Verjaring

Verjaring

Zie ook regresnemers en verjaring in bestuursrecht

Kroniek 2008-08-11 Stuiting en verjaring nog steeds veel onzekerheid C. v. Dijk pdf.

Ingevolge het op 1 februari 2004 in werking getreden vijfde lid van art. 3:310 BW geldt geen absolute termijn meer voor rechtsvorderingen tot vergoeding van schade door dood of letsel. Als de benadeelde nog minderjarig was op het moment dat hij bekend wordt met zijn schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, bepaalt dit artikellid dat op zijn achttiende verjaardag een verjaringstermijn van vijf jaar begint te lopen.

 

Asbest.
Bekendheid.
Kennis van het recht.
Betwiste vordering.
Continuerende vordering.
Hoofdelijkheid.
Koop.
Minderjarigheid.
Onderhandeling.
Productaansprakelijkheid.
Rechten van de Mens.
Redelijkheid.
Schadestaat.
Sexueel misbruik.
Vaststellingsovereenkomst.
Verrekening.
Verzekering.

Stuiting, aansprakelijkstelling, voorlopig deskundigenbericht e.d.
Stuiting Bewijs.
Stuiting Derden.
Stuitng rechtsvordering. daad van rechtsvervolging
Stuiting Verzekeraar.
Waarschuwingsplicht.
WAM.

Wetgeving Letsel

3:310 lid 5 BW  
In afwijking van de leden 1 en 2 verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door letsel of overlijden slechts door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Indien de benadeelde minderjarig was op de dag waarop de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon bekend zijn geworden, verjaart de rechtsvordering slechts door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de benadeelde meerderjarig is geworden.

Asbest

Werkgever asbest verjaring

 

Hof Den Haag 18-12-2012 LJN BY6205 Doorbreking 30 jaar's termijn (zie ook BY6208 en BY7010)

Op basis van HR 28.4.2000 NJ 2000 nr. 430 30-jarige verjaringstermijn doorbroken. Dekking door verzekering weegt mee. Scheepswerven aansprakelijk voor blootstelling in jaren 50 en 60.

7:658 BW 3:310 BW HR 2-10-1998, RvdW 1998, 171 c De verjaring voor asbest is dertig jaar volgens art. 3:310 lid 2 BW.

Dat artikel verwijst weliswaar naar art. 6:175 BW, wettelijke aan­sprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen. Dat heeft echter alleen betrekking op de aanduiding van die stoffen en niet tot vorderingen gebaseerd op de risicoaansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen van art. 6:175 BW. Derhalve geldt de dertigjarige verjaring ook in geval van contractuele vorderingen uit art. 1638x / 7:658 BW.
Zie ook asbest verjaring stuiting Mr N. Frenk VR 97, p. 296, 4.2

Bekendheid

HR 14-11-2014 ECLI:NL:HR:2014:3240 voldoende zekerheid met schade teneinde vordering in te stellen is nodig, niet dat de vordering voor toewijzing vatbaar is, bekendheid met foutief handelen volstaat niet

Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet volstaat. Deze verjaringstermijn begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Het antwoord op de vraag op welk tijdstip de verjaringstermijn is gaan lopen, is afhankelijk van alle terzake dienende omstandigheden. (HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ4850, NJ 2012/193 en HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1688, NJ 2012/194).
Daarnaast geldt niet mede de eis dat (reeds duidelijk is dat) de in te stellen vordering ‘voor toewijzing vatbaar is’.
3.5.3 (...) Allianz betoogt terecht dat bekendheid met gedragingen van [verweerder] die later de oorzaak van de schade blijken te zijn, niet betekent dat de verjaringstermijn een aanvang neemt, nu het in dit verband erop aankomt of de benadeelde met de schade bekend is geworden. De schade waarvan Allianz vergoeding vordert, bestaat erin dat zij haar vordering op GS niet kan verhalen. Het ‘wegsluizen’ van door GS ten behoeve van Allianz ontvangen premiegelden behoeft echter – ook voor zover het daarbij gaat om substantiële bedragen – niet zonder meer een verhaalstekort bij GS tot gevolg te hebben.
Dat de bestuurder onrechtmatig geld aan de gevolmachtigde onttrokken heeft impliceert niet dat bekendheid met schade aanwezig was.

Rb Utrecht 30 mei 2012 BW8487 bekendheid bij vertegenwoordiging door echtgenoot niet toerekenbaar aan patiënt

Van toerekening van subjectieve wetenschap van de vertegenwoordiger aan de vertegenwoordigde kan naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de strekking van de korte verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW en tegen de achtergrond van de hiervoor in 4.2 genoemde rechtspraak, slechts sprake zijn in het geval van wettelijke vertegenwoordiging. Het gaat dan om die gevallen waarin een individu niet in staat kan worden geacht subjectieve wetenschap te verkrijgen danwel te verwerken, althans zijn belangen te behartigen en voor wie de wetgever het instituut van wettelijke vertegenwoordiging in het leven heeft geroepen, zoals bij minderjarigen en in het geval van curatele of bewind. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in (r.o. 3.5 van) het [naam] arrest waarin de Hoge Raad heeft beslist dat de korte verjaringstermijn pas gaat lopen op het moment dat de benadeelde of diens wettelijk vertegenwoordiger voldoende zekerheid heeft gekregen dat het letsel (mede) is veroorzaakt door tekortschietend of foutief medisch handelen.
Hoewel niet uit te sluiten is dat de echtgenoot na het hersenstaminfarct op 16 juli 2001 gedurende zekere tijd heeft opgetreden als de (wettelijk) vertegenwoordiger van [eiseres] als bedoeld in artikel 7:465 lid 3 BW, kan de vraag of daarvan daadwerkelijk sprake is geweest in het midden blijven omdat deze (mogelijke) hoedanigheid van [echtgenoot] geen toerekening met zich brengt van de (mogelijke) subjectieve kennis van [echtgenoot] van [gedaagde] als aansprakelijke persoon aan [eiseres]. Artikel 7:465 BW ziet uitsluitend op vertegenwoordiging van een wilsonbekwame patiënt jegens de hulpverlener in het kader van de geneeskundige behandelingsovereenkomst en bepaalt in welke gevallen de verplichtingen van de hulpverlener jegens de patiënt jegens een ander nagekomen dienen te worden. Deze beperkte strekking van de vertegenwoordiging van de patiënt staat er aan in de weg om de subjectieve kennis van de in artikel 7:465 lid 3 BW genoemde personen die betrekking heeft op het handelen van derden voorafgaand aan het totstandkomen van de geneeskundige behandelingsovereenkomst waarin de wilsonbekwaamheid optreedt, toe te rekenen aan de patiënt.


Rechtbank Den Haag 02 mei 2013 ECLI:NL:RBDHA:2013:9262 geen beroep op subjectieve onbekendheid als gegevens bij politie bekend

Nu de driejarige verjaringtermijn op grond van artikel 10 lid 1 WAM aanvangt op de dag van de aanrijding, mitsdien op 12 maart 2007 en vóór 12 maart 2010 geen stuitingshandeling is verricht, is de vordering jegens verzekeraar verjaard. Verzoekster had aanzienlijk eerder dan vijf jaar voor de stuiting  bekend kunnen en ook moeten zijn met de schade en de voor de aanrijding aansprakelijke persoon door even de politie te benaderen, daarom is ook de vordering tegen de bestuurder verjaard. Volgens HR 3 december 2010 (LJN: BN6241) kan degene die de identiteit van de aansprakelijke persoon met een beperkt onderzoek eenvoudig had kunnen achterhalen, maar dat heeft nagelaten zich ter afwering van een beroep op verjaring niet beroepen op subjectieve onbekendheid met de aansprakelijke partij.

Rb Amsterdam BX4184 hoop op herstel, invloed op begin verjaring, kennis van schade en persoon volstaat

Laserbehandeling op 10 november 2005. Direct na behandeling last van dubbel beeld, en realisatie van een fout t. Op dat moment bekendheid met zijn schade en persoon. Dan begint de verjaringstermijn te lopen. Tot 19/20 oktober 2010 hoop dat het zicht zou herstellen. Voor het gaan lopen van de verjaringstermijn is evenwel niet vereist dat absolute duidelijkheid bestaat ten aanzien van het blijvende karakter van de schade of zelfs dat een medische eindtoestand is bereikt.

Rb Den Haag 23 december 2011, 396122 / HA RK 11-346 bekendheid met schade bij diagnose bakkersastma

Bij onduidelijke lichamelijke klachten is pas sprake van bekendheid als met voldoende zekerheid is vastgesteld waardoor de klachten zijn ontstaan, als de oorzaak door terzake deskundige artsen is gediagnosticeerd (HR 24 januari 2003, NJ 2003, 300). Aangezien een longarts in 1998 al de diagnose bakkersastma (beroepsastma) heeft gesteld en het advies van de longarts en de maatregelen die werden genomen ten behoeve van zijn klachten gericht waren op het veranderen van de werkomgeving was toen sprake van bekendheid. Dat hij weer volledig ging werken na overplaatsing doet daaraan niet af.

HR 11-03-2011 BP1413 verjaring begint bij bekendheid toekomstige schade

Bij beschikking van het bestuursorgaan van 5 september 1990 werd betrokkene bekend met de onrechtmatigheid daarvan en met de toekomstige schade die zonodig met art. 6:105 BW kan worden begroot. Voor het lopen van verjaring is niet van belang dat schade daadwerkelijk is ingetreden. (zie AG voor overwegingen hof).

HR 08-10-2010 BM9615, voor de schuldenaar moet voldoende kenbaar zijn welke vordering is bedoeld

3.5. (…) een stuitingshandeling naar inhoud en strekking (HR 14 februari 1997, nr. 16144, NJ 1997/244) een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar dient in te houden dat hij ook na het verstrijken van de verjaringstermijn ermee rekening moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal opdat hij zich tegen een alsnog ingestelde vordering van de schuldeiser behoorlijk kan verweren.
(…) aan de mededeling die aan de schuldenaar wordt gedaan niet de eis kan worden gesteld dat deze nauwkeurig de vordering moet omschrijven waarvoor de schuldeiser zich het recht op nakoming voorbehoudt met aanwijzing van de correcte juridische grondslag daarvoor (HR 27 juni 2008, nr. C07/039, LJN BD1494, NJ 2008/373).
(…) Voor een voldoende duidelijke waarschuwing is immers noodzakelijk dat voor de schuldenaar kenbaar is welke vordering is bedoeld. Daartoe is in elk geval vereist dat de vordering zodanig is omschreven dat de schuldenaar daaruit kan begrijpen welk recht op nakoming wordt voorbehouden en waartegen hij zich eventueel heeft te verweren. Met zijn oordeel dat in dit geval niet mocht worden volstaan met een "zeer algemene aanduiding" van de vordering heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat Chipshol Forward uit de stuitingsexploten redelijkerwijs niet heeft behoeven begrijpen dat [eiser] c.s. meenden (ook) een vordering uit onverschuldigde betaling in verband met overtreding van effectenrechtelijke voorschriften jegens haar te hebben. (het oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk).

