskracht van een beschikking staat niet in de weg aan een vordering waarbij, uitgaande van de rechtmatigheid van de beschikking, de Staat uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk wordt gesteld op grond van het vóór deze beschikking geven van onjuiste, althans onvolledige inlichtingen.
Het moet dan gaan om inlichtingen buiten het bestuurlijk (voor)traject vgl. HR 26-05-2000, NJ 2000, 472 CZG/Schreurs Het Hof heeft voorts terecht geoordeeld dat, bij gebreke van beroep tegen de afwijzing van 28 juli 1988, deze afwijzing formele rechtskracht heeft gekregen. Anders dan onderdeel 1.3 aanvoert, volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 30-01-1987 NJ 1988, 89 , niet dat CZ nochtans aansprakelijk is op de grond dat CZ zich jegens Schreurs op een onjuist standpunt heeft gesteld en derhalve Schreurs onjuist over haar rechten heeft ingelicht. Het onderdeel ziet eraan voorbij dat het in de zaak waarover in voormeld arrest is geoordeeld, anders dan in het onderhavige geval ging om afzonderlijke, naast de vernietigde beschikking gegeven inlichtingen die in het licht van de uitspraak van de Afdeling rechtspraak onjuist waren (HR 29-04-1994, NJ 1995, 727, AA 1994, blz. 675 en HR 20-12-1996, NJ 1997, 278).

Formele rechtskracht voorlichting zelfstandige onrechtmatigheid
De formele rechtskracht van een besluit staat niet in de weg aan een vordering tot schadevergoeding ter zake van verkeerde voorlichting (Staat / Bolsius HR 2-2-1990, RvdW 90, 42)
Idem HR 7-10-1994, RvdW94, 197:
De formele rechtskracht van beschikkingen staat niet in de weg aan een vordering op grond van voorafgaand aan de beschikking gegeven onjuiste informatie die onafhankelijk van de beschikking onrechtmatig is gegeven.

Oordeel straf- en civiele rechter
Het oordeel van de strafrechter en van de civiele rechter bindt de administratieve rechter niet (CRvB 25 mei 1994 AB 1994, 670 en ABRS 22 december 1995 ABkort 1996, 96[126]).

Zuiver schadebesluit en formele rechtskracht
Voor zuivere schadebesluiten moet een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht worden aanvaard in dier voege dat indien geen beroep bij de bestuursrechter is ingediend de burgerlijke rechter een vordering tot schadevergoeding die betrekking heeft op hetzelfde onrechtmatige besluit als waarop het zuivere schadebesluit betrekking had ontvankelijk dient te verklaren. De gemeente is verplicht tot vergoeding van de schade veroorzaakt door haar als onrechtmatige daad te kwalificeren besluit; van die schade maken op grond van art. 6:96 lid 2 BW deel uit de redelijke kosten van de door eiser ingeroepen rechtsbijstand. De omstandigheid dat in de geschiedenis van de totstandkoming van art. 8:75 Abw tot uitdrukking is gebracht dat de in een bestuurlijke voorprocedure gemaakte kosten in beginsel voor rekening van de belanghebbende moeten blijven, leidt niet tot een ander oordeel van de burgerlijke rechter (HR 17-12-1999 NJ 2000, 87 ).

Eigen Schuld

Formele rechtskracht onrechtmatige daad eigen schuld
Indien een besluit rechtskracht heeft gekregen moet in principe van de juistheid van dat besluit uitgegaan worden. Denkbaar is dat eigen schuld kan bestaan in het nalaten beroep in te stellen indien het besluit onmiskenbaar onjuist was. (V&D / Groningen HR 22-11-1985 NJ 1986, 722)

Derdenwerking

HOGE RAAD 13 juli 2007 NJ 2007/504 AZ1598 Onrechtmatige overheidsdaad (bouwvergunning verleend in strijd met planvoorschriften); beginsel formele rechtskracht; uitzondering?; relativiteitsvereiste.

Onjuist is de opvatting dat voor een uitzondering op de formele rechtskracht op grond van de omstandigheid dat aan de overheid valt toe te rekenen dat een belanghebbende heeft verzuimd tegen een besluit op te komen, alleen plaats is indien redelijkerwijs onduidelijkheid kon bestaan over het openstaan van bestuursrechtelijke rechtsbescherming en het bestaan van die onduidelijkheid viel toe te rekening aan de overheid; door de daarin opgenomen beperking tot onduidelijke gevallen gaat zij uit van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft terecht een uitzondering op de formele rechtskracht aangenomen, nu het terecht heeft geoordeeld dat de Gemeente op grond van de bij het betrokken bestemmingsplan behorende planvoorschriften gehouden was Gasunie op de hoogte te stellen van haar voornemen om bij de vergunningverlening af te wijken van het in die voorschriften opgenomen verbod om te bouwen op of in gronden waar op de plankaart een aardgastransportleiding is aangeduid. Geen steun in het recht vindt het betoog dat van aansprakelijkheid van de Gemeente uit onrechtmatige daad jegens Gasunie slechts sprake kan zijn indien de Gemeente m.b.t. het bouwtoezicht in ernstige mate is tekortgeschoten en dat daarvan eerst sprake is indien de Gemeente ter zake van het over het hoofd zien van de aanwezigheid van een aardgastransportleiding een ernstig verwijt treft.