HR 10-9-2010 BM7041 bekendheid met schade pas bij voldoende zekerheid over oorzaak klachten RSI werkgever

Bekendheid van benadeelde met alle schadecomponentenis niet vereist. Voldoende is bekendheid met schade. Als sprake is van lichamelijke klachten waarvan de herkomst niet zonder meer duidelijk is, kan van daadwerkelijke bekendheid met de schade pas sprake zijn wanneer met voldoende mate van zekerheid is vastgesteld waardoor de klachten zijn ontstaan. Het enkele vermoeden van het bestaan van schade volstaat niet.
De verjaringstermijn begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid - die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn - heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon.

HR 3-12-2010 BN6241 3.6: (vervolg Hof 's-Hertogenbosch 23 juni 2009 BJ0460) verjaring subjectieve bekendheid redelijke inspanning vereist, geen terugwerkende kracht 3:310 lid 5 BW minderjarigen / kind

(…) Het verdraagt zich niet met de rechtszekerheid en de billijkheid, die het instituut van de verjaring mede beoogt te dienen, dat de benadeelde door het nalaten van een redelijkerwijs van hem te verlangen, eenvoudig uit te voeren onderzoek naar de identiteit van de aansprakelijke persoon, zou kunnen voorkomen dat de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW een aanvang neemt.
Spier t.a.v. persoon van de schadelijder in 3.43:
"Het is een hele stap om een minderjarige de dupe te laten worden van "tekortkomingen" van zijn ouders/wettelijk vertegenwoordigers waardoor vorderingen wegens zeer ernstig letsel in rook opgaan".
Herhaalt in 3:10 Snijders:
Snijders acht goed invoelbaar dat wie achterover leunt daarvan de consequenties moet trekken, zij het dat het telkens een rechtvaardiging behoeft om in zo'n situatie bekendheid aan te nemen.(9) Verder ondersteunt hij Smeehuizen op gelijke manier in 3.11, du Perrron in 3.12 en Keus in 3.13.

Hof 's-Hertogenbosch 23 juni 2009 BJ0460 verjaring subjectieve bekendheid redelijke inspanning vereist, geen terugwerkende kracht 3:310 lid 5 BW minderjarigen / kind

“Naar het oordeel van het hof brengt het uitgangspunt dat bij de benadeelde subjectieve bekendheid met de aansprakelijke persoon moet bestaan niet mee dat de benadeelde die weet dat een onrechtmatige daad is begaan zich op onbekendheid met de identiteit van die persoon kan beroepen indien hij deze eenvoudig had kunnen achterhalen”. Van moeder mocht redelijkerwijs verwacht worden dat zij enige inspanning zou verrichten.
Niet gesteld of gebleken dat sprake was van een zodanige psychische gesteldheid dat zij gedurende de periode van vijf jaar na het ongeval niet in staat was een vordering in te stellen.

Hof 's-Gravenhage 12 juni 2008 BD8380 arbeidsgerelateerd zijn van klachten impliceert voldoende zekerheid

De korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen (HR 4-4-2008, NJ 2008, 203). Daarvan is sprake als de werknemer voldoende zekerheid heeft, die geen absolute zekerheid behoeft te zijn, dat het letsel (mede) is veroorzaakt door tekortschieten van de werkgever. Daarvoor maakt het niet uit of nog onzekerheid bestond of die klachten al dan niet vallen onder het begrip RSI. Evenmin is in dit geval relevant dat de verwijzende huisarts, de bedrijfsarts en de manueel therapeut geen medische specialisten zijn. Kennis met arbeidsgerelateerd zijn volstaat voor het beginnen te lopen van verjaring.

HR 4-4-2008 BC3569 Daadwerkelijk in staat een vordering in te stellen

De termijn begint pas te lopen zodra de benadeelde voldoende zekerheid - die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn - heeft verkregen dat het letsel (mede) is veroorzaakt door tekortschietend of foutief medisch handelen en daardoor daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen.

RECHTBANK ARNHEM 14 juni 2006 NJF 2006/468 LJN AY5381 Verjaring bij hoofdelijkheid begint te lopen op het moment dat schadeloos is gesteld.

Schadeverzekeraar zoekt regres voor betalingen die zij heeft gedaan aan slachtoffer van aanrijding. De vraag die partijen verdeeld houdt is of deze vordering op grond van art. 3:310 BW is verjaard. De verzekeraar stelt zich ten aanzien van de vraag wanneer de verjaringstermijn is gaan lopen op het standpunt dat zij eerst bekend was met haar schade en de aansprakelijke persoon daags nadat zij de schadevergoeding aan het slachtoffer had betaald. De rechtbank overweegt dat de regresvordering uit hoofdelijkheid opeisbaar wordt op het moment van betaling aan de crediteur. De vraag is dus of de verjaringstermijn van art. 3:310 BW al kon gaan lopen voordat de vordering waarvan thans de verjaring wordt ingeroepen opeisbaar was. Nu art. 3:310 BW er van uitgaat dat de daarin opgenomen verjaringstermijn pas gaat lopen indien de vordering tot vergoeding van schade opeisbaar is, is de verjaringstermijn gaan lopen toen de vordering van de verzekeraar op gedaagden opeisbaar werd.
Artikel 6:11 lid 3 BW geeft een uitzondering op de regel, neergelegd in artikel 6:11 lid 1 BW, dat de medeschuldenaar de verweermiddelen die hij jegens de schuldeiser had, ook kan inroepen tegen de hoofdelijk schuldenaar die een bijdrage verlangt. Voor deze zaak betekent de hoofdregel van artikel 6:11 lid 1 BW dat de gedaagden de verweermiddelen die zij jegens het kind zouden hebben, ook tegen de Noordhollandsche kunnen inroepen. Artikel 6:1 lid 3 BW zondert daar het beroep op verjaring van de vordering van het kind op de gedaagden van uit: die kunnen gedaagden alleen inroepen indien ook de Noordhollandsche zich jegens het kind op verjaring had kunnen beroepen.

HR 20-04-2001 AB1208 Bekendheid impliceert subjectief daadwerkelijk bekend

Aangenomen moet worden dat, mede gelet op de tekst van deze bepaling, het criterium "bekend is geworden" subjectief moet worden opgevat. Het komt er dus op aan dat degene die zich op voormelde verjaringstermijn beroept, stelt en zonodig bewijst dat de schuldeiser daadwerkelijk bekend was met de tekortkoming. Dat neemt evenwel niet weg dat de rechter, indien de schuldeiser zulks betwist, die bekendheid zal kunnen afleiden uit bepaalde ten processe gebleken feiten en omstandigheden.

Rb Zutphen 21-11-1996, VR 98, 8 Verjaring dwarslaesie voorzienbaarheid toekomstschade

Kort na het ongeval wordt een dwarslaesie geconstateerd. Op dat tijstip begon de verjaring voor smartegeld en verlies aan arbeidsongeschiktheid te lopen omdat die posten toen reeds voorzienbaar waren.

Rb Den Bosch 25-11-1994, ongep. Bekendheid amputatie been ziekenhuis

De verjaring ex art.3:310 BW vangt eerst aan op de dag dat de eiser met een redelijke mate van zekerheid kon vermoeden dat er een fout was gemaakt door een derde die hij kon aanspreken. Een eerder vaag vermoeden volstaat daar niet voor.

HR 9-10-1992 RvdW 92, 220 Bekendheid milieu slib schade

Een redelijke uitleg van het in de wet van 31-10-24 bepaalde brengt mee dat de verjaringstermijn in gevallen als de onderhavige niet geacht kan worden eerder in te zijn gegaan dan op de dag volgende op de 31 e december van het jaar waarin aan de benadeelde bekend is geworden dat de grond onder zijn woning is verontreinigd.

Buitenland

Hof Amsterdam 31-7-2012 zaaknr 200.011.713 en 200.019.901 (docx en pdf) verjaring van vordering van de Belgische sociale verzekeraar is onderhevig aan de lex loci

Nu de aansprakelijkheid aan de hand van Nederlands recht moet worden beoordeeld, geldt hetzelfde voor de vraag of de op aansprakelijkheid gebaseerde vordering is verjaard.

 

Kennis van recht

Rb Leeuwarden 16-4-2008 BD0566 relatieve verjaringstermijn niet van kennis van recht afhankelijk

Het is niet vereist dat de benadeelde op de hoogte is van een juridische waardering van de omstandigheden (HR 26 november 2004, NJ 2006, 115).

HR 5-1-2007 LJN nr AY8771 Kennis van feiten nodig bij verjaring, niet van het recht

Het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste opvatting van de maatstaf van bekendheid bij verjaring door beslissend te achten het tijdstip waarop zij ervan op de hoogte waren dat de pensioenregeling in strijd was met art. 119 EG-Verdrag. Immers, zoals is beslist in HR 26 november 2004, nr. C03/270, NJ 2006, 115, is voor het gaan lopen van deze verjaringstermijn niet vereist dat de benadeelde bekend is met de juridische beoordeling van die feiten en omstandigheden.

Hof 's-Hertogenbosch 10 mei 2005 AT6603 C0100391/RO Kennis recht

Wettelijke rente is bedoeld als vergoeding voor het niet tijdig over geld kunnen beschikken, liquiditeitsschade (vgl. HR 8-12-1995 NJ 1997, 163). Belastingschade die ontstaat door het later op een ongeschikt moment ontvangen van de uitkering is anders van aard en niet begrepen in de wettelijke rente dus apart vorderbaar. Het terug moeten betalen van een AAW-uitkering wegens de ontvangen schadevergoeding is geen schade in juridische zin omdat de uitkering onverschuldigd was wegens het niet behoeftig zijn, hetgeen ook het geval zou zijn bij tijdige en correcte schadevergoeding. De belastingschade die ontstaat door het ontvangen van een uitkering is in ieder geval reeds te voorzien op het moment dat de procedure aanvangt. De verjaring daarvoor begint dan ook op dat moment of eerder te lopen. Het moment waarop verjaring begint te lopen, bekendheid met dader en aansprakelijkheid, moet objectief worden beoordeeld en wordt niet beïnvloed door subjectieve juridische onbekendheid met / kennis van het recht op schadevergoeding (vgl. HR 26-11-2004, RvdW 2004, 134).

 

Betwiste vordering

HR 19-02-1999, NJ 2000, 328 stuiting deel geldt voor geheel

Stuiting naar oud BW: dagvaarding deel schade ook voor resterende deel schade daad van rechtsvervolging?
Wanneer een eiser bij dagvaarding een deel van de door hem geleden schade vordert en nadien bij een tweede dagvaarding van dezelfde gedaagde - op dezelfde feitelijke en juridische grondslag - een ander deel, dan geldt de eerste dagvaarding ook met betrekking tot het bij de tweede dagvaarding gevorderde als een "daad van rechtsvervolging" die de verjaring stuit.

Betwisting vordering Kg Deventer 15-12-1994, PrG 96, 4572

Een beroep op verjaring is onverenigbaar met een betwisting van het ontstaan van de schuld. Zie ook PrG 96, 4508 en PrG aflevering 12.

Continuerende vordering

Rechtbank Rotterdam 17 juli 2015 ECLI:NL:RBROT:2015:5084 beroep op voltooide verjaring onaanvaardbaar, berjaring loopt na einde blootstelling

Voor vorderingen tot schadevergoeding op grond van artikel 7:658 BW geldt de verjaringstermijn van 30 jaren als bedoeld in artikel 3:310 lid 2 BW (HR 2 oktober 1998, LJN: ZC2720). Deze termijn begint te lopen na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, in dit geval de laatste blootstelling aan asbest.

HR 11-03-2011 BP1413 verjaring begint bij bekendheid toekomstige schade

Bij beschikking van het bestuursorgaan van 5 september 1990 werd betrokkene bekend met de onrechtmatigheid daarvan en met de toekomstige schade die zonodig met art. 6:105 BW kan worden begroot. Voor het lopen van verjaring is niet van belang dat schade daadwerkelijk is ingetreden. (zie AG voor overwegingen hof)

Hof 's-Hertogenbosch 28-06-2011 BQ9778 elk incident betreft een separate rechtsvordering, geen continuerende vordering

(ro4.31 e.v. ) De grondslag voor de aansprakelijkheid moet in de hoofdprocedure vast komen te staan. Alle geschilpunten over de omvang van de schade kunnen in de schadestaatprocedure aan de orde komen (HR 2 november 1990, NJ 1992, 83, r.o. 3.2, HR 16 mei 2008, NJ 2008, 285, r.o. 3.5.3 en HR 2 oktober 2009, NJ 2009, 478 conclusie AG, randnr. 30). Vanaf het moment van levering in 1995 voldeed de ontsmettingsunit niet aan de overeenkomst. Mogelijk zal deze wel in voldoende mate hebben gefunctioneerd. In de hoofdzaak is door rechtbank en hof geen uitspraak gedaan, ook geen impliciete, over enige tekortkoming van [X.] op een moment vóór juli/augustus 1998.
Vast staat dat de ontsmettingsunit ondeugdelijk was bij het incident van  juli/augustus 1998.
De verjaringstermijn gaat niet lopen vanaf het moment van levering van die machine, maar vanaf het moment waarop zich een concreet schadevoorval voordoet. De grondslag van de aansprakelijkheid betrof het incident van 1998. Een eerder incident is niet aan de orde gesteld in de hoofdzaak. Verjaring trad dus in.

HR 10-09-2010 BM7041 verjaring begint bij eerste schade te lopen en geldt voor overige schade

Verjaring van op grond van art. 7:658 BW tegen werkgever ingestelde vordering tot vergoeding schade als gevolg van RSI-klachten. Om de verjaringstermijn te doen aanvangen is geen bekendheid van benadeelde met alle schadecomponenten vereist. Voldoende is dat benadeelde bekend is met schade die hij lijdt of heeft geleden als gevolg van foutief handelen. Verjaring die op de voet van art. 3:310 BW begint te lopen, geldt mede voor de vordering tot vergoeding van schade waarvan de benadeelde kon verwachten dat hij die als gevolg van datzelfde tekortschietend handelen zou kunnen gaan lijden. Maatstaf verjaring: HR 9 oktober 2009, LJN BJ 4850.

Continuerende vordering verjaart vanaf eerste schade Hof Arnhem, 27-07-2004, AR4647 RvdW 2001, 162

Naar het, in casu toepasselijke, oude recht begint de verjaring van een vordering tot vergoeding van schade o.g.v. onrechtmatige daad te lopen op het tijdstip waarop de schade is geleden, ook al is er sprake van doorlopende schade die nog steeds voortduurt (vgl. HR 19 oktober 2001, NJ 2001, 655). Er is immers geen sprake van afzonderlijke schadeposten die op enig later moment, al dan niet onverwacht, kunnen ontstaan (zoals bijv. kosten van geneeskundige zorg, revalidatie) Er is geen sprake van periodiek ontstane en opeisbare vorderingen als bedoeld in artikel 3:308 BW Ook m.b.t. de immateriële schade moet worden aangenomen dat deze is ontstaan op en dus is geleden op het tijdstip waarop de onrechtmatige daad is gepleegd; daaraan doet niet af dat sprake is van doorlopende schade in die zin dat leed en verdriet voortduren.

Continuerende vordering verjaart vanaf eerste schade HR 19-10-2001 nr. C00/264HR RvdW 2001, 162

Naar het, in casu toepasselijke, oude recht begint de verjaring van een vordering tot vergoeding van schade o.g.v. onrechtmatige daad te lopen op het tijdstip waarop de schade is geleden. Ook m.b.t. de immateriële schade moet worden aangenomen dat deze is ontstaan op en dus is geleden op het tijdstip waarop de onrechtmatige daad is gepleegd; daaraan doet niet af dat sprake is van doorlopende schade in die zin dat leed en verdriet voortduren.

Hoofdelijkheid intern

HR 5-4-2012 BU3784 verjaring bij hoofdelijkheid begint bij voldoening voor meer dan het eigen deel

De vijfjarige verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 begint niet eerder dan de dag nadat de vordering opeisbaar is geworden, ook als eerder al bekend is dat de schade geleden zal worden en wie de aansprakelijke persoon is (HR 10 oktober 2003, LJN AF9416, NJ 2003/680). De vordering uit art. 6:10 ontstaat pas als de hoofdelijke de vordering voldoet voor meer dan wat hem aangaat. Instellen van de vordering kan wel naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn, rechtsverwerking kan hebben plaatsgevonden.

Rb Utrecht 23-7-2008 759236 240057/ HA ZA 07-215 . Verjaring intern vangt aan na betaling

Benadeelde is getrapt door een paard met twee eigenaren. De verjaring van een regresvordering uit hoofdelijkheid vangt aan op het moment dat de vordering opeisbaar is. De vordering is pas opeisbaar op het moment van betaling door de regresnemer aan benadeelde. Enkel tijdsverloop of enkel stilzitten is onvoldoende om een beroep op rechtsverwerking te kunnen rechtvaardigen.

Rb Arnhem 14 juni 2006 NJF 2006/468 LJN AY5381 Verjaring bij hoofdelijkheid begint te lopen op het moment dat schadeloos is gesteld.

Schadeverzekeraar zoekt regres voor betalingen die zij heeft gedaan aan slachtoffer van aanrijding. De vraag die partijen verdeeld houdt is of deze vordering op grond van art. 3:310 BW is verjaard. De verzekeraar stelt zich ten aanzien van de vraag wanneer de verjaringstermijn is gaan lopen op het standpunt dat zij eerst bekend was met haar schade en de aansprakelijke persoon daags nadat zij de schadevergoeding aan het slachtoffer had betaald. De rechtbank overweegt dat de regresvordering uit hoofdelijkheid opeisbaar wordt op het moment van betaling aan de crediteur. De vraag is dus of de verjaringstermijn van art. 3:310 BW al kon gaan lopen voordat de vordering waarvan thans de verjaring wordt ingeroepen opeisbaar was. Nu art. 3:310 BW er van uitgaat dat de daarin opgenomen verjaringstermijn pas gaat lopen indien de vordering tot vergoeding van schade opeisbaar is, is de verjaringstermijn gaan lopen toen de vordering van de verzekeraar op gedaagden opeisbaar werd.
Artikel 6:11 lid 3 BW geeft een uitzondering op de regel, neergelegd in artikel 6:11 lid 1 BW, dat de medeschuldenaar de verweermiddelen die hij jegens de schuldeiser had, ook kan inroepen tegen de hoofdelijk schuldenaar die een bijdrage verlangt. Voor deze zaak betekent de hoofdregel van artikel 6:11 lid 1 BW dat de gedaagden de verweermiddelen die zij jegens het kind zouden hebben, ook tegen de Noordhollandsche kunnen inroepen. Artikel 6:1 lid 3 BW zondert daar het beroep op verjaring van de vordering van het kind op de gedaagden van uit: die kunnen gedaagden alleen inroepen indien ook de Noordhollandsche zich jegens het kind op verjaring had kunnen beroepen.

Koop

HR 29-6-2007 AZ7617 art. 7:23 BW Koop non-conformiteit 2 maands termijn

3.3.4 Wat betreft de lengte van de onder (b) bedoelde termijn is voor het geval van consumentenkoop in de derde zin van art. 7:23 lid 1 bepaald dat kennisgeving binnen een termijn van twee maanden na de ontdekking tijdig is. In het geval van een niet-consumentenkoop dient de vraag of de kennisgeving binnen bekwame tijd is geschied te worden beantwoord onder afweging van alle betrokken belangen en met inachtneming van alle relevante omstandigheden, waaronder het antwoord op de vraag of de verkoper nadeel lijdt door de lengte van de in acht genomen klachttermijn. Een vaste termijn kan daarbij niet worden gehanteerd, ook niet als uitgangspunt.

Minderjarigheid

Rb Limburg, ECLI:NL:RBLIM:2015:653 , vijfjarige verjaringstermijn bij minderjarige niet onredelijk , geen terugwerkende kracht na 2004

Art. 3:310 lid 5 BW is volgens het overgangsrecht alleen van toepassing op gebeurtenissen vanaf 1 februari 2004. De wa-verzekeraar erkende in 2001. De schuldenaar hoeft niet te wijzen op het beginnen te lopen van verjaring. De redelijkheid vereist niet dat artikel 3:310 lid 5 BW terugwerkende kracht krijgt. Het betreft een van het sinds 1992 geldende recht afwijkende bepaling. Dat benadeelde geen verwijt treft de verjaring niet te hebben gestuit is niet van belang evenmin dat de aansprakelijke  niet in een nadeligere bewijspositie is geraakt.
Zie ook rb Overijssel 24-11-2015 C/08/175906 / HA RK 15-148 (fs) niet gepubliceerd.

HR 3-12-2010 BN6241 3.6: (vervolg Hof 's-Hertogenbosch 23 juni 2009 BJ0460) verjaring subjectieve bekendheid redelijke inspanning vereist, geen terugwerkende kracht 3:310 lid 5 BW minderjarigen / kind

(…) Het verdraagt zich niet met de rechtszekerheid en de billijkheid, die het instituut van de verjaring mede beoogt te dienen, dat de benadeelde door het nalaten van een redelijkerwijs van hem te verlangen, eenvoudig uit te voeren onderzoek naar de identiteit van de aansprakelijke persoon, zou kunnen voorkomen dat de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW een aanvang neemt.
Spier t.a.v. persoon van de schadelijder in 3.43:
"Het is een hele stap om een minderjarige de dupe te laten worden van "tekortkomingen" van zijn ouders/wettelijk vertegenwoordigers waardoor vorderingen wegens zeer ernstig letsel in rook opgaan".
Herhaalt in 3:10 Snijders:
Snijders acht goed invoelbaar dat wie achterover leunt daarvan de consequenties moet trekken, zij het dat het telkens een rechtvaardiging behoeft om in zo'n situatie bekendheid aan te nemen.(9) Verder ondersteunt hij Smeehuizen op gelijke manier in 3.11, du Perrron in 3.12 en Keus in 3.13.