HOGE RAAD 23 februari 2007 NJ 2007/503AX3070 Formele rechtskracht; uitzondering i.v.m. wijziging in jurisprudentie?

Niet aanvaard kan worden dat DNB, die zich in overeenstemming met de destijds geldende jurisprudentie tegenover thans eiser tot cassatie op het standpunt stelde dat deze geen belanghebbende bij het besluit was en hem dienovereenkomstig heeft bejegend, zich in deze procedure onder verwijzing naar de jurisprudentie die zich nadien voltrok (CBB 11 januari 2001, AB 2000, 119) met succes erop zou kunnen beroepen dat eiser wel rechtstreeks belanghebbende bij dat besluit was en dat dit dus ook jegens hem formele rechtskracht had, en daarmee voor hem onaantastbaar was. In het midden kan blijven of de bestuursrechter eiser ontvankelijk zou hebben geacht indien hij binnen een redelijke termijn na publicatie van de uitspraak van het CBB van 11 januari 2000, op de voet van art. 6:11 Awb, alsnog bezwaar en, zo nodig, beroep had ingesteld tegen het besluit. Het feit dat hij dit niet heeft gedaan, brengt in de bijzondere omstandigheden van het geval - waarin eiser ervan is uitgegaan en ervan mocht uitgaan dat hem geen bestuursrechtelijk rechtsmiddel tegen het besluit ten dienste stond, terwijl dit rechtsmiddel alsnog ter beschikking kwam op een moment waarop een voldongen feit was ontstaan als gevolg waarvan hij niet meer in ongedaanmaking van dat besluit was geïnteresseerd, maar nog slechts in schadevergoeding - immers niet mee dat DNB zich erop zou kunnen beroepen dat het besluit in 2000 alsnog jegens eiser formele rechtskracht zou hebben gekregen.

Geen derdenwerking formele rechtskracht bij gebrek waarborgen
Nu voor De Bruin tegen de aan de orde zijnde besluiten geen andere, met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft opengestaan, is de vraag of deze besluiten jegens De Bruin onrechtmatig zijn, niet aan het oordeel van de burgerlijke rechter onttrokken (HR 26-1-2001, AA9665, 64, JB 2001, 44 Dienst Wegverkeer/De Bruin. Auto's).

In omstandigheden ook derdenwerking formele rechtskracht.
Kruit was tegenover de gemeente Zuidwolde contractueel gehouden de koopprijs én de volgens de wet verschuldigde omzetbelasting aan de gemeente te voldoen.
In de verhouding van de Gemeente tot de Staat had de heffing in elk geval wèl formele rechtskracht, zodat aan de verschuldigdheid van omzetbelasting aan de Staat geen twijfel kan bestaan.' Tegenover Kruit was geen sprake van formele rechtskracht, omdat hij niet tegen de heffing van omzetbelasting had kunnen opkomen. De interpretatie van de overeenkomst door het hof, inhoudend dat onder 'de ''volgens de wet verschuldigde omzetbelasting'' ook valt omzetbelasting die verschuldigd is gebleven omdat geen gebruik is gemaakt van de tegen de heffing daarvan openstaande rechtsgang' kan toetsing in cassatie doorstaan.
'Daarbij is van belang dat in dit geding niet is aangevoerd dat de Gemeente ten tijde van de betaling van de omzetbelasting had behoren te beseffen dat deze niet verschuldigd was dan wel dat de Gemeente vóór het verstrijken van de termijn waarbinnen bezwaar kon worden gemaakt, tot het besef is gekomen of had behoren te komen dat een zodanig bezwaar een redelijke kans op succes zou hebben (HR 15-11-1996, NJ 1997, 160 AB 1997, 231 Kruit/Zuidwolde).

Derdenwerking formele rechtskracht
Staat voor derde-belanghebbenden een bestuursrechtelijke procedure open , dan geldt de leer van de formele rechtskracht ook jegens hen. De regel van de formele rechtskracht (HR Heesch/Van de Akker 16-05-1986, NJ 1986, 723) berust op de gedachte dat een doelmatige taakverdeling tussen de administratieve rechter en de burgerlijke rechter geboden is. Wanneer anderen dan degene, tegen wie een beschikking is gericht, het rechtens vereiste belang hebben om gebruik te kunnen maken van een met voldoende waarborgen omklede administratieve rechtsgang, brengt de wenselijkheid van een doelmatige taakverdeling als vorenbedoeld mee dat ook ten aanzien van hen in beginsel dient te worden uitgegaan van de formele rechtskracht van de beschikking indien zij die rechtsgang niet hebben benut.