 

EHRM 7 juli 2009 C 1062/07 STAGNO v. BELGIUM verjaring voor bereiken meerderjarigheid strijdig met art. 6 lid 1 EVRM.

Na de dood van hun vader krijgen klaagsters een geldsom uitgekeerd van Fortis AG als begunstigden van zijn levensverzekering. De betaling vindt plaats op 2 februari 1987 aan de moeder. Zij haalt een jaar later de spaarrekening leeg. Op het moment dat zij meerderjarig worden maken klaagsters een procedure aanhangig. De rechtbank, hof van Beroep en Hof van Cassatie verklaren de vordering tegen Fortis niet ontvankelijk omdat de toepasselijke verjaringstermijn van drie jaar is verstreken. Het feit dat klagers minderjarig waren op het moment dat de termijn begon te lopen doet daaraan niet af. Klaagsters dienen een verzoekschrift in tegen het Koninkrijk België bij het EHRM omdat zij geen effectieve toegang tot een rechterlijke instantie hebben gehad als gevolg van het feit dat de verjaringstermijn niet is opgeschort in de periode dat zij minderjarig waren en ook niet via een wettelijke vertegenwoordiger een procedure aanhangig konden maken.
Het Hof benadrukt om te beginnen het belang van verjaringstermijnen in verband met de rechtzekerheid en de betrouwbaarheid van bewijs. Het Hof constateert dat klaagsters in casu praktisch gezien geen procedure aanhangig konden maken alvorens zij meerderjarig werden. In deze omstandigheden leidt een dergelijke strikte toepassing van de verjaringstermijnen tot een disproportionele beperking van het recht op toegang tot de rechter.
Het Hof komt met zes stemmen tegen één tot de conclusie dat art. 6 lid 1 EVRM is geschonden en kent een vergoeding toe van 3000 voor immateriële schade.

Dit arrest heeft alleen publiekrechtelijke, geen civielrechtelijke gevolgen.

Onderhandeling

(algemene) verjaring niet gestuit door onderhandelingen; geen strijd redelijkheid en billijkheid

HR 9-4-2010 BL3866 Onderhandeling stuit verjaring niet.

Verjaring niet gestuit door onderhandelingen. Voor stuiting van de verjaring dient een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling als bedoeld in art. 3:317 BW gegeven te worden (HR 1 februari 2002, NJ 2002, 195). Geen strijd met de redelijkheid en billijkheid. Een beroep op art. 6:2 lid 2 BW kan slechts in uitzonderlijke omstandigheden gegrond worden geacht.

Productaansprakelijkheid

Rb Den Bosch 11 juli 2012 BX0848 Bekendheid met niet functioneren impliceert bekendheid met een gebrek

Vordering is gegrond op art. 6:185 BW, zodat deze ex art. 6:191 BW verjaart na 3 jaar nadat de benadeelde bekend is geworden met de schade, het gebrek en de identiteit van de producent. De rechtbank oordeelt dat in 2006 was voldaan aan het criterium ‘bekendheid met het gebrek’ in art. 6:191 BW, nu poederblusser niet functioneerde.

 

Rechten van de Mens

Zie ook Minderjarigheid

EuHof EVRM 11-3-2014 Verjaringsregel voordat schade en aansprakelijke bekend strij met toegang tot rechter

Een Zwitserse werknemer, Moor,  liep mesothelioom op. Na diens overlijden  wees Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zijn nabestaanden een schadevergoeding tegen de Zwitserse staat toe  omdat Zwitserland art. 6 § 1 EVRM, het recht op toegang tot de rechter, had geschonden. Zwitserland kent ter zake de aansprakelijkheid jegens de werkgever een te absolute verjaringstermijn van maximaal 10 jaar. Vast stond dat het slachtoffer pas na het verstrijken van deze termijn de oorzaak van zijn (beroepsgerelateerde) ziekte kon weten. De rechter moest op wettelijke basis  tot verjaring concluderen. De weg tot de rechter was daarom in strijd met het EVRM door de Zwitserse wetgever afgesloten. Het arrest heeft overigens in beginsel geen civielrechtelijke gevolgen.

 

Redelijkheid

Rb. 15 juli 2015 ECLI:NL:RBZWB:2015:4615 beroep op absolute verjaring niet onaanvaardbaar

Mishandelingen bij zijn verblijf in Huize Sint Joseph. Alleen afstand van een beroep op verjaring m.b.t. de kerkelijke klachtenprocedure voor hulp, erkenning en genoegdoening voor geweld tegen minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk. Aan de hand van de zeven gezichtspunten van de Hoge Raad in het arrest 28 april 2000 LJN: AA5635 komt de rechtbank tot het oordeel dat een beroep op verjaring niet onaanvaardbaar is op grond van redelijkheid en billijkheid. Niet is komen vast te staan dat sprake is van verborgen schade. Eiser is 20 jaar later in de periode 1990-1993 onder behandeling geweest van een psychiater voor klachten wegens de gebeurtenissen tijdens verblijf in het jongensinternaat Huize Sint Joseph. Hij heeft vervolgens de Congregatie pas in een brief van 22 april 2010 aansprakelijk gesteld en op 14 mei 2014 een verzoek tot een beslissing in een deelgeschil ingesteld. De termijn tussen 1990-1993 en 2010 acht de rechtbank gelet op het voorgaande niet redelijk. De tijd tussen de aansprakelijkheidsstelling en het instellen van een vordering in rechte vond niet binnen een redelijke termijn plaats.

Rechtbank Rotterdam 17 juli 2015 ECLI:NL:RBROT:2015:5084 beroep op voltooide verjaring onaanvaardbaar, berjaring loopt na einde blootstelling

Voor vorderingen tot schadevergoeding op grond van artikel 7:658 BW geldt de verjaringstermijn van 30 jaren als bedoeld in artikel 3:310 lid 2 BW (HR 2 oktober 1998, LJN: ZC2720). Deze termijn begint te lopen na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, in dit geval de laatste blootstelling aan asbest.

HR 9-4-2010 BL3866 Redelijkheid stuit verjaring slechts in uitzonderlijke omstandigheden

Verjaring niet gestuit door onderhandelingen. Voor stuiting van de verjaring dient een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling als bedoeld in art. 3:317 BW gegeven te worden (HR 1 februari 2002, NJ 2002, 195). Geen strijd met de redelijkheid en billijkheid. Een beroep op art. 6:2 lid 2 BW kan slechts in uitzonderlijke omstandigheden gegrond worden geacht.

 

Rechtbank Breda 27-02-2008 LJN: BC5872, verjaring stuit op redelijkheid

Letselschadezaak, waarin aansprakelijkheidsverzekeraar en slachtoffer langdurig onderhandelen over de als gevolg van een ongeval (verwonding door op hol geslagen paard) geleden schade. Onderhandelingen en verstrekken voorschotten stuiten verjaring niet. In de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat verzekeraar zich op verjaring beroept.
Het beroep op verjaring stuit af op de aanname dat de schuldenaar er rekening mee moest houden dat de schuldeiser, nadat de onderhandelingen geen resultaat opleverden, haar recht op nakoming van schadevergoeding voorbehield. Samengevat: de redelijkheid en billijkheid verzet zich dan tegen een beroep op verjaring.
Het verstrekken van voorschotten levert (dus) volgens de Rb uitdrukkelijk geen erkenning van aansprakelijkheid op in de zin van 3:318 BW, maar kan - zeker als die aansprakelijkheid niet betwist wordt - wel tot een vruchteloos beroep op verjaring leiden.
Als je de inhoud van een deskundigenbericht, in dit geval de onderbouwing voor het trekken van een bepaalde conclusie, aan de kaak wil stellen moet je dat gedurende de looptijd van het uitbrengen van het deskundigenbericht doen en niet later voor de rechtbank.

HR 15 oktober 2004 AP1664 Redelijkheid verhindert geen beroep op verjaring

Voor het buiten toepassing laten van verjaring is strijd met de redelijkheid en billijkheid onvoldoende. Een beroep daarop moet in de omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.

Redelijkheid overheid onrechtmatige informatie aanvang HR 22-9-1995 RvdW 95, 182

De aanvang van de verjaring begint op grond van de wet van 1924 pas te lopen op het moment dat de vordering opeisbaar is. Er is onvoldoende reden om een bijzonder geval aannemelijk te achten zoals in HR 9-10-1992 RvdW 92, 220 aangezien het daarbij alleen milieuschadegevallen betreft althans voor schade die naar hun aard een gedurende lange tijd voor een ieder verborgen karakter hebben, dat voor de opvorderbaarheid een beletsel vormt.
(Fairness can indeed carry decisive weight for attributing a claim. There are signs that this would not be so in case of superannuation. From a point of individual justice it is hard to accept that a claim is prescribed, which the creditor cannot have submitted because of igno­rance of damage and causality with an accident. This however must yield to the fact that legal security demands a fixed period and that the legislating body has seen no reason for exceptions or limitations. Van B. / Diaconessenhuis Eindhoven HR 3-11-1995, RvdW, 95, 229).

Schadestaat

HR 25 januari 2013 BY1071 Geen verjaring niet in hoofdprocedure gestelde schadeposten

Verminderde opbrengst Geraniums geleden in de periode 1995-1998 voor het eerst in de schadestaatprocedure aan de orde gesteld. Volgens vaste rechtspraak dient de hoofdprocedure ertoe dient om de grondslag van de verplichting tot schadevergoeding, zoals in dit geval de tekortkoming, vast te stellen (HR 16 mei 2008, LJN BD1674, NJ 2008/285). In de schadestaatprocedure kunnen slechts die schadeposten aan de orde komen die zijn veroorzaakt door de in de hoofdprocedure vastgestelde tekortkoming. Blijkens art. 615 Rv is echter onverschillig of de schadeposten reeds in de hoofdprocedure waren gesteld, zodat ook nieuwe schadeposten in de schadestaat opgenomen kunnen worden. De verwijzingsrechter kan komen tot het oordeel dat de gestelde schade over de jaren 1995-1998 voortvloeit uit dezelfde tekortkoming als de schade van juli/augustus 1998, hetgeen zou betekenen dat het instellen van de hoofdprocedure de verjaring van de vordering ook heeft gestuit voor zover het de schade over de jaren 1995-1998 betreft.

Seksueel misbruik

Sexueel misbruik aanvang verjaring HR 23-10-1998 RvdW 1998, 190 c

Ook een rechtsvordering voortvloeiend uit sexueel misbruik verjaart na verloop van 5 jaren nadat het slachtoffer de voor het instellen van de vordering benodigde wetenschap heeft verkregen (art 3:310 lid 1 BW) Wanneer een slachtoffer de vordering niet geldend heeft kunnen maken door omstandigheden die aan de debiteur moeten worden toegere­kend (zoals toegebracht psychisch letsel) is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaan­vaardbaar dat deze zich beroept dat de vijfjarige verjaringster­mijn een aanvang heeft genomen op het tijdstip van art 3:310 lid 1 BW. De verjaring begint dan pas te lopen wanneer die omstandigheden het geldend kunnen maken niet meer verhin­deren.

Sexueel misbruik minderjarigheid Rb Groningen 4-4-1997 ongep.

Wanneer het slachtoffer bekend is geworden met schade door sexueel misbruik wordt door subjectieve factoren bepaald. Herinneringen aan misbruikervaringen uit de jeugd komen pas na een latente periode van jaren terug. Het kan dan nog jaren duren voordat het slachtoffer daarover kan praten zodat een lang verwerkingsproces nodig is voordat het slachtoffer tot een afgewogen beslissing kan komen. Dat moment kan het jaar van het beëindigen van de professionele hulpverlening zijn, als het slachtoffer de advocaat benadert.

Seksueel misbruik minderjarigheid incest kind bekendheid schade Hof Den Bosch 8-1-1996 NJ 96, 719

Het strookt niet met een redelijke wetsinterpretatie om bekendheid met de schade aan te nemen wanneer het incestslachtoffer nog niet een zodanige fase van het verwerkingsproces heeft bereikt dat deze tot het nemen van een rechtsmaatregel daadwerkelijk in staat is.

Seksueel misbruik minderjarigheid kind BW 2024 Rb Den Bosch 20-4-1995 Kort Geding 95, 212

Verjaring begint pas te lopen op het moment dat de benadeelde met de schade bekend is. Daaraan is pas voldaan als de benadeelde kan beseffen dat het hem / haar aangedane leed tot vermogensschade leidt en ook in staat is om aan dat leed en de daardoor geleden schade uiting te geven, hetgeen het geval is op het moment van het doen van aangifte.

Vastellingsovereenkomst, voorbehoud

Rb Den Bosch 27 februari 2013 BZ290 vaststellingsovereenkomst met voorbehoud: verjaring loopt op moment bekendheid voordoen schade die is voorbehouden

Voorbehoud impliceert nakoming van een verbintenis na onbepaalde tijd als bedoeld in art. 3:307 lid 2 BW. Schade in 1985 afgewikkeld met voorbehoud voor belangrijke verslechtering ten opzichte van expertise in 1982. 20-jarige verjaringstermijn is niet gaan lopen op moment ondertekening vaststellingsovereenkomst maar op moment van bekend worden met schade in 2007. Eerst toen kon hij immers, zoals overeengekomen in de vaststellingsovereenkomst, de schade opeisen.

 

Verrekening

Verrekening bank rekening courant 6:131 BW Hof Amsterdam 5-12-1996, NJ kort, 96, 10

De verrekeningsbevoegdheid na verjaring ex art. 6:131 BW gaat alleen op voor vorderingen die bestonden op het moment van de verjaring.

Verzekering

zie ook C. v. Dijk pdf, PIV-Bulletin 2011, 6 De nieuwe verjaringsregeling in het verzekeringsrecht: de ervaringen van het eerste jaar

Na 1-7-2010

Art. 7:942 BW

1.       Een rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering verjaart door verloop van drie jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de tot uitkering gerechtigde met de opeisbaarheid daarvan bekend is geworden.
2.       De verjaring wordt gestuit door een schriftelijke mededeling, waarbij op uitkering aanspraak wordt gemaakt. Een nieuwe verjaringstermijn van drie jaren begint te lopen met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de verzekeraar hetzij de aanspraak erkent, hetzij ondubbelzinnig heeft medegedeeld de aanspraak af te wijzen.
3.       Bij verzekering tegen aansprakelijkheid wordt de verjaring in afwijking van lid 2, eerste zin, gestuit door iedere onderhandeling tussen de verzekeraar en de tot uitkering gerechtigde of de benadeelde. In dat geval begint een nieuwe verjaringstermijn van drie jaren te lopen met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de verzekeraar hetzij de aanspraak erkent, hetzij ondubbelzinnig aan degene met wie hij onderhandelt en, indien deze een ander is, aan de tot uitkering gerechtigde heeft medegedeeld dat hij de onderhandelingen afbreekt.

Overgangsrecht
wetsvoorstel 31518: indien voor het tijdstip van het in werking treden van het voorstel tegen de verzekeraar een rechtsvordering tot het doen van een uitkering is ontstaan, is lid 4, dat vernummerd wordt naar lid 3, slechts van toepassing indien na het inwerkingtreden van het wetsvoorstel per 1 juli 2010, een daad van onderhandeling plaatsvindt.   

Verjaring in het nieuwe verzekeringsrecht, art. 7:942 BW

C. Visser, 13 april 2006
Algemeen
Ingang nieuw verzekeringsrecht 1-1-2006. Op vele punten afwijkend van de algemene BW-verjaring.
Termijn
De verjaringstermijn is drie jaar. BW 3:307 geeft 5 jaar. Polistermijnen 1 jaar.
Bijzondere termijn van 6 maanden na aangetekende afwijzing met verwijzing naar verjaringsgevolg.
Ten nadele van verzekerde kan niet worden afgeweken (7:943 lid 2).
Ingang
Dag volgend na bekendheid van het opeisbaar worden. Verschil met BW: Bekendheid = subjectief, BW is objectief.
Aansprakelijkeidsverzekering
Verschillende “rubrieken”
-           Rechtsbijstand opeisbaar voordat aansprakelijkheid is gevestigd, aansprakelijkheid
-           Aansprakelijkheid opeisbaar nadat tegenpartij zijn vordering indient (niet in rechte opeist).
Dat betreft verschillende momenten van ingang opeisbaarheid.
Bij aansprakelijkheidsverzekeringen verbijzondering met 6 maanden nadat tegenpartij vordering indient:
-           koppeling met BW verjaring dus maximum 5,5 jaar (evt. 20,5 jaar),
-           indien ingediend voordat 2,5 jaar zijn verstreken dan gewoon drie jaar.
Stuiting
Geen absolute verjaringstermijn dus tot in eeuwigheid is verjaring stuitbaar.
Minder zware eisen aan stuiting, alleen mededeling dat je aanspraak maakt.
Stuiting is een duurstuiting behalve
-           als de verzekeraar de aanspraak erkent
-           als de verzekeraar afwijst
Dan begint een nieuwe termijn te lopen.
Conclusie altijd of de aanspraak van verzekerde erkennen of gelijk afwijzen.
Overgangsrecht
Zelfde situatie als in 1992, dus indien verzekeraar in 2005 afwijst verjaart de vordering na 1 juli 2006 (art 68 e.v. OW).
Polissen kennen vervaltermijnen. Indien vervallen na 1-1-2006 kan de verjaring toch gestuit worden.
Natuurlijke verbintenis
Verjaring heeft betrekking op een rechtsvordering. Een rechtsvordering is het gevolg van een verbintenis die een rechtsgevolg, een rechtsvordering, veroorzaakt. Die niet afdwingbare natuurlijke verbintenis wordt niet beïnvloed door verjaring, alleen het rechtsgevolg. Betaling na verjaring is voldoen aan natuurlijke verbintenis en is geen onverschuldigde betaling.
Verrekening
Verjaring staat aan verrekening niet in de weg (6:131 BW).
Opschorting prestatie
Debiteur mag prestatie opschorten zolang crediteur verjaarde vordering niet betaalt (6:56 BW).
Hoofdelijkheid
Bij hoofdelijkheid kan je je niet op verjaring jegens de medehoofdelijke beroepen als die zich niet op verjaring had kunnen beroepen (6:11 lid 3).


Artikel 942 geldend tot 1-7-2010
1.   Een rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering verjaart door verloop van drie jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de tot uitkering gerechtigde met de opeisbaarheid daarvan bekend is geworden. Niettemin verjaart de rechtsvordering bij verzekering tegen aansprakelijkheid niet voordat zes maanden zijn verstreken nadat de vordering waartegen de verzekering dekking verleent, binnen de voor deze geldende verjarings- of vervaltermijn is ingesteld.
2.   De verjaring wordt gestuit door een schriftelijke mededeling, waarbij op uitkering aanspraak wordt gemaakt. Een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de verzekeraar hetzij de aanspraak erkent, hetzij bij aangetekende brief ondubbelzinnig heeft medegedeeld de aanspraak af te wijzen onder eveneens ondubbelzinnige vermelding van het in lid 3 vermelde gevolg.
3.   In geval van afwijzing verjaart de rechtsvordering door verloop van zes maanden.
Artikel 943
1.   Van de artikelen 931, 932, 935 lid 2, 936 en 939 kan niet worden afgeweken.
2.   Van de artikelen 933, eerste zin, 937, 940 leden 1, 3 en 5, 941 leden 1, 2, 4 en 5 en 942 kan niet ten nadele van de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde worden afgeweken.
3.   Van de artikelen 928 tot en met 930, 934 en 940 leden 2 en 4 kan niet ten nadele van de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde worden afgeweken indien de verzekeringnemer een natuurlijk persoon is en hij de verzekering sluit anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

Hof Amsterdam 21 juni 2012 BR2125 art. 7:942 BW Overgangsrecht bij verzekering, verkorting redelijk. Bewijslast ontvangst. Reactie verzekeraar niet nodig bij overgangsrecht.

Stuiting door advocaat op 29 april 2004. Het nieuwe verzekeringsrecht trad op 1 januari 200 in werking. Volgens art. 73 Ow bleven de oude verjaringsregelen nog tot 1-1-2007 gelden, waarna de termijn van art. 3:317 lid 1 BW tot drie jaar verkort werd tot drie jaar,. De bewijslast van de ontvangst ligt volgens de hoofdregel van art. 150 Rv op degene die zich daarop beroept. Met bewijs verzending staat ontvangst niet vast. Verzekeraar behoefde niet met een ondubbelzinnige afwijzing en verwijzing naar het verjaren te reageren na 29-4-2004 omdat het nieuwe recht nog niet van toepassing was. De nakomingsvordering is gegrond op de a.o. op 1 maart 2001. Niet art. 3:308 BW geldt maar art. 7:942 BW. Een beroep op strijdigheid met de redelijkheid ivm art. 75 Owheeft geen gevolg. Betrokkene was rechtskundig vertegenwoordigd, een uitsteljaar was van toepassing.