Derdenwerking onrechtmatige daad ontruiming woning
De burgerlijke rechter dient, wanneer tegen een beschikking een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft opengestaan (zoals die in de Wet Arob en AWB), zo deze beroepsgang niet is gebruikt, in beginsel ervan uit te gaan, dat die beschikking zowel wat betreft haar wijze van totstandkoming als wat haar inhoud betreft in overeenstemming is met de wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen (Zie ook HR 16-5-1986, NJ 86, 723). Deze ook in latere uitspraken van de Hoge Raad tot uitdrukking gebrachte regel berust op de gedachte dat een doelmatige verdeling van de taken van de burgerlijke rechter en de administratieve rechter geboden is.
Wanneer anderen dan degenen tegen wie de beschikking is gericht het rechtens vereiste belang hebben om gebruik te kunnen maken van zo'n rechtsgang brengt de wenselijkheid van een doelmatige taakverdeling mee dat ook ten aanzien van hen in beginsel dient te worden uitgegaan van de formele rechtskracht van de beschikking indien zij die rechtsgang niet hebben benut. (HR 8 september 1995, NJ 1997, 159 , 169, RvdW 95, 169; AB 1996, 57, JB 1995, 249, Utrecht/Budinovski).

Derdenwerking voor aansprakelijke verzekeraar bij art. 90 WAO.
Art. 90 jo. 88 WAO brengen mee dat de rechter die heeft te beoordelen of een recht op verhaal bestaat, niet mag nagaan of voor de bedrijfsvereniging een plicht tot uitkering krachtens de WAO bestond, maar dat hij heeft te aanvaarden dat de beslissing van de bedrijfsvereniging of de beroepsrechter in overeenstemming met de WAO is gegeven.
(HR 23-02-1990, NJ 1991, 574, VR 1990, 147 Centraal Beheer/Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid. Dit arrest lijkt strijdig met HR 26-01-2001, JOL 2001, 64, JB 2001, 44)

[122] HR 17 januari 1997 RvdW 1997, 24
Eis doelmatige verdeling van de werkzaamheden tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter, waarbij het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken een belangrijke rol speelt. Na beroep bij de bestuursrechter, kan eiseres in de procedure voor de burgerlijke rechter haar vordering niet doen steunen op gronden die in de beroepsprocedure aan de orde zijn gesteld.

[123] CRvB 9 december 1996 AB 1997, 163
De Raad is van oordeel dat (...) het enkele feit dat de beslissingen van 3 december 1976 en 29 december 1980 tussen partijen rechtens verbindend zijn geworden niet betekent dat in het onderhavige geval de datum van 1 januari 1977, die blijkens laatstgenoemde beslissing als eisers eerste arbeidsongeschiktheidsdag is vastgesteld, en de vaststelling in de eerstgenoemde beslissing dat gedaagde niet arbeidsongeschikt is op 1 oktober 1976, als onaantastbare gegevens behoren te gelden bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de beslissing.

[124] CRvB 7 april 1998, AA8744 USZ 1998, 152, Formele rechtskracht beperkt
Bij de toetsing van een terugvorderingsbesluit dat voortborduurt op een in rechte onaantastbaar kortingsbesluit, kan niet iedere betekenis worden ontzegd aan hetgeen door een belanghebbende wordt aangevoerd met betrekking tot feiten en omstandigheden waarvan het bestuursorgaan bij het nemen van het kortingsbesluit is uitgegaan.

[125] CRvB 11 december 1998, AA8651 RSV 1999, 53 Beperking formele rechtskracht
De rechtskracht van de in rechte onaantastbaar geworden beslissing met betrekking tot de WAO is beperkt tot het bestaan van een aanspraak op WAO-uitkering op de in de beslissing genoemde datum, terwijl de aan dit besluit ten grondslag liggende feiten en omstandigheden niet van beslissende betekenis zijn voor de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW.

[126] CRvB 25 mei 1994 AB 1994, 670
De administratieve rechter is niet gebonden aan strafrechtelijke bewijswaardering; het baseren van een premievordering uitsluitend op twijfelachtig bewijsmateriaal is een zorgvuldigheidsgebrek, dat leidt tot vernietiging van de premievordering.
ABRS 22 december 1995 ABkort 1996, 96
Afwijzing van het verzoek op de voet van art. 64 Luchtvaartwet onder verwijzing naar het oordeel van de Rb. in een civiele procedure. Er bestond voor verweerder als bestuursorgaan alle aanleiding een onderzoek naar de gebeurtenissen te verrichten alvorens te besluiten op het verzoek om schadevergoeding
ABRS 11 november 1997 NJB 1998, p. 240
Vaststelling belastbaar inkomen door inspecteur niet bindend