Rb Utrecht 10-8-2010 BT7577 verjaring bij kennis feiten in oude recht, opzet

4.3.  De termijn van drie jaar in de verjaringsclausule gaat lopen op de dag dat de verzekerde ([eiser]) kennis kreeg van de gebeurtenis. Anders dan [eiser] meent, is deze gebeurtenis zonneklaar de brand van 1 januari 2000 en niet diens aansprakelijkstelling van 8 december 2004. Dit volgt uit de tekst van de polis en de bijbehorende voorwaarden. Het op het nieuwe verzekeringsrecht gebaseerde beroep van [eiser] op subjectivering van het aanvangsmoment van de verjaringstermijn kan hem dus niet baten. Daar komt bij dát het voor [eiser] subjectief duidelijk was dat de brandstichting tot schade had geleid en tot een schadevergoedingsplicht van hem kon leiden. Dat blijkt uit zijn verklaring bij de politie (genoemd in 2.3).
Op de verjaringsregels in het nieuwe verzekeringsrecht van 2006, met name art. 7:942 lid 1 BW, wil de rechtbank in de onderhavige zaak niet anticiperen, omdat dit recht een duidelijke cesuur inhoudt met het op deze zaak van toepassing zijnde, voordien geldende verzekeringsrecht.
Uit de verklaringen van de veroordeelden, zoals in het geding gebracht, volgt in niet mis te verstane bewoordingen dat zij erop gericht waren met vuurwerk brand te stichten, dat zij hebben geconstateerd dat dit was gelukt en dat zij zich toen uit de voeten hebben gemaakt, zonder wie dan ook nog te waarschuwen.
(Bij verval kan de verjaring beginnen te lopen bij de ontvangst van de aansprakelijkstelling RvT, VI-92/1)

HR 5-10-2007 NJ 2008, 57 Beroep op verval alleen bij belangenschade

Bij de beoordeling daarvan moet worden vooropgesteld dat op 1 januari 2006 titel 17 van boek 7 BW in werking is getreden. Deze titel is krachtens het toepasselijke overgangsrecht niet in de onderhavige zaak van toepassing. Reeds ten tijde van de schademelding gold een ongeschreven rechtsregel die overeenstemt met de bepaling van het vierde lid van het nadien ingevoerde art. 7:941. Gelet op de ernstige consequenties die een geslaagd beroep op een vervalbeding voor de verzekerde heeft, in samenhang bezien met de per 1 januari 1992 sterk ingekorte verjaringstermijnen, moet worden geoordeeld dat art. 7:941 lid 4 is aan te merken als de vastlegging van de reeds naar oud recht gegroeide rechtsovertuiging op dit punt. Dit strookt met hetgeen naar oud recht door de meerderheid van de rechtsgeleerde literatuur werd geleerd. Ook aan het arrest van de Hoge Raad van 17 februari 2006, NJ 2006, 378, ligt deze opvatting al ten grondslag.


HR 14-5-2004 NJ 2006, 188 beroep op verval alleen na vooraankondiging

In verband met de in Nederland levende rechtsovertuiging en HR 12 januari 1996, NJ 1996, 683 en met wat is af te leiden uit uitspraken van de Raad van Toezicht op het Schadeverzekeringsbedrijf, is een beroep door een verzekeraar op een in de verzekeringsvoorwaarden opgenomen vervalbeding, ook als de vervaltermijn een jaar is, in redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar als de verzekeraar bij de weigering van betaling op niet mis te verstane wijze mededeelde dat hij een beroep op het vervallen van de aanspraak zal doen als de vordering niet binnen de genoemde termijn voor de bevoegde rechter aanhangig is gemaakt, ongeacht of de verzekerde rechtsbijstandverzekeraar heeft laten bijstaan.

Stuiting

Artikel 3:37 lid 3 BW bepaalt dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring die persoon moet hebben bereikt om haar werking te hebben. De bewijslast hiervan rust op degene die zich op de gevolgen van de verklaring beroept. Niet nodig is dat de ontvanger daadwerkelijk van de verklaring heeft kennisgenomen.
De datum ontvangst is dus bepalend voor stuiting

Aansprakelijkheidstelling, voorlopig deskundigenbericht, maken voorbehoud e.d.

HR 9 september 2011 BQ5700 klacht bij Nationale Ombudsman stuit niet

HR 28-10-2011 BQ7063 Informeren naar standpunt kan in omstandigheden stuiten

Indien in een brief slechts wordt geïnformeerd naar het standpunt van een betrokkene is dat op zich niet het maken van een voorbehoud en daardoor lijkt de brief geen rechtsgeldige stuitingshandeling. In het kader van eerdere correspondentie over de aansprakelijkheid, de pogingen om een minnelijke regeling te bereiken, een verzoek om uitstel ovan reactie op de brief en het daarmna doen van een schikkingsvoorstel is
de brief te beschouwen als een rechtsgeldige stuitingshandeling.

Rb 16-7-2008 BD9019 voorwaardelijke aanspraak stuit niet

De rechtbank verwerpt beroep op nietigheid van de dagvaarding wegens een verkeerd adres nu deze gedaagde nog voor de zittingsdatum heeft bereikt en hij vervolgens ook in rechte is verschenen. Adecco had aan KBC niet te kennen gegeven dat zij zonder meer niet aansprakelijk was voor de schade. De brief van KBC was derhalve, gezien de inhoud ervan en gezien de voorafgaande correspondentie, mede op gericht om met Adecco in gesprek te komen omtrent de vergoeding van de schade. De mededeling dat KBC voor 26 juli betaling wenste te ontvangen, gold slechts voor het geval dat Adecco geen gronden aanwezig achtte om de vordering van KBC te weerspreken. KBC maakte derhalve geen onvoorwaardelijke aanspraak op betaling van het gevorderde. De brief kan om die reden niet worden beschouwd als een aanmaning in de zin van artikel 3:317 BW. Nu zij evenmin een mededeling is waaruit blijkt dat KBC zich ondubbelzinnig het recht op nakoming voorbehoudt, heeft door deze brief geen stuiting van de verjaringstermijn plaatsgevonden.

HR 24-11-2006 AZ0418 stuiting in de zin van art 3:317 BW stuit de WAM-verjaring

De verjaring is rechtsgeldig gestuit door een brief van de belangenbehartiger. De Raad overweegt dat volgens art. 3:317 lid 1 BW de verjaring van een rechtsvordering wordt gestuit door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. In genoemde brief wordt gesteld dat de bestuurder aansprakelijk is, dat de klachten door het ongeval ontstonden en dat de WAM-verzekeraar wordt verzocht tot betaling over te gaan. De brief laat geen andere uitleg toe dan dat benadeelde zich ondubbelzinnig het recht op nakoming heeft voorbehouden als bedoeld in art. 3:317 lid 1 BW, aldus de Raad.

Rb Amsterdam 19-7-1995 NJ 96, 543 Stuiting aansprakelijkstelling 73 Overgangswet

In 1992 kon ingevolge art.73 OW NBW verjaring nog gestuit worden door een ondubbelzinnig voorbehoud van het recht op nakoming. Het volstaat niet dat aansprakelijk wordt gehouden of verzocht wordt het standpunt te herzien, dat is een onderhandelingssituatie en geen voorbehoud.

Stuiting, bewijs

Hof 28-10-2014 ECLI:NL:GHSHE:2014:4450 vordering wegens niet aanzeggen rente verjaard

De dag waarop [appellant] bekend is geworden met de schade en met de daarvoor aansprakelijke persoon kan op het laatst gesteld worden op 14 april 2004 toen de rechtbank oordeelde dat de wettelijke rente niet aan advocaaat 1 is aangezegd. Of sprake is van eerdere bekendheid is niet van belang omdat ook als de verjaringstermijn van vijf jaren pas is gaan lopen op 14 april 2004 de vordering verjaard is. Er is geen sprake van stuiting bij brief van 9 augustus 2004 omdat daarin alleen de wettelijke rentevordering jegens een andere partij werd gestuit. Een terloopse opmerking over een voorbnehoud voor alle rechten is daartoe onvoldoende. De betrokkene ontkent de brief waarin de vordering wel is gestuit te hebben ontvangen. Op appellant rust de bewijslast van de verzending (HR 20-12-2013, ECLI:NL:HR:2013:2064), heeft geen bewijsaanbod gedaan en ook in eerste aanleg niet gespecificeerd aangeboden om te bewijzen dat zij de brief van 6 maart 2007 daadwerkelijk heeft verzonden. De verzending van deze brief is dus niet komen vast te staan, zodat zij in de onderhavige procedure niet als stuitingshandeling kan gelden.

Stuiting verjaring aanmaning bewijs partijgetuige incasso BW 3:307 BW 3:317 Kg 7-10-1998, PrG 98, 5094

Nauwgezette administratie van aanmaningen op de verschillende woonadressen door een incassobureau maken het voldoende aannemelijk dat verjaring gestuit is. Het aanbod van de gedaagde partij om onder ede te verklaren niet aangemaand te zijn wordt gepasseerd omdat deze met zijn verklaring geen volledig bewijs kan leveren.

Derden

Hof 28-10-2014 ECLI:NL:GHSHE:2014:4450 vordering wegens niet aanzeggen rente verjaard

De dag waarop [appellant] bekend is geworden met de schade en met de daarvoor aansprakelijke persoon kan op het laatst gesteld worden op 14 april 2004 toen de rechtbank oordeelde dat de wettelijke rente niet aan advocaaat 1 is aangezegd. Of sprake is van eerdere bekendheid is niet van belang omdat ook als de verjaringstermijn van vijf jaren pas is gaan lopen op 14 april 2004 de vordering verjaard is. Er is geen sprake van stuiting bij brief van 9 augustus 2004 omdat daarin alleen de wettelijke rentevordering jegens een andere partij werd gestuit. Een terloopse opmerking over een voorbnehoud voor alle rechten is daartoe onvoldoende. De betrokkene ontkent de brief waarin de vordering wel is gestuit te hebben ontvangen. Op appellant rust de bewijslast van de verzending (HR 20-12-2013, ECLI:NL:HR:2013:2064), heeft geen bewijsaanbod gedaan en ook in eerste aanleg niet gespecificeerd aangeboden om te bewijzen dat zij de brief van 6 maart 2007 daadwerkelijk heeft verzonden. De verzending van deze brief is dus niet komen vast te staan, zodat zij in de onderhavige procedure niet als stuitingshandeling kan gelden.

Rb Den Bosch 11 juli 2012 BX0848 aanmaningsbrief moet van schuldeiser afkomstig zijn

Een aanmaningsbrief heeft slechts de stuiting van de verjaring tot gevolg indien deze afkomstig is van de schuldeiser (3:317 BW). Als op het moment van stuting door de benadeelde de vordering al door subrogatie is overgegaan op de verzekeraar, dan sorteert dat geen effect voor de verzekeraar.

HR 3-12-2010 ECLI:NL:HR:2010:BO0183 Voor stuiting door een rechtsvordering volstaat dat deze aan de zijde van de eiser is ingesteld.

(vgl. HR 2 maart 2001, nr. C99/141, LJN AB0379, NJ 2001/304). Let op de letter van de wet voor verschil aanmaning en instellen rechtsvordering

HR 08-10-2010 BM9615, voor de schuldenaar moet voldoende kenbaar zijn welke vordering is bedoeld

3.5. (…) een stuitingshandeling naar inhoud en strekking (HR 14 februari 1997, nr. 16144, NJ 1997/244) een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar dient in te houden dat hij ook na het verstrijken van de verjaringstermijn ermee rekening moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal opdat hij zich tegen een alsnog ingestelde vordering van de schuldeiser behoorlijk kan verweren.
(…) aan de mededeling die aan de schuldenaar wordt gedaan niet de eis kan worden gesteld dat deze nauwkeurig de vordering moet omschrijven waarvoor de schuldeiser zich het recht op nakoming voorbehoudt met aanwijzing van de correcte juridische grondslag daarvoor (HR 27 juni 2008, nr. C07/039, LJN BD1494, NJ 2008/373).
(…) Voor een voldoende duidelijke waarschuwing is immers noodzakelijk dat voor de schuldenaar kenbaar is welke vordering is bedoeld. Daartoe is in elk geval vereist dat de vordering zodanig is omschreven dat de schuldenaar daaruit kan begrijpen welk recht op nakoming wordt voorbehouden en waartegen hij zich eventueel heeft te verweren. Met zijn oordeel dat in dit geval niet mocht worden volstaan met een "zeer algemene aanduiding" van de vordering heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat Chipshol Forward uit de stuitingsexploten redelijkerwijs niet heeft behoeven begrijpen dat [eiser] c.s. meenden (ook) een vordering uit onverschuldigde betaling in verband met overtreding van effectenrechtelijke voorschriften jegens haar te hebben. (het oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk).

Rb Maastricht 12-08-2009 BK0187 aanspraak van Orion Direct BV stuit vordering van Orion Direct Nederland B.V. niet

Orion Direct eiste een uitkering aan een benadeelde op de WAM-verzekering terug omdat de bromfiets zou zijn opgevoerd. De rechter oordeelde dat niet Orion Direct BV, maar Orion Direct Nederland BV de rechthebbende was en wees de vordering van de hand. In deze zaak oordeelde de rechter dat Orion Direct Nederland BV in tegenstelling tot Orion Direct BV niet tijdig een aanspraak had ingediend en niet gestuit had waardoor de vordering was verjaard.

Rb Arnhem 30-12-08 bc3892 stuiting geldt alleen degene die stuitte

Dat een derde een procedure tegen de verzekeraar begon maakt niet dat de vordering van de benadeelde tegen die verzekeraar gestuit is.

HR 04-12-1998, NJ 1999, 269 HR: aanmaning of erkenning Onjuiste partij-aanduiding; rectificatie. Stuiting verjaring; aanvulling feitelijke grondslag.

Ook omstandigheid dat verscheidene rechtspersonen met op elkaar gelijkende namen bij geschil betrokken zijn, staat niet in de weg aan rectificatie van vergissing gemaakt bij aanduiding van eisende rechtspersoon in dagvaarding, mits die vergissing voor gedaagde kenbaar was, de gedaagde niet wordt benadeeld of in verdediging geschaad en rectificatie tijdig plaatsvindt. Nu eiser/appellant wel heeft aangevoerd dat verjaring was gestuit door aanmaningen maar niet dat deze was gestuit door een erkenning, heeft het hof de feitelijke grondslag van het beroep op stuiting in strijd met art. 176 Rv aangevuld.

Rechtbank Den Haag 30-8-1988 niet gepubliceerd Staat / UWV / Alpina Stuiting voor het Rijk impliceert stuiting voor ABP

Stuiting rechtsvordering

HR 14-11-2014 ECLI:NL:HR:2014:3240 Doorhaling op rol maakt stuiting door daad van rechtsvervolging niet ongedaan

Op grond van art. 3:316 BW wordt verjaring door een daad van rechtsvervolging gestuit, behalve als de rechtsvervolging wordt ingetrokken. Doorhaling op de rol is geen intrekking en heeft volgens art. 246 lid 2 geen rechtsgevolgen, wel kunnen partijen de rechtsgevolgen bij overeenkomst bepalen. Afstand van recht en opgewekt vertrouwen kan ertoe leiden dat het rechtsgevolg kan zijn dat stuiting niet plaatsvond.

HR 08-10-2010 BM9615, voor de schuldenaar moet voldoende kenbaar zijn welke vordering is bedoeld

3.5. (…) een stuitingshandeling naar inhoud en strekking (HR 14 februari 1997, nr. 16144, NJ 1997/244) een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar dient in te houden dat hij ook na het verstrijken van de verjaringstermijn ermee rekening moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal opdat hij zich tegen een alsnog ingestelde vordering van de schuldeiser behoorlijk kan verweren.
(…) aan de mededeling die aan de schuldenaar wordt gedaan niet de eis kan worden gesteld dat deze nauwkeurig de vordering moet omschrijven waarvoor de schuldeiser zich het recht op nakoming voorbehoudt met aanwijzing van de correcte juridische grondslag daarvoor (HR 27 juni 2008, nr. C07/039, LJN BD1494, NJ 2008/373).
(…) Voor een voldoende duidelijke waarschuwing is immers noodzakelijk dat voor de schuldenaar kenbaar is welke vordering is bedoeld. Daartoe is in elk geval vereist dat de vordering zodanig is omschreven dat de schuldenaar daaruit kan begrijpen welk recht op nakoming wordt voorbehouden en waartegen hij zich eventueel heeft te verweren. Met zijn oordeel dat in dit geval niet mocht worden volstaan met een "zeer algemene aanduiding" van de vordering heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat Chipshol Forward uit de stuitingsexploten redelijkerwijs niet heeft behoeven begrijpen dat [eiser] c.s. meenden (ook) een vordering uit onverschuldigde betaling in verband met overtreding van effectenrechtelijke voorschriften jegens haar te hebben. (het oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk).

Stuiting, verzekeraar

Rb Rotterdam 13-03-2013 ECLI:NL:RBROT:2013:BZ6034 stuiting bij wam-verzekeraar, ontvangst stuiting

9 oktober 1997 ongeval
25 september 2002 voorschotten tot
21 april 2004 onderhandelingen tot
22 april 2004 staking onderhandelingen door wam-verzekeraar
21 december 2007 benadeeelde stuit verjaring op wam-verzekeraar
16 april 2009 benadeeelde stuit verjaring op verzekerde wam-verzekeraar.

De stuiting van 21-12-2007 betrof de vordering op de wam-verzekeraar. Die van 16-4-2009 is niet bewijsbaar ontvangen voor 22-4-2004. Volgens vaste jurisprudentie is echter bij de beslissing of de verjaring tijdig is gestuit de correcte verzending niet beslissend; het gaat om tijdige ontvangst. Verjaring trad in.

HR 27 juni 2008, BD1842 stuiting verjaring bij WAM-verzekeraar stuit ook boven het verzekerd bedrag jegens verzekerde. Aanzegging rente stuit verjaring

Rb. Rotterdam 15 juli 2009, JA 2009, 156 juiste partij

Door verschillende entiteiten binnen Eneco is de nodige actie ondernomen vóór 15 juli 2002, maar volgens de rechtbank zijn de stuitingshandeling niet verricht door, voor of namens Eneco Netbeheer B.V., maar door andere entiteiten binnen het concern en dat was onvoldoende. De verjaring van de rechtsvordering is niet op juiste wijze gestuit.

Rb Arnhem 30-12-08 bc3892 stuiting geldt alleen degene die stuitte

Dat een derde een procedure tegen de verzekeraar begon maakt niet dat de vordering van de benadeelde tegen die verzekeraar gestuit is.

Rechtbank 06-02-2008 Leeuwarden LJN: BC6058 Verjaring kan niet bij de verzekeraar gestuit worden

Advocaat laat verjaringstermijn van vordering van client verstrijken, waardoor hij schadeplichtig is jegens cliënt. De vordering van de cliënt tot betaling van schadevergoeding door de advocaat is echter verjaard. Enkele omstandigheid dat cliënt met de aansprakelijkheidsverzekeraar van de advocaat in onderhandeling was, is onvoldoende voor het stuiten van de verjaring.


Rechtbank Rotterdam 18 januari 2006, NJF 2006/163

BW art. 8:1700; Rv art. 130
Procesrecht. Eisvermeerdering. Verjaring. Geen sprake van nieuwe rechtsvordering indien daarop betrekking hebbende eisvermeerdering berust op dezelfde juridische en feitelijke grondslag als vordering waarmee geding is ingesteld.


RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH 26 april 2006 LJN AY4317 stuiting verjaring door brieven en/of onderhandelingen tussen verzekeraars?

BW art. 3:310, 316, 317
Na een verkeersongeval in 1989 loopt slachtoffer letselschade op, onder andere aan zijn heup. De WAM-verzekeraar van de tegenpartij, Nationale Nederlanden, erkent aansprakelijkheid en keert aan het slachtoffer in de jaren 1989-1992 een bedrag aan schadevergoeding uit van ruim € 111.000. Nationale Nederlanden vordert dit schadebedrag van de (opvolgend) verzekeraar van het ziekenhuis waar de heupoperatie heeft plaatsgevonden; er zou sprake zijn van een medische beroepsfout. In dit geding staat enkel de vraag centraal of er sprake is van verjaring van de vordering (rov. 2.12). Er zijn (stuitings)brieven gestuurd, onderhandelingen gevoerd en er is een gezamenlijke medische expertise overeengekomen tussen verzekeraars. Na uitvoerige motivering (rov. 2.13-2.25) oordeelt de rechtbank dat er sprake is van stuiting van de verjaring.

HR 1-12-2000, NJ 2001, 45 Stuiting kan bij een vertegenwoordiger gebeuren

Hof Arnhem 25-11-2003 NJ 2004, 228 Verjaring gestuit, vertegenwoordiging blijkt uit stukken

Het hof leidt uit de stukken af dat de verzekerde vertegenwoordigd werd door Sun Alliance,
Dat blijkt uit de inhoud van de correspondentie en het doorzenden door de verzekerde aan de verzekeraar van de aansprakelijkstelling en het aan deze overlaten van de schadebehandeling (Vgl HR 1-12-2000 NJ 2001, 45) Betreft vervolg op HR 1 februari 2002, NJ 2002, 195.

HR 13-12-2002, AE9244 Erkenning verzekeraar stuit verjaring

Een arts wordt aansprakelijk gesteld voor onzorgvuldig handelen bij knieklachten. De arts schrijft terug dat hij de aansprakelijkstelling doorstuurt aan zijn verzekeraar; deze erkent vervolgens aansprakelijkheid. De erkenning door de verzekeraar stuit de verjaring van de vordering van de benadeelde op de arts. Stuiting van verjaring door erkenning, zoals voorzien in art. 2019 (oud) BW, kan ook door een vertegenwoordiger geschieden. Niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting geeft 's Hofs oordeel dat de benadeelde patiënte in redelijkheid de verzekeraar terzake als vertegenwoordiger van de arts mocht aanmerken nu de litigieuze brief van de arts niet anders kan worden opgevat dan dat de arts de beoordeling en beslissing omtrent zijn aansprakelijkheid aan zijn verzekeraar overliet, hetgeen hij vervolgens ook heeft gedaan.

Rb Amsterdam 20-12-2000 VR 2002, 146 VR2002, 146 Arbeidsongeval verjaring vertegenwoordiging

Door de afwikkeling van de aansprakelijkstelling geheel aan de aansprakelijkheidsassuradeur over te laten heeft de schuldenaar tegenover de eiser de schijn gewekt dat de aansprakelijkheidsassuradeur bevoegd was haar met betrekking tot eisers vordering op de schuldenaar te vertegenwoordigen.
Het overlaten kan afgeleid worden uit het niet reageren door de verzekerde op de aansprakelijkstelling en een herinnering.

HR 2 maart 2001 NJ 2001, 304 Verjaring stuiting namens en toerekening aan vertegenwoordigde

Art. 3:316 lid 1 BW, spreekt van "van de zijde van de gerechtigde". Dat laat toe dat indien de gerechtigde met bekendheid van de aangesprokene de afwikkeling van de kwestie aan een ander dan de gerechtigde zelf heeft overgedragen, de stuiting door die ander toegerekend dient te worden aan de gerechtigde waardoor de verjaring van de rechtsvordering is gestuit. Begrijpelijk is het oordeel van het Hof, op grond van de vaststaande feiten, dat de Holding zich nooit op enigerlei wijze heeft ingelaten met de overdracht van de pensioenen en de afwikkeling van de pensioenoverheveling aan het Pensioenfonds heeft overgelaten, waardoor de stuitingshandeling van het Pensioenfonds diende te worden toegerekend aan de Holding.

Rb Rotterdam 28-8-1997 S&S 1998, 62 Stuiting verzekeraar

Indien eerst zowel met de verzekeraar als met de verzekerde is gecorrespondeerd en vervolgens alleen met de verzekeraar, zonder dat de verzekerde dat heeft verzocht of heeft goedgevonden hebben de stuitingshandelingen jegens de verzekeraar geen werking jegens de verzekerde.

Hof Den Bosch 30-7-1997 VR 98, 69 Verzekeraar geen vertegenwoordiger

Het standpunt dat een aansprakelijkheidsverzekeraar vertegenwoordiger is van haar verzekerde vindt geen steun in enige rechtsregel.
Dat een verzekerde op verzoek van de benadeelde bevestigt dat hij een duplicaat van de brief van de benadeelde aan de verzekeraar zond impliceert niet dat de verzekeraar de verzekerde mocht vertegenwoordigen.
De benadeelde had zich moeten vergewissen of de verzekeraar de verzekerde mocht vertegenwoordigen, zeker omdat de verzekeraar liet weten zich niet zonder meer als vertegenwoordiger te beschouwen.

VR 1996, 23 Verzekeraar vertegenwoordigt

Het is een feit van algemene bekendheid, dat in gevallen als het onderhavige de WA-verzekeraar van de verzekerde verlangt dat alle correspondentie aan eerstgenoemde wordt doorgestuurd danwel door deze wordt gevoerd, zodat de verzekeraar als de vertegenwoordiger van de verzekerde moet worden aangemerkt, hetgeen onverlet laat dat de WA-verzekeraar ook uit eigen hoofde aansprakelijk is. Rente-aanzegging aan verzekeraar geldt ook als tot verzekerde gericht.

Hof Den Haag 2-11-1995 niet gepubliceerd Baby Joost vervolg op Rb Den Haag 9-3-1994 Stuiting bij wa-verzekeraar zonder gevolg

Eeen stuitingshandeling jegens de wa-verzekeraar kan gelden als een stuiting bij de schuldenaar zelf. Daarvoor is op z'n minst genomen nodig dat de schuldenaar jegens de schuldeiser te kennen heeft gegeven dat hijh de afhandeling van de vordering overlaat aan de verzekeraar.

Rb Den Haag 9-3-1994 niet gepubliceerd, Baby Joost, Stuiting door verzekerde stuit geen eerdere gesubrogeerde vordering van verzekeraar

Waarschuwingsplicht

HR 15 oktober 2004 AP1664 geen waarschuwingsplicht voor contractuele verjaring

Voor het buiten toepassing laten van verjaring is strijd met de redelijkheid en billijkheid onvoldoende. Een beroep daarop moet in de omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.

 

WAM

Rb Amsterdam 31 juli 2013 ECLI:NL:RBAMS:2013:5040 BW verjaring van vijf jaar gaat in na afbreken onderhandelingen in de zin van de WAM

Ongeval 1996. in 2004 onderhandelingen afgebroken. Omdat die onderhandelingen in 2004 door verzekeraar werden afgebroken, ving daarmee een nieuwe verjaringstermijn aan van vijf jaar ving aan in 2004 door afbreken onderhandelingen. Verjaring jegens verzekeraar zonder invloed. (CV merkwaardig een nieuwe BW termijn begint te lopen na stuiting, afbreken onderhandelingen is geen stuiting).

Hof Arnhem, 17-2-2009 104.001.876 vordering gestuit als verzekeraar regeling niet zonder meer uitsluit (doc)

Er is alleeen dan geen sprake van onderhandeling als de verzekeraar of het WBF een regeling zondermeer uitsloot in de correspondentie. Het WBF gaf alleen aan geen taak voor zich weggelegd te zien omdat zij ervan uitging dat een Poolse vrachtauto betrokken was. Daaruit blijkt niet dat het WBF iedere aansprakelijkheid zou afwijzen zodat de verjaring is gestuit.

Hoge Raad 27 juni 2008 BD1842 art. 10 lid 4 WAM 

stuiting verjaring jegens WAM-verzekeraar stuit verjaring jegens verzekerde, óók boven verzekerde som; aanzegging rente is stuitingshandeling

HR 27 juni 2008 BD1842 stuiting bij verzekeraar geldt ook voor verzekerde zelfs boven verzekerde som. renteaanzegging is stuiting.

Gelet op de strekking van art. 10 lid 4 (lid 2) WAM die in het belang van de benadeelde erin voorziet dat de stuiting jegens de verzekeraar doorwerkt in de verhouding tussen de benadeelde en de verzekerde, dient daaraan een ruime uitleg te worden gegeven. Dat volgt ook uit de aan de WAM ten grondslag liggende bedoeling een ruime bescherming te bieden aan verkeersslachtoffers (vgl. Benelux-Gerechtshof 20 oktober 1989, A88/2, NJ 1990, 660). Daarom moet worden aangenomen dat de stuiting ook heeft te gelden voor het gedeelte van de vordering van de benadeelde op de verzekerde dat uitgaat boven het bedrag waarvoor de polis dekking biedt. Daarop stuiten alle klachten van het middel af.

Rb Maastricht 18-9-2008 BF1338 geen stuiting door voorlopig getuigenverhoor of onderhandelingen

Geen stuitingshandelingen in de zin van art. 10, lid 5 WAM zijn verricht. Aangezien verzoekschrift voorlopig getuigenverhoor niet is overgelegd, concludeert de rechtbank dat eiser niet heeft willen stellen dat met dit verzoekschrift een daad van rechtsvervolging is geschiedt, dan wel dat het verzoekschrift zo duidelijk van inhoud was dat het gedaagde duidelijk moest zijn dat eiser zijn schade vergoed wilde hebben. Dat sprake is geweest van ‘onderhandelingen in de zin van de WAM’ heeft eiser onvoldoende geconcretiseerd. De rechtbank oordeelt dat niet is vast komen te staan dat eiser de verjaring tijdig heeft gestuit.

HR 18-1-2008 BB6907 stuiting van toekomstige vorderingen is mogelijk

In 1994 diende (BSA) een vordering in namens de werkgever en maakte een voorbehoud ten aanzien van mogelijke toekomstige vorderingen van UWV. Naar het oordeel van het hof verzetten noch het systeem van de WAM noch het Nederlandse burgerlijke recht zich ertegen dat stuiting plaatsvindt ten aanzien van toekomstige directe verhaalsvorderingen van een uitkeringsinstantie op een WAM-verzekeraar. De Hoge Raad verwerpt het door de verzekeraar ingestelde cassatiemiddel, waarin wordt betoogd dat het begrip "benadeelden" in de WAM voor een geldige "duurstuiting" op de voet van art. 10 lid 5 vereist, dat degene die op grond van art. 6 WAM als benadeelde toekomstige schade rechtstreeks op de WAM-verzekeraar wil (blijven kunnen) verhalen, bij de aanvang van de in art. 10 lid 5 bedoelde onderhandeling zelf ten minste reeds daadwerkelijk enige op die verzekeraar verhaalbare schade als gevolg van het ongeval heeft geleden. De Hoge Raad oordeelt dat tekst noch wordingsgeschiedenis van art. 1 WAM dwingt tot deze beperkte uitleg van het begrip "benadeelde". "Zoals uit de onderhavige zaak blijkt, kan het voor zekere rechtverkrijgenden best enige tijd duren, voordat zij daadwerkelijk schade lijden en daarmee daadwerkelijk een (verhaals)vordering hebben. Als tegenwicht voor het, mede vanwege het in artikel 10 lid 1 WAM gekozen aanvangstijdstip, snel voltooid raken van de verjaring is dan nodig dat ook deze rechtverkrijgenden mede van de in lid 5 van dat artikel voorziene stuitingsmogelijkheid gebruik kunnen maken. Er bestaat geen klemmende reden om aan hen de voordelen die aan een rechtstreekse vordering op de WAM-verzekeraar en aan de duurstuiting zijn verbonden, te onthouden."

2002-06-17 Verjaring, stuiting onderhandeling WAM BW bindend advies Hartlief.

HR 24-11-2006 AZ0418 stuiting in de zin van art 3:317 BW stuit de WAM-verjaring

De verjaring is rechtsgeldig gestuit door een brief van de belangenbehartiger. De Raad overweegt dat volgens art. 3:317 lid 1 BW de verjaring van een rechtsvordering wordt gestuit door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. In genoemde brief wordt gesteld dat de bestuurder aansprakelijk is, dat de klachten door het ongeval ontstonden en dat de WAM-verzekeraar wordt verzocht tot betaling over te gaan. De brief laat geen andere uitleg toe dan dat benadeelde zich ondubbelzinnig het recht op nakoming heeft voorbehouden als bedoeld in art. 3:317 lid 1 BW, aldus de Raad.
AG: 9: In cassatie is niet aan de orde de vraag of de regeling van de stuiting van de verjaring in Boek 3 BW - naast de stuitingsregeling van art. 10 lid 5 WAM - van toepassing is op de verjaring ex art. 10 WAM; het hof is immers kennelijk en in cassatie onbestreden ervan uitgegaan dat deze vraag in bevestigende zin moet worden beantwoord. (Zie over deze kwestie Wansink, Handboek Schaderegeling Motorrijtuigen, p. 325-19.)
(zie Meelker PIV-Bulletin 2007, 5 - Verjaring en de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM))
(zie verder Hof Arnhem 07-04-2009 BI2790 Stuiting WAM ook door stuiting naar art 3:317 BW),

 


RB UTRECHT NJF 2004/282 4 februari 2004, drie jaar volstaat voor regresnemers

BW art. 3:310; WAM art. 1, 10

Met het uitgangspunt van WAM dat de benadeelde een direct verhaalsrecht heeft op de verzekeraar verdraagt zich niet dat de benadeelde uitkeringsinstantie geen mogelijkheid zou hebben om terzake (zekere) vorderingen die pas ontstaan na verloop van drie jaar na de ongevalsdatum direct verhaal te nemen op die verzekeraar. Binnen de driejarige verjaringstermijn van de WAM moet het mogelijk worden geacht toekomstige vorderingen te stuiten. Onderhandelingssituatie als bedoeld in art. 10 lid 5 WAM.

BenHof 21-12-1990 A 89, 2 Wel burgerrechtelijke verjaring, geen wam-verjaring

Het doel van de WAM is een ruime bescherming aan slachtoffers te geven. Daarmee zou niet in overeenstemming zijn dat als de vordering jegens de dader zou zijn verjaard tevens de vordering jegens de benadeelde zou zijn verjaard.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Aansprakelijkheid